Ontdek hoe je in je tuin open bodemvlakken maakt voor bodemnestelende wilde bijen. Handleiding voor zandnestplekken en open bodemvlakken voor meer biodiversiteit.
In de huidige tuincultuur streeft men vaak naar een volledige bedekking van de grond. Of het nu een dicht gazon (intensief onderhouden grasveld), een volledig beplante border of een dikke laag boomschorsmulch is – voor veel dieren is de bodem dan ontoegankelijk. Klassieke insectenhotels zijn in veel tuinen aanwezig, maar die ondersteunen slechts een minderheid van de soorten die in bovengrondse holtes nestelen, zoals de gehoornde metselbij (Osmia cornuta).
De overgrote meerderheid van de wilde bijen is echter aangewezen op de bodem. Biologisch gezien hebben deze dieren toegang tot mineraal substraat nodig om hun broedgangen te graven. Die gangen kunnen, afhankelijk van de soort, 5 tot 60 centimeter diep de grond in gaan. Zonder vegetatievrije plekken vinden gespecialiseerde soorten geen mogelijkheid om hun eitjes af te zetten. Door gericht gaten in de begroeiing toe te laten of te maken, bied je de dieren de basis voor hun hele levenscyclus.
Bodemnestelende wilde bijen stellen verschillende eisen aan de bodemstructuur. Sommige soorten, zoals de voorjaarszijdebij (Colletes cunicularius), geven de voorkeur aan losse zandgrond, terwijl de gewone zandbij (Andrena flavipes) ook in stevigere leemgrond nestelt. Het proces is ingewikkeld: het vrouwtje graaft een hoofdgang waar meerdere broedcellen op aftakken. Elke cel wordt gevuld met een mengsel van stuifmeel en nectar (bijenbrood) en vervolgens van een ei voorzien. Na het verzegelen van de cel ontwikkelt de larve zich beschermd in de bodem, verpopt ze en overwintert daar, tot ze het volgende jaar uitkomt.
Een wezenlijke factor is de thermoregulatie. Insecten zijn koudbloedig (ectotherm). Open bodemvlakken warmen onder invloed van de zon veel sneller op dan begroeide plekken. Die warmte is nodig zodat de vrouwtjes de voor het graven benodigde spieractiviteit kunnen behouden.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de specifieke behoeften van enkele veelvoorkomende bodemnesters uit de regio:
| Soort | Voorkeurssubstraat | Nestwijze | Belangrijke drachtplanten |
|---|---|---|---|
| Voorjaarszijdebij (Colletes cunicularius) | Los zand, zandige oevers | Zelf gegraven gangen | Wilgen (Salix caprea – boswilg), sleedoorn (Prunus spinosa) |
| Gewone zandbij (Andrena flavipes) | Zand, leem, löss; vaak in kolonies | Horizontaal tot hellend oppervlak | Paardenbloem (Taraxacum sect. Ruderalia), mosterdsoorten (Sinapis) |
| Rosse zandbij (Andrena fulva) | Graspaden, ijle weides, leem | Verticale gangen met uitwerphoopje | Aalbessen (Ribes), fruitbomen (Rosaceae) |
| Pluimvoetbij (Dasypoda hirtipes) | Diep, fijnkorrelig zand | Zeer diepe gangen (tot 60 cm) | Wilde cichorei (Cichorium intybus), centaurie (Centaurea) |
| Klimopzijdebij (Colletes hederae) | Zandig-lemig, vaak in steilwanden | Grote groepen (aggregaties) | Gewone klimop (Hedera helix) |
Je hoeft niet je hele tuin om te gooien. Vaak zijn kleine, strategisch geplaatste maatregelen al voldoende om een meetbare bijdrage aan de biodiversiteit te leveren.
Eenmaal aangelegd heeft zo’n plek maar minimaal onderhoud nodig. Het allerbelangrijkste is rust. Volgens recente inzichten in de bodembiologie verstoort veelvuldig schoffelen of omspitten het verloop van de nestgangen en kan het de larven doden. Wied daarom alleen voorzichtig met de hand om de bodemstructuur te behouden.
Vermijd elke vorm van bodemverdichting. Loop niet over de open plekken, vooral niet in de periode van maart tot september, wanneer de bijen het actiefst zijn. Ontdek je kleine aarden hoopjes die aan miniatuur-molshopen doen denken, dan is dat een duidelijk teken van nestelende zandbijen. Die hoopjes ontstaan door het uitgegraven materiaal en mogen niet worden vlak gemaakt.
Een ander kritisch punt is bemesting. In een natuurlijke bijen- en vlindertuin is het gebruik van synthetische minerale meststoffen contraproductief, omdat die leiden tot een overmatige groei van de planten, waardoor open bodemplekken snel weer dichtgroeien. Bovendien begunstigt overbemesting vaak concurrentiekrachtige grassoorten, die de waardevolle wilde kruiden verdringen. Gebruik in plaats daarvan voor de drachtplanten met mate rijpe compost, maar houd het nestgebied strikt voedselarm.
Op open bodemvlakken zullen onvermijdelijk planten gaan groeien. Dat is tot op zekere hoogte gewenst, zolang de plek niet helemaal dichtgroeit. Inheemse pioniersplanten zoals muizenoor (Hieracium pilosella) zijn zelf vaak waardevolle voedselbronnen en hinderen de bijen nauwelijks, zolang er nog voldoende open grond zichtbaar blijft. Invasieve neofyten, zoals Canadese guldenroede (Solidago canadensis), moet je daarentegen consequent verwijderen, omdat ze door hun agressieve uitbreiding en rhizoomvorming de bodem binnen korte tijd volledig koloniseren en onbruikbaar maken voor bodemnesters.
Gebruik uitsluitend ongewassen zand met fijne delen (leem/slib). Gewassen speelzand is te instabiel; de gegraven gangen zouden meteen instorten.
Let op kleine gaatjes in de bodem, vaak omgeven door kleine uitwerphoopjes aarde. Bij zonneschijn kun je de vrouwtjes zien in- en uitvliegen.
Nee, niet omspitten. De larven overwinteren in hun broedcellen in de grond en zouden door grondbewerking worden vernietigd.
Mulch werkt als een afsluiting. De bijen kunnen het niet opzij schuiven om te graven. Bovendien houdt mulch de bodem te koel voor warmteminnende soorten.
Kleine plekjes vanaf ongeveer 50 × 50 cm zijn al waardevol. Belangrijker dan de precieze grootte is de zonnige ligging en het uitblijven van verstoring door betreding of chemische stoffen.
Nee, dat is niet toegestaan en biologisch gezien niet zinvol. Creëer geschikt leefgebied, dan vestigen de bijen zich vanzelf.
Alle soortgegevens zijn afkomstig uit wetenschappelijke bronnen (CC BY 4.0 / CC0). Naamsvermelding conform licentievoorwaarden. Volledig bronnenoverzicht →