Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: E2.1Europäische Rote Liste: VulnerableFFH-Anhang I: 6270

Mesofiele permanente weiden van laagland en berggebieden (EUNIS E2.1) – bedreiging, soorten en bescherming

Mesofiele permanente weiden (EUNIS-code E2.1) zijn permanente, matig voedselrijke graslanden op diepe, goed gedraineerde bodems. Ze staan op de Europese Rode Lijst van habitattypen als kwetsbaar (Vulnerable) en herbergen een karakteristieke combinatie van grassen zoals kamgras (Cynosurus cristatus) en kruiden zoals madeliefje (Bellis perennis) en witte klaver (Trifolium repens).

Einordnung

Originalbezeichnung
Mesic permanent pasture of lowlands and mountains
EUNIS
E2.1 – Permenant mesotrophic pastures and aftermath-grazed meadows
EU-28
Vulnerable
EU-28+
Vulnerable
FFH-Anhang I
6270 – * Fennoscandian lowland species-rich dry to mesic grasslands

In het kort

  • Habitattype: permanent grasland op mesotrofe (matig voedzame), goed gedraineerde bodems
  • EUNIS-code: E2.1 – Permanent mesotrophic pastures and aftermath-grazed meadows
  • Europese Rode Lijst: Vulnerable (kwetsbaar) in de EU28 en EU28+ vanwege intensivering, staken van beheer of overbegrazing
  • FFH-Anhang I: niet als geheel opgenomen, wel wordt het prioritaire subtype 6270 (Fennoscandian lowland species-rich dry to mesic grasslands) inhoudelijk hiermee verbonden
  • Staat van instandhouding volgens Artikel 17 FFH-richtlijn: in de beschikbare brongegevens niet vermeld
  • Typische soorten: kamgras (Cynosurus cristatus), madeliefje (Bellis perennis), witte klaver (Trifolium repens) en Engels raaigras (Lolium perenne) in het laagland; alpenbeemdgras (Poa alpina) en ruige leeuwentand (Leontodon hispidus) in berggebieden
  • Kwaliteitskenmerken van gave percelen: traditionele extensieve begrazing, veel rozetplanten, bloei gedurende het hele vegetatieseizoen, zeldzame paddenstoelen van oud grasland

EUNIS-classificatie en omschrijving van het leefgebied

Het habitattype E2.1 – Permanent mesotrophic pastures and aftermath-grazed meadows omvat in het Europese classificatiesysteem EUNIS mesofiele permanente weiden: blijvend grasland op matig voedselrijke, diepe, frisse tot matig droge bodems. De Duitse term „mesophile Dauerweide der Tief- und Berglagen“ dekt zowel het laagland als de lagere tot middelhoge bergzones. In de alpiene zone treden vicariërende (geografisch elkaar vervangende) soortengroepen op die hetzelfde habitattype kenmerken.

De percelen worden hoofdzakelijk door begrazing met runderen, paarden, schapen, geiten of gemengde kuddes opengehouden. Afhankelijk van de regio en het bedrijf gebeurt dat jaarrond of alleen ’s zomers, intensief of extensief. Ook halfwilde paarden- en runderkuddes en wild (herten, konijnen, hazen) kunnen plaatselijk voor het openhouden zorgen.

In tegenstelling tot hooilanden van hetzelfde standplaatsbereik (E2.2) bevatten mesofiele permanente weiden meer rozetplanten en minder hoogopschietende, slanke grassen en ruigtekruiden. De bloei is minder geconcentreerd in het late voorjaar, maar strekt zich uit over de hele vegetatieperiode. Bij goed beheer is de gewasproductie smakelijk en voedzaam.

Overgangen naar andere habitattypen

  • Op kalkhoudende bodems wijzen soorten als ruige weegbree (Plantago media), bevertjes (Briza media), kleine pimpernel (Sanguisorba minor) en geel walstro (Galium verum) op overgangen naar kalkgraslanden (EUNIS E1.2a).
  • Op voedselarme, zure bodems leiden borstelgras (Nardus stricta), tormentil (Potentilla erecta), tandjesgras (Danthonia decumbens) en muizenoor (Hieracium pilosella) naar soortenarme borstelgrasvegetaties (EUNIS E1.7a).
  • In vochtige, sterk betreden hooggebergtezones kan alpenbeemdgras (Poa supina) overheersen.

Bedreigingssituatie en Rode Lijst

De Europese Rode Lijst van habitattypen (European Red List of Habitats) beoordeelt „Mesic permanent pasture of lowlands and mountains“ in zijn geheel als Vulnerable (kwetsbaar) – zowel voor het grondgebied van de EU28 als voor de uitgebreide EU28+-regio. Deze status berust op een aanhoudend verlies aan oppervlakte en kwaliteit door:

  • intensivering van het gebruik met zware bemesting, frequente maai- of te hoge veebezetting
  • staken van traditionele begrazing, vooral in marginale percelen en berggebieden, wat leidt tot verbossing of dominantie van ongewenste grassoorten
  • atmosferische stikstofdepositie die de soortensamenstelling verandert
  • overbegrazing, die leidt tot uitbreiding van weide-onkruiden zoals zuring (Rumex spp.), distels (Cirsium spp.) en kruiskruid (Senecio spp.)

Let op: de inschatting van de bedreiging heeft betrekking op het hele, wijdverspreide habitattype E2.1. Regionale subtypen en overgangsvormen kunnen een afwijkende bedreigingsgraad vertonen.

Habitatrichtlijn en beschermingsstatus

Het hier beschreven leefgebied is niet als zelfstandig type opgenomen in Anhang I van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Er bestaat echter een inhoudelijke overlap met het prioritaire habitattype 6270Fennoscandian lowland species-rich dry to mesic grasslands. Dit omvat soortenrijke, droge tot mesofiele graslanden van het laagland in Fennoscandinavië en vormt een specifiek regionaal subtype van de mesofiele permanente weiden. In de brongegevens wordt de koppeling aangeduid met het kwalificatieteken „#“ (subset/related). De staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de Habitatrichtlijn is voor het habitattype E2.1 in de beschikbare EEA-datasets niet vermeld.

Typische soorten en structuurkenmerken

Mesofiele permanente weiden worden gekenmerkt door een karakteristieke combinatie van soorten die varieert afhankelijk van de hoogtezone en regio. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de belangrijkste kentaxa en begeleidende soorten:

SoortgroepLaagland (planair tot montaan)Berggebieden (montaan tot alpien)Regionale bijzonderheden
Kenmerkende grassenkamgras (Cynosurus cristatus), Engels raaigras (Lolium perenne), timoteegras (Phleum pratense), veldbeemdgras (Poa pratensis)alpenbeemdgras (Poa alpina), Phleum rhaeticum, Phleum alpinumZuidwest-Europa: Agrostis castellana; Apennijnen: Hordeum bulbosum
Klaver en vlinderbloemigenwitte klaver (Trifolium repens), rode klaver (Trifolium pratense), gewone rolklaver (Lotus corniculatus)bruine klaver (Trifolium badium), Trifolium thaliiZuid-Europa: Trifolium incarnatum ssp. molinerii
Rozet- en kruipplantenmadeliefje (Bellis perennis), grote weegbree (Plantago major), kruipende boterbloem (Ranunculus repens)ruige leeuwentand (Leontodon hispidus), alpenweegbree (Plantago alpina)
Bloeiende kruidenduizendblad (Achillea millefolium), smalle weegbree (Plantago lanceolata), weideklokje, gewone brunel (Prunella vulgaris)Beierse gentiaan (Gentiana bavarica), sneeuwgentiaan (Gentiana nivalis), zwarte vanilleorchis (Nigritella nigra), krokussen (Crocus spp.)Zuidwest-Europa: Carum verticillatum, Linum bienne, Orchis coriophora
Overgangsindicatoren naar kalkgraslandruige weegbree (Plantago media), bevertjes (Briza media), kleine pimpernel (Sanguisorba minor), geel walstro (Galium verum)
Overgangsindicatoren naar zure schraalgraslandenborstelgras (Nardus stricta), tormentil (Potentilla erecta), tandjesgras (Danthonia decumbens), muizenoor (Hieracium pilosella)
Ongewenste storingsindicatorenridderzuring (Rumex obtusifolius), akkerdistel (Cirsium arvense), jakobskruiskruid (Senecio jacobaea)

Paddenstoelen: Vooral in oud, ongestoord grasland („old grasslands“) komen veel zeldzame wasplaten (Hygrocybe), knotszwammen en andere basidiomyceten voor. Zij gelden als indicatoren voor een lange, ononderbroken begrazingstraditie zonder scheuren of zware bemesting.

Indicatoren voor een goede habitatkwaliteit

Een gave mesofiele permanente weide voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • voortzetting van traditionele, extensieve begrazing met een op de standplaats afgestemde veebezetting
  • hoge soortenrijkdom met veel regionaal typische kruiden en grassen
  • aanwezigheid van zeldzame, gebiedsspecifieke plantensoorten (bijv. gentianen, orchideeën)
  • voorkomen van karakteristieke paddenstoelen van oud grasland
  • geen overmatige nutriënteninbreng door bemesting of atmosferische stikstofdepositie
  • geen overbegrazing – geen massaal optreden van weide-onkruiden (zuring, distels, kruiskruid)
  • geen onderbegrazing – geen dominantie van smakelijke grassen zoals gewoon glanshaver (Arrhenatherum elatius)

Betekenis voor natuur- en soortenbescherming

Mesofiele permanente weiden zijn centrale elementen van het Europese cultuurlandschap en vervullen diverse ecosysteemdiensten:

  • Leefgebied voor gespecialiseerde planten en dieren: Naast veel vaatplanten bieden zij voedselhabitats voor insecten (bijv. vlinders, wilde bijen) en broedplaatsen voor bodembroeders.
  • Genetische diversiteit: Oude, nooit gescheurde weiden herbergen paddenstoelsoorten die afhankelijk zijn van ongestoorde bodemcondities.
  • Koolstofopslag en waterhuishouding: De jaarrond aanwezige vegetatiedek beschermt tegen erosie en bevordert de grondwateraanvulling.

Rol in tuin en gemeente

Het habitattype is een product van eeuwenlange begrazing en kan niet 1:1 in een particuliere tuin worden nagebootst. Toch kunnen extensieve begrazingsprojecten op gemeentelijk terrein, in stadsrandzones of op grote landschapsbeheerderijen elementen van deze weiden overnemen. Belangrijk zijn:

  • inzet van geschikte grazers (runderen, schapen, paarden) in lage dichtheid
  • afzien van bemesting en pesticiden
  • wisselende perceelsgewijze of standbegrazing om een grote verscheidenheid aan structuren te scheppen
  • gebruik van oude regionale zaadmengsels van grassen en kruiden voor inzaai – altijd met soorten uit het natuurlijke soortenspectrum

Zo kunnen gemeenten soortenrijke groenzones creëren die de inheemse biodiversiteit ten goede komen, zonder dat het precieze habitattype E2.1 volledig wordt gereproduceerd.

FAQ

  1. Wat wordt verstaan onder mesofiele permanente weiden (EUNIS E2.1)? Mesofiele permanente weiden zijn blijvende, matig voedselrijke graslanden op diepe, frisse tot matig droge bodems. Ze ontstaan door extensieve begrazing en onderscheiden zich van hooilanden door een groter aandeel rozetplanten en een over het hele seizoen gespreide bloei.

  2. Waarom staan deze weiden op de Rode Lijst als kwetsbaar? De Europese Rode Lijst beschouwt ze als „Vulnerable“ (kwetsbaar), doordat intensieve landbouw, beëindiging van het gebruik, overbegrazing en stikstofdepositie op veel plaatsen tot kwaliteitsverlies en oppervlakteachteruitgang hebben geleid.

  3. Welke typische planten kenmerken een gave mesofiele permanente weide? In het laagland zijn dat vooral kamgras (Cynosurus cristatus), madeliefje (Bellis perennis), witte klaver (Trifolium repens) en Engels raaigras (Lolium perenne); in hogere zones treden alpenbeemdgras (Poa alpina) en ruige leeuwentand (Leontodon hispidus) daarbij.

  4. Hoe onderscheiden permanente weiden zich van hooilanden? Permanente weiden bevatten meer rozetplanten en minder hoogopschietende, slanke grassen. Ze bloeien niet alleen in de voorzomer, maar gedurende de hele vegetatieperiode. Bovendien ontbreekt het uniforme maairegiem van hooilanden, wat zorgt voor andere microklimatologische omstandigheden.

  5. Wat kan men doen om deze weiden te behouden? Doorslaggevend is het voortzetten of herinvoeren van extensieve begrazing. Gemeenten en landschapsbeheerorganisaties kunnen traditionele graasdierhouderij ondersteunen, bemesting achterwege laten en oude graslandlocaties door monitoring beschermen. In gemeenten kunnen extensieve begrazingsprojecten een voorbeeldfunctie vervullen.

Bronnen

Quellen