Ontdek waarom 75% van de wilde bijen in de bodem nestelt en hoe je met een zandnestplek of steilwand echte hulp biedt aan soorten zoals de zandbij.
In de maand juni is het in de natuurtuin een drukte van belang. Hoewel veel tuinbezitters trots zijn op hun houten nestkasten, blijft een groot deel van de biodiversiteit vaak onopgemerkt. Volgens actuele bestuivingsgegevens nestelt ongeveer driekwart van alle wilde bijensoorten in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland in de bodem. Een klassiek insectenhotel van bamboestokjes of geboord hardhout helpt slechts een kleine minderheid van bovengronds nestelende soorten, zoals de gehoornde metselbij (Osmia cornuta).
Om de biodiversiteit in de tuin effectief te vergroten, is de focus op het bodemoppervlak essentieel. Bodembewonende soorten zoals de pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes) of verschillende groefbijen (Lasioglossum) zijn afhankelijk van open, vegetatiearme en zonnige plekken. In dicht beplante borders, onder mulchlagen of op intensief onderhouden gazons vinden deze gespecialiseerde insecten geen ruimte voor hun broedgangen. Een zandnestplek of een kunstmatig aangelegde steilwand zijn hier de meest effectieve maatregelen voor soortbehoud.
De biologie van bodemnestelende wilde bijen is fascinerend en complex. Een vrouwtje van de zandbij graaft vaak gangen tot 60 centimeter diep in het substraat. Aan het einde van deze gangen worden broedcellen aangelegd, die worden gevuld met een mengsel van pollen en nectar. Het ei wordt daarop gelegd en de larve ontwikkelt zich beschermd in de bodem, waar deze ook overwintert.
Problematisch voor deze soorten zijn de toenemende bodemverharding en de overmatige nutriëntenverrijking (eutrofiëring) van onze bodems. Te voedselrijke bodems leiden tot een dichte vegetatiedekking, die de bodem beschaduwt en afkoelt. Omdat wilde bijen koudbloedige dieren zijn, hebben ze direct zonlicht op de bodem nodig om hun vliegspieren op te warmen. Open bodem op xerotherme locaties (droge, warme leefgebieden) is daarom een sleutelfactor voor een levendige tuin.
| Nesttype | Aandeel soorten | Voorbeeldsoorten | Eisen aan de tuin |
|---|---|---|---|
| Bodennestelaars | ca. 75 % | Zandbij (Andrena flavipes), voorjaarsvosje (Anthophora plumipes) | Open bodemplekken, ongewassen zand, verticale afbraakkanten |
| Holtebewoners | ca. 20 % | Rosse metselbij (Osmia bicornis), behangersbijen (Megachile) | Kevergangen in dood hout, rietstengels, holle stengels |
| Specialisten | ca. 5 % | Slakkenhuisbij (Osmia aurulenta) | Lege slakkenhuizen, stengels met merg (bijv. braam) |
Een zandnestplek is meer dan alleen een hoop zand. Om ervoor te zorgen dat deze door insecten wordt geaccepteerd, moet je letten op de fysieke eigenschappen van het materiaal en de locatie.
Kies een plek in de volle zon, bij voorkeur op het zuiden. Schaduw door bomen of gebouwen is contraproductief, omdat het broed in de bodem warmte nodig heeft om zich te ontwikkelen. Zorg ervoor dat de plek beschermd is tegen regen of in ieder geval goed gedraineerd is, zodat er geen water blijft staan.
Dit is de meest gemaakte fout: gebruik geen gewassen speelzand uit de bouwmarkt. Dit bestaat uit rondgeslepen korrels van gelijke grootte. Als een bij daarin graaft, stort de gang direct weer in. Je hebt ongewassen groefzand of brekerzand (korrelgrootte 0/2 tot 0/8 mm) met een zeker leemgehalte nodig. De verschillende korrelgroottes haken in elkaar en zorgen voor de noodzakelijke stabiliteit van de gangen.
Graaf een kuil van minimaal 40 tot 50 centimeter diep. Dit is belangrijk zodat de larven in de winter onder de vorstgrens beschermd zijn. Vul de kuil met het beschreven zand-leemmengsel. Je kunt de zandnestplek afzetten met dood hout of natuursteen om een optische afbakening te creëren. Deze stenen dienen bovendien als warmteopslag.
Sommige soorten, zoals het voorjaarsvosje (Anthophora plumipes), geven de voorkeur aan verticale structuren. In de natuur vinden ze deze bij afbraakkanten van rivieren of holle wegen. In de tuin kun je dit imiteren door een stapelmuur te bouwen en de voegen te vullen met het zand-leemmengsel, of door een kleine kist verticaal op te stellen en te vullen met aangestampte leem-zandgrond.
Erhältlich bei Gartenexpedition.de

2,50 €
inkl. MwSt., zzgl. Versandkosten
Zum Shop →

3,27 €
inkl. MwSt., zzgl. Versandkosten
Zum Shop →
Partnerhinweis: Die verlinkten Produkte stammen von Gartenexpedition.de. Bei einem Kauf unterstützt du unsere Arbeit.
Een nestplaats alleen is niet voldoende. De meeste wilde bijen hebben een kleine actieradius. Zorg ervoor dat er in de directe omgeving inheemse wilde planten bloeien. Let in juni vooral op soorten die belangrijk zijn voor gespecialiseerde bijen:
Vermijd invasieve neofyten zoals de Canadese guldenroede (Solidago canadensis). Deze verdringen weliswaar de inheemse flora, maar bieden veel gespecialiseerde wilde bijensoorten niet de juiste pollenproteïnen voor de larvenopkweek.
Door het aanleggen van een zandnestplek lever je een meetbare bijdrage aan het soortbehoud, die veel verder gaat dan het nut van een gekocht insectenhotel. Je creëert leefruimte voor de stille meerderheid van de wilde bijen die onze hulp het hardst nodig heeft.
Gebruik ongewassen groefzand of brekerzand (korrelgrootte 0/2 tot 0/8 mm). Dit bevat leemdelen die ervoor zorgen dat de gegraven gangen niet instorten.
Nee, speelzand is gewassen en rondkorrelig. Het biedt geen stabiliteit, waardoor de nestgangen van de wilde bijen direct zouden instorten.
Een diepte van minimaal 40 tot 50 centimeter is noodzakelijk, zodat de larven in de winter vorstvrij en beschermd onder het bodemoppervlak kunnen overleven.
Ongeveer 75% van alle inheemse wilde bijensoorten nestelt in de bodem. Insectenhotels helpen slechts een kleine groep holtebewonende soorten zoals metselbijen.
Schlagwörter
Alle Artendaten stammen aus wissenschaftlichen Quellen (CC BY 4.0 / CC0). Namensnennung gemäß Lizenzbedingungen. Vollständige Quellenübersicht →