Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: E4.4Europäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 6170

Arctisch-alpien kalkgrasland (EUNIS E4.4) – habitat, biodiversiteit en bescherming

Arctisch-alpien kalkgrasland (EUNIS-code E4.4) zijn natuurlijke, soortenrijke graslandgemeenschappen van de alpiene en subalpiene zone op kalk- en dolomietgesteente. Ze zijn het best ontwikkeld in de Alpen en komen ook voor in de Karpaten, Pyreneeën, Schotland, Scandinavië en in fragmentarische vorm in de Sudeten. Het habitattype is in de Europese Rode Lijst van habitats ingeschaald als ‘niet bedreigd’ (Least Concern) en staat in Bijlage I van de Habitatrichtlijn als habitattype 6170 ‚Alpine en subalpine kalkgraslanden‘. Een hoge soortenrijkdom en het behoud van traditionele begrazing zijn essentieel voor een goede kwaliteit.

Einordnung

Originalbezeichnung
Arctic-alpine calcareous grassland
EUNIS
E4.4 – Calcareous alpine and subalpine grassland
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
6170 – Alpine and subalpine calcareous grasslands

Het belangrijkste in het kort

  • EUNIS-code: E4.4 – Calcareous alpine and subalpine grassland
  • FFH-Bijlage I: habitattype 6170 ‚Alpine en subalpine kalkgraslanden‘
  • Europese Rode Lijst: Least Concern (niet bedreigd), zowel EU28 als EU28+.
  • Belangrijkste verspreiding: Alpen, Karpaten, Pyreneeën, Schotland, Scandinavië, Sudeten (fragmentair).
  • Typische kenmerken: Bloemrijke mager grasland op ondiepe kalkverweringsbodems (rendzina) met een mozaïek van erosie- en accumulatieplekken.
  • Kenmerkende genera: Blauwgras (Sesleria), Zeggen (Carex), Schapengras (Festuca), Naaktriet (Kobresia).
  • Bedreigingen: Stopzetten van extensieve begrazing (vooral onder de boomgrens), recreatiedruk (vertrapping, skipistes), bouwactiviteiten, plaatselijk ook overbegrazing.
  • Goede kwaliteit: Hoge soortenrijkdom, geen verstruweling, geen dominantie van hoog opgaande kruiden, voortzetting van traditionele begrazing, geen bodemverstoringen.

EUNIS en FFH: zo is het habitattype geclassificeerd

In de Europese biotooptypologie EUNIS valt het arctisch-alpien kalkgrasland onder code E4.4 als ‚Calcareous alpine and subalpine grassland‘. Daarmee behoort het tot de groep alpiene en subalpiene graslanden (E4). Deze classificatie wordt beheerd door het Europees Milieuagentschap (EEA) en vormt de basis voor monitoring en de Rode-Lijstbeoordeling van habitats.

Parallel daaraan is het habitattype in de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) beschermd als Bijlage I-habitat 6170 met de benaming ‚Alpine and subalpine calcareous grasslands‘. Als natuurlijk habitat van gemeenschappelijk belang geldt een verbod op verslechtering en verplicht het de EU-lidstaten tot rapportage in het kader van artikel 17. Concrete staat-van-instandhoudingsgegevens op EU-niveau zijn in de voor dit artikel gebruikte brongegevens niet beschikbaar en dienen uit nationale FFH-rapporten gehaald te worden.

Habitat en verspreiding

Arctisch-alpien kalkgrasland komt voor in de alpiene en subalpiene zone van de nemorale hooggebergten. Het groeit op kalk- en dolomietstandplaatsen, meestal op zonbeschenen, matig steile hellingen en graatrichels. De bodem is doorgaans een ondiepe rendzina-leptosol. Vooral op steile hellingen treden solifluctiebewegingen op, die door pollen van de dominerende grassen en zeggen worden afgeremd. Deze pollen werken als kleine dammen en voorkomen afstroming van fijn materiaal – er ontstaat een kenmerkend trapvormig microreliëf met een fijnmosaïek van erosie en accumulatie.

De vegetatiebedekking varieert afhankelijk van de bodemdikte tussen 20 en 100 %. Boven de boomgrens gaat het om natuurlijke, primaire graslanden die slechts incidenteel als zomerweiden werden gebruikt. Onder de boomgrens komen de kalkgraslanden van nature voor op rotsdoorstekende plekken of als secundaire vervangingsgemeenschappen op potentiële bosstandplaatsen (fijnspar, lariks, beuk) – ontstaan en in stand gehouden door eeuwenlange extensieve begrazing.

Het verspreidingscentrum ligt in de Alpen. Belangrijke voorkomen bestaan ook in de Karpaten, Pyreneeën, de Schotse Hooglanden, de Scandinavische gebergten en als kleine relictpopulaties in het Sudetengebergte. Een volledige landenlijst is in de beschikbare brongegevens niet opgenomen.

Karakteristieke soorten – een bont mozaïek

De graslanden worden gedomineerd door pollen van grasachtigen, die variëren per regio en geologisch substraat. In de matrix van deze graminoïden groeit een veelheid aan deels kleurrijke kruiden. De volgende wetenschappelijke namen zijn afkomstig uit de Europese Rode Lijst van habitats en aangevuld met enkele typerende soorten die in de bron als karakteristiek worden genoemd.

Tabel: selectie van karakteristieke soorten

GroepWetenschappelijke naam (selectie)Nederlandse naam (voor zover algemeen gebruikt)
Grassen / ZeggenSesleria caeruleaKalkblauwgras
Carex sempervirensGroene bermzegge
Carex firmaStijve zegge
Festuca versicolorBont schapengras
Kobresia myosuroidesNaaktriet
KruidenDryas octopetalaAchtsterbloem
Gentiana clusiiKalkgentiaan
Leontopodium alpinumEdelweiss
Anthyllis vulnerariaWondklaver
Globularia cordifoliaHartbladige kogelbloem
Pulsatilla alpina subsp. alpinaAlpenanemoon
Nigritella nigra (syn. Gymnadenia nigra)Zwarte vanille-orchis
Oxytropis campestrisVeld-keizerskroon
MossenRhytidium rugosumGerimpeld veenmos
Tortella tortuosaGekroesd veenmos
KorstmossenCetraria islandicaIJslands mos

De volledige soortenlijst van de bron omvat meer dan 70 vaatplanten, meerdere mossen en het genoemde korstmos. Vooral bij de boomgrens zijn de bestanden erg soortenrijk, doordat alpiene kalkindicatoren zich kunnen mengen met soorten van laaglandse droge graslanden, zoals de aardzegge (Carex humilis).

Bedreigingen en beschermingsstatus

De Europese Rode Lijst van habitats (beoordeling 2022 voor EU28 en EU28+) schaalt het arctisch-alpien kalkgrasland globaal in als ‚Least Concern‘ (niet bedreigd). Dit betekent echter niet dat het habitattype overal zonder problemen is. De bron noemt meerdere, deels plaatselijke, negatieve invloeden:

  • Stoppen van begrazing: Onder de boomgrens leidt het braakvallen van voorheen extensief gebruikte weiden tot verstruweling en uitbreiding van hoog opgaande kruiden. Daardoor neemt de habitatkwaliteit voor licht- en concurrentiegevoelige soorten sterk af.
  • Recreatie: Vertrappingsschade, skipistes en recreatieve infrastructuur kunnen het habitat plaatselijk sterk aantasten, maar blijven meestal lokaal.
  • Overbegrazing: In incidentele gevallen leidt te intensieve begrazing tot een afname van de vegetatiebedekking en bodemerosie.
  • Bouwactiviteiten: Aanleg van wegen, gebouwen of technische installaties verstoort het habitat rechtstreeks.

Als Bijlage I-habitat van de Habitatrichtlijn geniet het biotooptype een hoge beschermingsstatus binnen de EU. De staat van instandhouding wordt door de lidstaten gerapporteerd volgens artikel 17; concrete overkoepelende beoordelingen zijn echter niet in de gebruikte brongegevens opgenomen.

Kwaliteitskenmerken en beheer

Uit de gegevens van de Europese Rode Lijst kunnen duidelijke kenmerken voor intacte bestanden worden afgeleid:

  • Hoge soortenrijkdom: Een soortenrijk bestand met veel karakteristieke vaatplanten, mossen en korstmossen.
  • Geen verstruweling: Bomen of struiken dringen niet in noemenswaardige mate door.
  • Geen dominantie van hoog opgaande kruiden: Na wegvallen van beheer treedt vaak vergrassing of verruiging op, wat wijst op kwaliteitsvermindering.
  • Voortzetting van extensieve begrazing in de subalpiene zone, waar de graslanden van secundaire oorsprong zijn. Staken van beheer leidt daar tot herbebossing.
  • Geen overbegrazing, die de plantendekking sterk verlaagt of de bodem beschadigt.
  • Geen verstoringen door vertrapping, skipistes of bouwwerken.

Boven de natuurlijke boomgrens zijn de bestanden van nature stabiel en vereisen ze doorgaans geen actief beheer. Mits niet verstoord door plaatselijke belastingen kunnen ze zichzelf in stand houden. Onder de boomgrens daarentegen is het voortbestaan gebonden aan een traditionele, extensieve begrazing.

Biodiversiteit en ecologie

Het ecologische belang van het arctisch-alpien kalkgrasland ligt in zijn soortenrijkdom en functie als habitat voor hooggespecialiseerde, koudetolerante organismen. De combinatie van ondiepe kalkbodems, langdurige zonnestraling op zuidhellingen en de trapvormige bodemstructuren creëert een diversiteit aan microstandplaatsen. Zo kunnen op een klein oppervlak pioniers van open grond, pollen grassen en orchideeën naast elkaar bestaan. De bloeiperiode in de hoogzomer maakt deze graslanden tot kleurrijke elementen van het berglandschap en tot trekpleister voor bestuivende insecten.

Ondanks de Europese beoordeling als niet bedreigd, staat het habitattype in veel gebergten onder druk door veranderingen in het gebruik rondom de alpenweide-economie. De afname van extensieve zwerfbeweiding leidt met name in de Karpaten en delen van de Alpen tot een gestaag verlies van weideland en daarmee ook van dit biotooptype.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Wat is arctisch-alpien kalkgrasland?

Het gaat om natuurlijke of door extensieve begrazing ontstane graslandecosystemen van de alpiene en subalpiene zone, die op kalk- of dolomietgesteente groeien en gedomineerd worden door pollen van grasachtigen zoals blauwgras en zeggen.

Waar komen deze graslanden in Europa voor?

Het belangrijkste verspreidingsgebied zijn de Alpen. Andere voorkomen zijn er in de Karpaten, Pyreneeën, Schotland, Scandinavië en zeer fragmentarisch in het Sudetengebergte.

Welke beschermingsstatus geldt op EU-niveau?

Het biotooptype is als habitattype 6170 beschermd in Bijlage I van de Habitatrichtlijn. In de Europese Rode Lijst van habitats wordt het als ‚niet bedreigd‘ (Least Concern) ingeschaald.

Welke typische plantensoorten komen voor?

Kenmerkende soorten zijn onder meer kalkblauwgras (Sesleria caerulea), groene bermzegge (Carex sempervirens), naaktriet (Kobresia myosuroides), achtsterbloem (Dryas octopetala), kalkgentiaan (Gentiana clusii) en edelweiss (Leontopodium alpinum), daarnaast talrijke andere kruiden, mossen en korstmossen.

Waardoor wordt arctisch-alpien kalkgrasland bedreigd?

De belangrijkste bedreigingen zijn het stopzetten van de traditionele weidegang (waardoor struiken en hoog opschietende kruiden de ondergroei overwoekeren), plaatselijke verstoring door toerisme en skipistes, en bouwactiviteiten. Lokaal speelt ook overbegrazing een rol.

Bronnen

Häufige Fragen

Wat is arctisch-alpien kalkgrasland?

Het gaat om natuurlijke of door extensieve begrazing ontstane graslandecosystemen van de alpiene en subalpiene zone, die op kalk- of dolomietgesteente groeien en gedomineerd worden door pollen van grasachtigen zoals blauwgras en zeggen.

Waar komen deze graslanden in Europa voor?

Het belangrijkste verspreidingsgebied zijn de Alpen. Andere voorkomen zijn er in de Karpaten, Pyreneeën, Schotland, Scandinavië en zeer fragmentarisch in het Sudetengebergte.

Welke beschermingsstatus geldt op EU-niveau?

Het biotooptype is als habitattype 6170 beschermd in Bijlage I van de Habitatrichtlijn. In de Europese Rode Lijst van habitats wordt het als ‚niet bedreigd‘ (Least Concern) ingeschaald.

Welke typische plantensoorten komen voor?

Kenmerkende soorten zijn onder meer kalkblauwgras (Sesleria caerulea), groene bermzegge (Carex sempervirens), naaktriet (Kobresia myosuroides), achtsterbloem (Dryas octopetala), kalkgentiaan (Gentiana clusii) en edelweiss (Leontopodium alpinum), daarnaast talrijke andere kruiden, mossen en korstmossen.

Waardoor wordt arctisch-alpien kalkgrasland bedreigd?

De belangrijkste bedreigingen zijn het stopzetten van de traditionele weidegang (waardoor struiken en hoog opschietende kruiden de ondergroei overwoekeren), plaatselijke verstoring door toerisme en skipistes, en bouwactiviteiten. Lokaal speelt ook overbegrazing een rol.

Quellen