Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MB5373; MB5376; MB5381Europäische Rote Liste: Near ThreatenedFFH-Anhang I: 1110; 1160; 1650

Endobenthische mosselgemeenschappen in het zandige infralitoraal van de Oostzee (BAL31)

Het biotooptype 'Infaunal communities in Baltic infralittoral sand - bivalves' (EUNIS: MB5373, MB5376, MB5381) beschrijft benthische habitats in de fotische zone van de Oostzee, bestaande uit minimaal 90% zand en met mosselen als dominante endobenthische fauna (≥10 % van de biomassa). Volgens de Europese Rode Lijst van habitats staat het als Near Threatened (bijna bedreigd) en wordt het in bijlage I van de Habitatrichtlijn beschermd als onderdeel van habitattypen 1110, 1160 en 1650.

Einordnung

Originalbezeichnung
Infaunal communities in Baltic infralittoral sand - bivalves
EUNIS
MB5373; MB5376; MB5381
EU-28
Near Threatened
EU-28+
Near Threatened
FFH-Anhang I
1110; 1160; 1650 – Sandbanks which are slightly covered by sea water all the time; Large shallow inlets and bays; Boreal Baltic narrow inlets

Het belangrijkste in het kort

Het mariene biotooptype BAL31 („Infaunal communities in Baltic infralittoral sand – bivalves“) beschrijft endobenthische gemeenschappen van de Oostzee, die op zuivere zandbodems in de door zonlicht verlichte ondiepwaterzone leven. Macrovegetatie en grotere epibenthische organismen ontbreken grotendeels; in plaats daarvan domineren in het sediment ingegraven mosselen de fauna. In de Europese Rode Lijst van habitats is het als Near Threatened (bijna bedreigd) geclassificeerd.

Het habitatcomplex wordt over drie EUNIS-codes verspreid en maakt tegelijk deel uit van meerdere FFH-habitattypen: zandbanken (1110), grote ondiepe baaien (1160) en boreale baltische smalle inhammen (1650). Het biotooptype komt uitsluitend voor in de baltische biogeografische regio – van de Kieler Bocht tot de Darsdrempel en in het Arkonabekken, met een lokaal diversiteitshotspot in het gebied van de Belten.

Kenmerkend zijn een hoog zandaandeel (≥ 90 %), hoge hydrografische energie door golven en stromingen en een representatief spectrum aan mosselsoorten dat varieert al naargelang zoutgehalte en korrelgroottesortering. Onderhoud in een tuin is uitgesloten, maar gemeenten en kustbeschermingsorganisaties kunnen door het behoud van een goede waterkwaliteit en de bescherming van zandbanken aan het voortbestaan bijdragen.

Wat is deze habitat?

Bij BAL31 gaat het om een benthisch – dus de zeebodem bewonend – habitat van het baltische infralitoraal. Het infralitoraal is de zone die permanent door water is bedekt en nog voldoende licht ontvangt voor benthische algen en hogere waterplanten (fotische zone). In de Oostzee reikt deze zone doorgaans van de directe oever tot diepten van ongeveer 20 meter.

De bodem bestaat voor ten minste 90% uit zand. Kenmerkend is verder een zeer geringe bedekking door macrovegetatie (bijv. zeegras) of epibenthische fauna (op de bodem levende dieren zoals zeesterren of mosselen). Het merendeel van de dierlijke biomassa bevindt zich als infauna in het sediment; daarbij maken tweekleppigen (Bivalvia) minimaal 10% van de totale biomassa uit. Dit biotooptype komt voornamelijk voor in hydrografisch blootgestelde gebieden met invloed van golven en stromingen.

EUNIS-classificatie en biotoopcodes

Het habitat is niet met één enkele EUNIS-code weergegeven, maar wordt gedekt door drie nauw verwante classificatie-eenheden:

  • MB5373
  • MB5376
  • MB5381

Deze codes zijn afkomstig uit het mariene deel van de EUNIS-habitattypologie en worden in de Europese Rode Lijst gebundeld voor beoordeling. Ze vertegenwoordigen varianten van de zandige infralitoraalbodems met verschillende dominantieverhoudingen van tweekleppigen en begeleidende fauna. Er zijn zes geassocieerde biotopen geïdentificeerd, die onderscheiden worden aan de hand van de dominante macrofauna (≥ 50% van de biomassa) – van soortenrijke mengbestanden in het hoogzoute zuidwesten tot verarmde gemeenschappen in minder zoute gebieden.

Europese Rode Lijst van habitats

In de European Red List of Habitats (EU28 en EU28+) wordt het biotoopcomplex gevoerd onder de code BAL31 en geclassificeerd als Near Threatened (bijna bedreigd). De indeling is gebaseerd op een algehele beoordeling van alle opgenomen EUNIS-eenheden en weerspiegelt een bedreiging die nog niet de drempel voor ‘Vulnerable’ heeft bereikt, maar al een negatieve ontwikkeling laat zien. Welk bedreigingscriterium tot deze indeling heeft geleid, wordt in de beschikbare brongegevens niet expliciet genoemd. Uit de Rode Lijst zijn echter geen gedetailleerde bedreigingsanalyses op het niveau van individuele biotopen beschikbaar.

Voor bescherming en monitoring bestaan er geen over heel Europa overeengekomen kwaliteitsindicatoren. In Natura 2000-gebieden kunnen echter wel per locatie referentiewaarden zijn vastgesteld voor parameters als soortenrijkdom, abundantie en biomassa van de fauna.

FFH-Bijlage I: Beschermde habitattypen

De gebieden van het BAL31-biotooptype overlappen met drie habitattypen die in Bijlage I van de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG) zijn opgenomen:

FFH-CodeNaam
1110Zandbanken die voortdurend met ondiep zeewater bedekt zijn
1160Grote ondiepe inhammen en baaien
1650Boreale baltische smalle inhammen

De toewijzing geschiedt met de kwalificatie “#”; dat wil zeggen dat BAL31 een integraal onderdeel vormt van deze ruim gedefinieerde typen. Voor alle drie de FFH-habitattypen geldt binnen de Europese Unie een rapportageplicht volgens artikel 17 van de richtlijn. De staat van instandhouding op biogeografisch niveau werd in de gebruikte brongegevens niet verstrekt.

Habitatstructuur en kenmerkende soorten

Substraat en hydrodynamica

Het substraat is zuiver zand (≥ 90%). In goed gesorteerde, middelfijne tot grove zanden ontstaat een gevarieerd hohlraumstelsel dat leefruimte biedt aan een gespecialiseerde interstitiële fauna.

Kenmerkende mosselsoorten

De endobenthische fauna wordt gekenmerkt door de volgende tweekleppigen:

  • Arctica islandica
  • Macoma balthica
  • Cerastoderma spp.
  • Mya arenaria
  • Astarte spp.
  • Thracia spp.
  • Phaxas pellucidus

Begeleidende fauna

In sedimentarme delen voegen zich mobiele borstelwormen (Polychaeta) bij de gemeenschap, met name:

  • Ophelia limacina
  • Ophelia rathkei
  • Travisia forbesii
  • Streptosyllis spp.

Deze borstelwormen zijn typische bewoners van goed doorstroomde, zuurstofrijke zandbodems en bereiken hun verspreidingspiek in de Beltzee (zandbanken) en delen van het Arkonabekken.

Zoutgehalte-afhankelijkheid en regionale varianten

Enkele biotopen binnen BAL31 zijn strikt gebonden aan hogere zoutgehalten. Zo komt het subtype “Baltic aphotic sand dominated by multiple infaunal bivalve species: Macoma calcarea, Mya truncata, Astarte spp., Spisula spp.” alleen voor bij zoutgehalten boven 18 PSU, omdat alle kenmerkende mosselsoorten eumarien zijn en lagere zoutgehalten niet tolereren. De verspreiding ervan beperkt zich tot de zuidwestelijke Oostzee, van de Kieler Bocht tot aan het eiland Fehmarn, en mogelijk tot de Mecklenburgse Bocht en de Darsdrempel.

Kwaliteitskenmerken en indicatoren

Voor BAL31 bestaan er geen in de hele EU geharmoniseerde beoordelingsparameters. In de praktijk worden verschillende abiotische en biotische indicatoren gebruikt, zoals:

  • Aanwezigheid van kenmerkende en verstoringsgevoelige soorten
  • Waterkwaliteit (bijv. zuurstofverzadiging, nutriëntenconcentraties)
  • Blootstellingsgraad aan belastingen
  • Integratieve indices voor habitatstructuur en -functie (bijv. trofische index, successiestadia)

Vooral de diversiteit, abundantie en biomassa van de endofauna gelden als potentiële kwaliteitsindicatoren. In Natura 2000-gebieden kunnen locatiespecifieke referentiewaarden zijn vastgesteld.

Bedreigingen

De beschikbare brongegevens bevatten geen specifieke lijst van bedreigingsfactoren. Dat de Rode Lijst reeds de categorie Near Threatened hanteert, wijst echter op een waarneembare negatieve verandering in delen van het verspreidingsgebied. In het algemeen kunnen mariene zandhabitats in de Oostzee door de volgende processen worden aangetast, ook al is een causaal verband in concrete gevallen niet gedocumenteerd:

  • Eutrofiëring en zuurstoftekort
  • Bodemberoerende visserij (fysieke verstoring van het sediment)
  • Zand- en grindwinning
  • Kustinfrastructuur en havenuitbreiding
  • Klimaatgerelateerde veranderingen van temperatuur, zoutgehalte en hydrodynamica

Het ontbreken van gestandaardiseerde kwaliteitsindicatoren bemoeilijkt een kwantitatieve risicoanalyse.

Verspreiding en biogeografische regio

Het biotooptype is uitsluitend uit de baltische biogeografische regio (BAL) gedocumenteerd. De bekende vindplaatsen concentreren zich op:

  • Westelijke Oostzee: Kieler Bocht, Fehmarnbelt
  • Mecklenburgse Bocht tot aan de Darsdrempel
  • Beltzee en zandbanken van de Arkonazee
  • Diepere delen van het Arkonabekken (“submerged belt”)

Een volledige landenlijst ontbreekt in de gebruikte datasets. De habitats liggen voor de kusten van Duitsland en Denemarken, waarschijnlijk ook van Zweden, zonder dat de bronnen hier concrete vermeldingen van geven.

Belang voor biodiversiteit en natuurbescherming

Infralitorale zandbodems met dominante tweekleppigen zijn productieve voedselgronden voor demersale vissen (bv. pladijs en bot) en rustplaatsen voor doortrekkende zeevogels. De filterende mosselen dragen bij aan de helderwaterfase en onttrekken zwevende deeltjes en nutriënten aan het water. Door het hoge zandaandeel en de voortdurende omwoeling ontstaan kleinschalige mozaïeken die een hoge bèta-diversiteit bevorderen – vooral in gebieden met grof, goed gesorteerd sediment.

Door de overlapping met drie FFH-habitattypen is BAL31 juridisch beschermd en maakt het deel uit van het Europese Natura 2000-netwerk. Maatregelen voor instandhouding omvatten vooral het behoud van de sedimentstructuur, het vermijden van nutriëntenbelasting en het waarborgen van de natuurlijke hydrodynamica.

Tuin- en gemeentelijk perspectief

Zandige mosselhabitats van het infralitoraal kunnen niet één op één in een particuliere tuin worden overgebracht. Het gaat om een marien, volledig zout habitat dat afhankelijk is van grootschalige, intacte zeebodems. Gemeenten in Oostzee-aanliggende landen kunnen niettemin bijdragen aan het behoud door:

  • de waterkwaliteit in kustwateren te verbeteren (rioolwaterzuivering, regenwaterbeheer)
  • kust- en strandbeschermingsmaatregelen te nemen die de sedimentdynamiek in stand houden
  • mee te werken aan de aanwijzing van mariene beschermingsgebieden
  • bezoekersgeleiding en informatie te realiseren voor kwetsbare ondiepwaterzones

De waarde van dit biotooptype ligt niet in de geschiktheid voor tuinen, maar in zijn functie als ecologische spil van het baltische ecosysteem.

Häufige Fragen

Wat betekent Near Threatened op de Europese Rode Lijst van habitats?

Near Threatened (bijna bedreigd) betekent dat het habitat dicht bij een bedreigingscategorie staat, maar de drempelwaarden voor 'Vulnerable' nog niet heeft overschreden. In de beschikbare gegevens wordt geen specifiek criterium voor de indeling van BAL31 genoemd, maar de categorie wijst op verhoogde aandacht voor de staat van instandhouding.

Welke mosselsoorten zijn kenmerkend voor dit biotooptype?

Tot de kenmerkende mosselen behoren *Arctica islandica*, *Macoma balthica*, *Cerastoderma* spp., *Mya arenaria*, *Astarte* spp., *Thracia* spp. en *Phaxas pellucidus*.

Waar in de Oostzee komt BAL31 voor?

De verspreiding omvat de baltische biogeografische regio van de zuidwestelijke Oostzee: van de Kieler Bocht via de Fehmarnbelt en de Mecklenburgse Bocht tot de Darsdrempel, met verdere vindplaatsen in de Beltzee en het Arkonabekken.

Onder welke FFH-habitattypen wordt dit biotooptype beschermd?

BAL31 maakt deel uit van de FFH-habitattypen 1110 (Zandbanken die voortdurend met ondiep zeewater bedekt zijn), 1160 (Grote ondiepe inhammen en baaien) en 1650 (Boreale baltische smalle inhammen).

Welke EUNIS-codes geven dit biotooptype weer?

De drie bijbehorende EUNIS-codes zijn MB5373, MB5376 en MB5381. Ze worden in de Europese Rode Lijst gezamenlijk onder de code BAL31 beoordeeld.

Quellen