Adelaarsvarenbestand (E5.3): Portret van Europa's adelaarsvarenvelden
Het adelaarsvarenbestand (EUNIS-code E5.3) is een soortenarm habitat dat wordt gedomineerd door hoge adelaarsvarens. Het wordt in heel Europa als niet bedreigd (Least Concern) beschouwd, maar is vanuit natuurbehoudsoogpunt meestal van geringe waarde en kan andere biotopen bedreigen.
Einordnung
- Originalbezeichnung
- Pteridium aquilinum stand
- EUNIS
- E5.3 – Bracken fields
- EU-28
- Least Concern
- EU-28+
- Least Concern
Samenvatting
Bij het habitattype Pteridium aquilinum stand (EUNIS E5.3, Nederlands: adelaarsvarenbestand, Engels: Bracken fields) gaat het om dichte, vaak 1 tot 2 meter hoge varenvelden die vrijwel uitsluitend door de adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) worden bepaald. Deze bestanden gelden als relatief soortenarm en worden in het natuurbehoud meestal als laagwaardig beschouwd – op veel plaatsen worden ze zelfs als een gevaar voor soortenrijkere biotopen zoals schraalgraslanden of heiden gezien. Op de Europese Rode Lijst van habitattypen heeft het habitat de status „Least Concern” (niet bedreigd). Het is niet opgenomen in Bijlage I van de Habitatrichtlijn en er zijn geen actuele staat-van-instandhouding-gegevens uit het Artikel 17-rapport beschikbaar.
Wat is een adelaarsvarenbestand? – De EUNIS-steekkaart
Adelaarsvarenbestanden zijn vegetatie-eenheden die door één varensoort worden gedomineerd en gedijen in vochtige delen van Europa op diepe, goed beluchte en eerder voedselarme tot matig vruchtbare bodems. De adelaarsvaren vormt hier gesloten, schaduwrijke zomerbestanden waaronder slechts weinig andere planten kunnen overleven.
EUNIS-classificatie en naam
- EUNIS-code: E5.3
- EUNIS-naam: Bracken fields
- Wetenschappelijke biotoopnaam: Pteridium aquilinum stand
- Nederlandse triviale naam: adelaarsvarenbestand, adelaarsvarenveld
Het habitat behoort tot de groep van de terrestrische biotopen en is in de EUNIS-hiërarchie rechtstreeks met „Bracken fields” verbonden. Kruisverwijzingen naar andere systemen zijn in het onderhavige gegevensbestand niet opgenomen.
Verspreiding in Europa
De belangrijkste verspreiding van het adelaarsvarenbestand strekt zich uit over de Atlantische en sub-Atlantische laagvlakten en middelgebergten. Vooral in de volgende regio’s komen dergelijke velden veel voor:
- Ierland
- Groot-Brittannië
- Bretagne (Frankrijk)
Verder oostelijk komt het habitattype duidelijk minder vaak voor en is het daar vrijwel uitsluitend beperkt tot het vochtige microklimaat van bossen. Soortenrijkere ruigtekruidenvelden met adelaarsvaren zijn vooral in de gematigde bergstreken verspreid, maar komen in het algemeen tamelijk zelden voor. In boreale en warm-mediterrane gebieden zijn de standplaatsomstandigheden voor een grootschalige ontwikkeling ongunstig; hier blijft het type meestal afwezig.
Habitat en standplaatsomstandigheden
Adelaarsvarenbestanden ontstaan op diepe, zure tot neutrale, goed gedraineerde en beluchte bodems. De nutriëntenvoorziening reikt van schraal tot matig vruchtbaar. Doorslaggevend voor de dominantie van de adelaarsvaren is zijn vermogen om door dicht zomerloof en een dikke strooisellaag van slecht verteerbaar blad een voor concurrerende planten levensvijandig microklimaat te scheppen.
Typische ontstane contexten
- Bosslagen, open plekken en bosranden – hier is de adelaarsvaren van nature een bosvaren die zich na het wegvallen van het kronendak uitbreidt.
- Heiden en schraalgraslanden, met name bij stopzetting van het beheer (geen maaien, geen begrazing).
- Ontwaterde veenlocaties en brandvlakten – na verstoringen kan de varen via sporenvlucht of – veel vaker – via ondergrondse rizomen nieuwe oppervlakken veroveren.
- Marginale landbouwgronden, wanneer het traditionele gebruik (strooiselwinning, betreding door vee) wegvalt.
De vegetatieve vermeerdering via rizomen is de regel. Sporenkieming komt wel voor, maar speelt voor de vlakdekkende uitbreiding een ondergeschikte rol. Eenmaal gevestigd breidt een kloon zich langzaam maar gestaag uit en verdringt concurrentiezwakke vegetatie.
Kenmerkende soorten en vegetatiegezelschappen
De hoge bedekkingsgraad van de adelaarsvaren en de extreme beschaduwing in de zomer zorgen voor een sterk selecterend effect op de begeleidende flora. De soortensamenstelling varieert naargelang de zuurgraad van de bodem en de nutriëntennalevering. Hieronder een selectie typische vaatplanten die in dergelijke bestanden kunnen voorkomen:
| Soort (wetenschappelijk) | Soort (Nederlands) |
|---|---|
| Pteridium aquilinum | Adelaarsvaren (dominant) |
| Agrostis capillaris | Gewoon struisgras |
| Anthoxanthum odoratum | Gewoon reukgras |
| Dactylis glomerata | Kropaar |
| Festuca ovina agg. | Schapengras (soortengroep) |
| Galium saxatile | Liggend walstro |
| Holcus lanatus | Gestreepte witbol |
| Holcus mollis | Gladde witbol |
| Potentilla erecta | Tormentil |
| Rubus idaeus | Framboos |
| Rubus ulmifolius | Elmbladige braam |
| Rubus sect. Rubus | Echte bramen |
| Sarothamnus scoparius | Brem |
| Teucrium scorodonia | Valse salie |
| Ulex europaeus | Gaspeldoorn |
| Vaccinium myrtillus | Blauwe bosbes |
Op minder zure bodems kunnen overgangen naar mesofiel grasland bestaan, waarbij bramensoorten (Rubus) of een enkele houtige soort zoals meidoorn (Crataegus), sleedoorn (Prunus) of es (Fraxinus) en eik (Quercus) opduiken. Dergelijke mengbestanden leiden naar de Rode Lijst-struwelen F3.1b en F3.1e.
Op zure standplaatsen zijn heide- en schraallandelementen zoals blauwe bosbes, tormentil of liggend walstro typerend.
Kwaliteitskenmerken van een intact bestand
Volgens de gegevens van de Europese Rode Lijst gelden de volgende indicatoren als een goed teken:
- Inbedding in een landschapsmozaïek met heiden, bossen en grasland (het varenbestand maakt dus deel uit van een gestructureerde biotoopverbinding, niet uitsluitend dominant).
- Geen co-dominantie van houtige gewassen, d.w.z. de varen bepaalt het beeld, bomen en struiken blijven ondergeschikt.
Bedreiging en Rode Lijst-beoordeling
In het kader van de Europese Rode Lijst van habitattypen (EU28 en EU28+-uitbreiding) is het habitat Pteridium aquilinum stand als „Least Concern” (LC) – niet bedreigd beoordeeld.
| Criterium | Beoordeling |
|---|---|
| Rode Lijst-categorie (EU28) | Least Concern (LC) |
| Rode Lijst-categorie (EU28+) | Least Concern (LC) |
| Beoordelingsbasis | Kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van de Europese Rode Lijst van habitats (2022) |
| Bedreigingscriteria (Red List Criteria) | In de onderhavige brongegevens niet vermeld |
Deze gunstige beoordeling weerspiegelt de wijde verspreiding en het vermogen van de adelaarsvaren om antropogene verstoringen te benutten. Voor het natuurbehoud is dit geen reden tot geruststelling: voor andere bedreigde habitattypen zoals droge heiden of schraalgraslanden vormen zich uitbreidende adelaarsvarenvelden juist bij beheersstop een aanzienlijke bedreiging.
Habitatrichtlijn en Artikel 17-rapport
Het habitattype Pteridium aquilinum stand is niet opgenomen in Bijlage I van de Habitatrichtlijn. Het gaat om een biotooptype van de EUNIS-classificatie dat niet onder de beschermingsstatus van de „natuurlijke habitattypen van communautair belang” valt. Bijgevolg liggen er ook geen staat-van-instandhouding-beoordelingen uit het Artikel 17-rapport van de lidstaten voor.
Voor natuurbehoudsbeoordelingen zijn daarom uitsluitend de indeling van de Europese Rode Lijst en de EUNIS-definitie maatgevend.
Betekenis voor het natuurbehoud
Vanuit het oogpunt van biodiversiteitsbescherming wordt het adelaarsvarenbestand doorgaans laag gewaardeerd. Het is soortenarm, verdringt vaak beschermingswaardiger open biotopen en bevordert de homogenisering van het landschap. In traditioneel gebruikte cultuurlandschappen werd het door regelmatig maaien (strooiselbenutting) en betreding door grazend vee teruggedrongen. Met het opgeven van het agrarisch gebruik op marginale gronden wordt het op veel plaatsen tot een probleem.
Toch maakt het biotooptype zelf deel uit van de natuurlijke vegetatiedynamiek in bossen en aan bosranden. Op open plekken en verstoringslocaties kan het tijdelijk het beeld bepalen, voordat in de loop van de successie opnieuw houtige gewassen opkomen. In een biotoopverbinding met heiden, bossen en grasland kan het als één element in een mozaïek fungeren, zolang het aandeel niet de overhand krijgt.
Betekenis voor tuin en gemeente
Adelaarsvarenbestanden zijn niet geschikt als tuinelement. De adelaarsvaren zelf kan weliswaar in grote tuinen of parken voorkomen, maar een echt EUNIS-habitattype E5.3 veronderstelt een vlakdekkende dominantie en voor het natuurbehoud gedefinieerde standplaatsomstandigheden die in de tuin niet worden nagebootst. In gemeenten kunnen braakliggend groen, taluds of verlaten spoordijken door adelaarsvaren worden gekoloniseerd. Hier is na te gaan of een beheer (maaien, begrazing) andere, beschermingswaardiger vegetatie in stand kan houden. Alleen volledige dominantie van adelaarsvaren geldt stedenbouwkundig niet als ontwikkelingsdoel.
Häufige Fragen
Is het adelaarsvarenbestand een habitattype van de Habitatrichtlijn?
Nee. Het habitat Pteridium aquilinum stand (EUNIS E5.3) is niet opgenomen in Bijlage I van de Habitatrichtlijn. Er is dus noch een indeling als natuurlijk habitat van communautair belang, noch een staat van instandhouding uit het Artikel 17-rapport.
Hoe is het adelaarsvarenbestand op de Rode Lijst beoordeeld?
In de Europese Rode Lijst van habitattypen (EU28 en EU28+) wordt het habitat als Least Concern (LC) ingedeeld. Het geldt momenteel als niet bedreigd.
Welke typerende planten groeien in adelaarsvarenbestanden?
Naast de dominante adelaarsvaren (Pteridium aquilinum) kunnen o.a. tormentil (Potentilla erecta), blauwe bosbes (Vaccinium myrtillus), liggend walstro (Galium saxatile) en diverse grassen zoals gewoon struisgras en witbol optreden. Op minder zure bodems voegen bramen en sporadisch houtige gewassen zich erbij.
Waar in Europa komen adelaarsvarenbestanden bijzonder vaak voor?
De hoofdverspreiding ligt in de Atlantische en sub-Atlantische laagvlakten en middelgebergten, vooral in Ierland, Groot-Brittannië en Bretagne. Verder oostelijk is het type meestal alleen in vochtige bosgebieden te vinden, in boreale en mediterrane gebieden is het zeldzaam.
Zijn adelaarsvarenbestanden goed voor de biodiversiteit?
Nee, ze gelden als soortenarm en worden in het natuurbehoud als laagwaardig beschouwd. Vaak bedreigen ze door hun agressieve uitbreiding soortenrijkere habitats zoals heiden of schraalgraslanden, vooral wanneer traditionele gebruiksvormen worden opgegeven.