Leer hoe je nestgelegenheden voor wilde bijen maakt van hardhout, stengels en leem. Op bewijs gebaseerde handleiding voor natuurlijke tuinen zonder ongeschikte materialen uit de bouwmarkt.
Juni is in de tuin de topmaand voor activiteit van wilde bijen. Terwijl de honingbij (Apis mellifera) als sociale insect vaak centraal staat, leveren de meer dan 560 inheemse wilde bijensoorten (Anthophila) in de DACH-regio de hoofdmoot van het bestuivingswerk. Veel van deze soorten zijn solitaire bijen, wat betekent dat elk vrouwtje zelfstandig een nest aanlegt, proviand in de vorm van pollen verzamelt en eitjes legt. Omdat het natuurlijke landschap door verharding en intensieve landbouw steeds minder nestgelegenheid biedt, is het scheppen van kunstmatige structuren in natuurlijke tuinen een essentiële beschermingsmaatregel.
De ecologische waarde van een nestgelegenheid wordt niet bepaald door het uiterlijk, maar door de biologische functionaliteit. Een veelgemaakte fout in de tuinpraktijk is het gebruik van materialen als houtwol, stro of transparante kunststofbuizen, die niet door wilde bijen worden bewoond of leiden tot schimmel in het broedsel. Effectieve nestgelegenheden bootsen daarentegen natuurlijke microstructuurtjes na, zoals kevervraatgangen in dood hout of verticale afgravingswanden langs rivieroevers. Alleen wanneer de constructieparameters nauwkeurig zijn afgestemd op de biologie van de doelsoorten, worden nestgelegenheden aangenomen door soorten als de rosse metselbij (Osmia bicornis) of verschillende maskerbijen (Hylaeus).
Veel wilde bijensoorten zijn gespecialiseerd in het aanleggen van hun nesten in plantenstengels. Hierbij onderscheiden we holle buisjes en mergstengels, waarin de bijen zelf een gang knagen. Een klassiek voorbeeld van een plant waarvan de stengels na het snoeien moeten blijven staan, is de braam (Rubus fruticosus).
Let erop dat mergstengels van de koningskaars (Verbascum thapsus) of de gewone vlier (Sambucus nigra) afzonderlijk en verticaal aan paaltjes of stabiele structuren worden bevestigd. Soorten zoals de drietandige metselbij (Hoplitis tridentata) nestelen uitsluitend in verticaal geplaatste stengels. Holle stengels, zoals die van riet (Phragmites australis), moeten daarentegen gebundeld en horizontaal worden aangeboden. Belangrijk is een gladde snede zonder splinters aan de ingang, om de tere vleugels van de insecten niet te beschadigen.
Ongeveer 75 procent van de inheemse wilde bijen nestelt in de bodem. Een deel van deze soorten geeft echter de voorkeur aan verticale structuren, zoals die voorkomen in lösswanden of holle wegen (door erosie diep ingesneden paden). Omdat dergelijke habitats in het moderne cultuurlandschap schaars zijn geworden, biedt een kunstmatige steilwand waardevolle vervangende ruimte.
Voor de bouw meng je ongewassen, lemig zand met water tot een kneedbare, maar stevige massa. Deze wordt in een stevig houten frame geperst. Na droging ontstaan harde oppervlakken waarin soorten zoals de voorjaarspluimbij (Anthophora plumipes) hun gangen kunnen graven. In tegenstelling tot horizontale zandnestplekken (zandnestplek – een open zandbiotoop voor grondnestelende wilde bijen) biedt de verticale wand bescherming tegen directe vernatting door regen.
Dood hout is een sleutelelement van biodiversiteit. Terwijl in de natuur de eland (Alces alces) in Scandinavische bossen profiteert van verjonging door open plekken die dood hout creëren, scheppen we in de tuin met gerichte boringen in hardhout nestruimte voor xylobionte (houtbewonende) soorten.
Gebruik uitsluitend goed gedroogd hardhout van eik (Quercus robur) of beuk (Fagus sylvatica). Naaldhout is ongeschikt, omdat de hars de ademopeningen (stigmata) van de bijen en hun larven kan verstoppen. De boringen moeten altijd haaks op de nerfrichting, dus in het zogenaamde langshout worden aangebracht. Boor je in het kops hout (het dwarsdoorsnedevlak van het hout), dan ontstaan bij droging scheuren waardoor rovers kunnen binnendringen of de larven uitdrogen.
| Materiaal | Doelsoorten (voorbeelden) | Boordiameter | Bijzonderheid |
|---|---|---|---|
| Riet (Phragmites australis) | Rosse metselbij (Osmia bicornis) | 6 - 9 mm | Horizontaal opstellen, achterzijde gesloten |
| Braamstengels (Rubus fruticosus) | Halmbijen (Ceratina) | Mergstengel | Enkelvoudig en verticaal monteren |
| Hardhout (eik/beuk) | Slobkousbijen (Chelostoma) | 3 - 5 mm | Alleen in langshout boren |
| Zand-leemmengsel | Pluimbijen (Anthophora) | Zelfgrawend | Tegen regen beschermen |
Met deze op bewijs gebaseerde maatregelen verander je jouw tuin in een functioneel stapsteenbiotoop (kleine, met elkaar verbonden leefgebieden) die een meetbare bijdrage levert aan het behoud van de insectenbiomassa in de DACH-regio.
Vaak zijn de gangen in het kops hout geboord, splinterig of bevatten ongeschikte materialen zoals dennenappels, die geen nestwaarde hebben voor solitaire bijen.
Nee. De larven overwinteren in coconnetjes. Schoonmaken vernietigt de volgende generatie. De natuur regelt de herbezetting zelfstandig.
Uitsluitend droog hardhout zoals eik (Quercus), beuk (Fagus) of es (Fraxinus). Naaldhout hars en plakt de vleugels van bijen vast.
Ophangen kan het hele jaar door, maar bij voorkeur vóór de eerste vliegperiode in maart. Ook in juni worden nog veel zomersoorten actief.
Trefwoorden
Alle soortgegevens zijn afkomstig uit wetenschappelijke bronnen (CC BY 4.0 / CC0). Naamsvermelding conform licentievoorwaarden. Volledig bronnenoverzicht →