Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: E3.2Europäische Rote Liste: Least Concern

Mediterraan kort vochtig grasland in bergen (EUNIS E3.2) – kenmerken, bedreigingen en kwaliteitsindicatoren

Het mediterrane korte vochtige grasland in bergen (EUNIS E3.2) is een altijdgroen hooggebergtegrasland van het westelijke Middellandse Zeegebied, gedomineerd door horstvormende grassen zoals Nardus stricta en Festuca microphylla. Het groeit op vochtige, langdurig met sneeuw bedekte kommen in de Iberische, Noord-Afrikaanse en Corsicaanse gebergten en dient als waardevolle zomerweide voor rondtrekkende schaaps- en runderkuddes. De Europese Rode Lijst van biotooptypen classificeert het als 'Least Concern' (niet bedreigd). Het is echter geen habitattype van Bijlage I van de Habitatrichtlijn.

Einordnung

Originalbezeichnung
Mediterranean short moist grassland of mountains
EUNIS
E3.2 – Mediterranean short humid grassland
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern

Het belangrijkste in het kort

  • EUNIS-code: E3.2 – Mediterranean short humid grassland (Nederlands: Mediterraan kort vochtig grasland)
  • Habitatnaam: Mediterranean short moist grassland of mountains (Mediterraan kort vochtig grasland in bergen)
  • Verspreiding: Hoge bergen van het centrale en zuidelijke Iberisch Schiereiland, Corsica en de Noord-Afrikaanse gebergten Rif en Atlas.
  • Typische standplaatsen: Vochtige kommen en laagten met langdurige sneeuwbedekking en tijdelijke waterophoping op zure silicaatbodems boven de boomgrens.
  • Vegetatie: Gesloten, tapijtachtige grasmat van horstvormende grassoorten zoals Nardus stricta (borstelgras) en verschillende zwenkgrassoorten; daartussen talrijke karakteristieke kruiden.
  • Gebruik: Traditionele zomerweide voor rondtrekkende schapen en runderen (transhumance). In de Sierra Nevada "Borreguiles", elders "Cervunales" genoemd.
  • Bedreiging: Europese Rode Lijst van biotooptypen – Least Concern (niet bedreigd); noch een Habitatrichtlijn Bijlage I-habitattype, noch een afzonderlijke Artikel 17-instandhoudingsstatus beschikbaar.
  • Kwaliteitskenmerken: Gesloten graszode zonder tredschade, dominantie van de genoemde grassen met een evenwichtige begeleidende soortenrijkdom, afwezigheid van stikstofindicatoren (overbeweidingsindicatoren).

EUNIS-indeling en typologie

Biotooptype E3.2 wordt in het EUNIS-habitatclassificatiesysteem aangeduid als "Mediterranean short humid grassland". De uitgebreide naam in de Europese Rode Lijst van biotooptypen luidt "Mediterranean short moist grassland of mountains", wat duidelijk maakt dat het gaat om een puur montaan, aan vocht gebonden type. Binnen de EUNIS-hiërarchie behoort het tot de graslanden (E) en daarbinnen tot de seizoensnatte, mediterrane korte graslanden.

Belangrijk is de afbakening ten opzichte van vergelijkbare vochtige graslanden in de hoge zones: terwijl E3.2 op zure silicaatbodems groeit en gekenmerkt wordt door horstvormende grassen als Nardus stricta en Festuca microphylla, komen op Corsica op iets nattere standplaatsen reliktwolven van het type D2.2b voor ("Relict mires of Mediterranean mountains dominated by Carex intricata"). De EUNIS-sleutel verschaft hier een duidelijk hydrologisch onderscheid.

Verspreiding en regionale namen

De vindplaatsen strekken zich uit over de hoge bergen van het westelijke Middellandse Zeegebied:

  • Iberisch Schiereiland: Centraal- en zuid-Iberische silicaatgebergten – met name het Centraal Systeem, de Sierra Nevada en het noordelijk Iberisch Scheidingsgebergte.
  • Noord-Afrika: Gebergten van de Rif en de Atlas, waar vergelijkbare standplaatsomstandigheden heersen.
  • Corsica: Hoge bergzones met iets drogere bodems dan de daar aanwezige Carex intricata-moerassen.

In de brongegevens zijn geen specifieke landenlijsten opgenomen; de verspreiding volgt uit de ruimtelijke beschrijving. Een toewijzing aan Bijlage I-lijsten van de Habitatrichtlijn is niet aan de orde.

Plaatselijk hebben zich traditierijke benamingen gevestigd:

  • Borreguiles in de Sierra Nevada – afgeleid van borrego (schaap), omdat de oppervlakten als waardevolle zomerweide dienen voor de rondtrekkende schaapskudden.
  • Cervunales in de overige gebieden – genoemd naar pasto cervuno of cebruno, de Spaanse benaming voor Nardus stricta, het borstelgras. De naam herinnert aan het uitgestorven Iberische wilde paard Zebro (Equus hydruntinus), waarvoor dit gras ooit de hoofdweide was.

Kenmerkende vegetatie en indicatorsoorten

De vegetatie is een altijdgroen, dicht kort grasland met een vrijwel gesloten graszode. Tabel 1 geeft een overzicht van de bepalende soortgroepen.

SoortgroepVoorbeelden (Iberisch Schiereiland)Voorbeelden (Corsica)
HorstgrassenNardus stricta, Festuca microphylla, Festuca iberica, Festuca henriquesiiAnthoxanthum odoratum, Poa supina
Zeggen en russenCarex furva, Juncus squarrosusCarex caryophyllea, Carex ovalis, Carex pallescens
Gentianen en ranonkelachtigenGentiana boryi, Gentiana pneumonanthe subsp. depressa, Ranunculus abnormis, Ranunculus acetosellifoliusRanunculus demissus (niet aangetoond; in Iberië)
Anjer- en koekoeksbloemachtigenDianthus lusitanus subsp. legionensis, Sagina nevadensisSagina pilifera, Polygala serpyllifolia
Kruipende overblijvende kruidenPotentilla erecta, Potentilla nevadensis subsp. condensataPotentilla erecta, Potentilla anglica subsp. nesogenes

De volledige soortenlijst in de brongegevens bevat talrijke endemische en subendemische taxa, die de hoge natuurbehoudswaarde van deze graslanden onderstrepen. Zo komen op het Iberisch Schiereiland alleen al meer dan 50 karakteristieke vaatplantensoorten voor, waaronder vele regionale ondersoorten zoals Allium schoenoprasum subsp. gredense of Leontodon carpetanus subsp. carpetanus. Op Corsica treden onder andere zeldzame addertongvarens (Botrychium matricariifolium, B. simplex) op.

Ecologie en standplaatsfactoren

Het ontstaan en behoud van deze graslanden is nauw verbonden met drie factoren:

  1. Langdurige sneeuwbedekking: De komvormige ligging zorgt voor sneeuwophoping die in het voorjaar slechts langzaam smelt en de bodem tot in de zomer vochtig houdt.
  2. Tijdelijke waterstagnatie: Door ondoorlatende silicaatverweringslagen of verdichte horizonten kan na het smelten van de sneeuw kortstondige vernatting optreden, wat echter geen permanente veenvorming mogelijk maakt.
  3. Extensieve beweiding: De traditionele beweiding door schapen en runderen verhindert de opslag van houtige gewassen en handhaaft de korte grasmat. Zonder dit gebruik zouden de oppervlakten geleidelijk verbossen of door sterker woekerende hoge kruiden overgroeid raken.

De grassen blijven de hele zomer groen en productief – een beslissend voordeel dat de hooglandweiden tot een onmisbare voederbron in het transhumancesysteem maakt.

Kwaliteitsindicatoren voor een intact leefgebied

De Europese Rode Lijst definieert duidelijke kenmerken voor een goede staat van instandhouding:

  • Gesloten, tapijtachtige graszode: Geen open bodemplekken door tred of intensieve beweiding.
  • Dominantie van de doelgrassen: Nardus of Festuca moeten het aspect bepalen, maar niet in monocultuur optreden; de overige karakteristieke kruiden moeten gelijkmatig vertegenwoordigd zijn.
  • Afwezigheid van stikstofindicatoren: Nitrofiele soorten zoals brandnetel of melde zouden wijzen op een te hoge beweidingsintensiteit met nutriënteninbreng en gelden als uitsluitingscriterium.

Deze indicatoren maken een eenvoudige veldbeoordeling mogelijk, ook voor geschoolde leken, en helpen de invloed van de huidige beweiding in te schatten. Geen open bodemplekken en een evenwichtige soortenmengeling duiden op een duurzaam gebruik dat het habitat op lange termijn veiligstelt.

Bedreiging en beschermingsstatus in Europa

Europese Rode Lijst van biotooptypen

Biotooptype E3.2 is in het kader van het project "European Red List of Habitats" zowel voor de EU28 als voor EU28+ (inclusief Noorwegen, Zwitserland etc.) met Least Concern (LC) – dus niet bedreigd – beoordeeld. In de beschikbare brongegevens is geen specifieke bedreigingscategorie vermeld.

Habitatrichtlijn (Bijlage I)

Het leefgebied is niet in Bijlage I van de Habitatrichtlijn opgenomen. Het geniet daarom geen Europese wettelijke bescherming via dit rechtsinstrument.

Artikel-17-rapportage

Een Artikel-17-instandhoudingsstatus is in de beschikbare brongegevens niet vermeld. Dat is plausibel, omdat het biotooptype geen Habitatrichtlijn-habitattype is en dus niet onder de monitoring volgens art. 17 van de Habitatrichtlijn valt.

Alles bij elkaar genomen wijzen de gegevens op een schijnbaar stabiele situatie; de classificatie als "Least Concern" weerspiegelt de huidige geringe grootschalige bedreiging voor dit bergleefgebied. In de ruwe gegevens ontbreken echter gedetailleerde bedreigingsanalyses en oppervlaktetrends.

Betekenis voor het natuurbehoud en de biologische diversiteit

Hoewel formeel niet beschermd, heeft dit vochtige grasland een hoge waarde:

  • Rijkdom aan endemen: Veel van de karakteristieke soorten zijn lokaal of regionaal endemisch en dragen bij aan de genetische diversiteit van de Europese bergflora.
  • Cultuurhistorische waarde: De gebruiksvorm van de transhumance is zelf een levend cultureel erfgoed dat gedurende duizenden jaren het landschap heeft gevormd.
  • Ecosysteemdiensten: Het permanente vegetatiedek voorkomt erosie, buffert de waterafvoer na het sneeuwsmelten en slaat koolstof op – typische eigenschappen van ongestoorde bergweiden.

Voor toepassing in tuin of gemeente kan het biotooptype niet één op één worden nagebootst, omdat het gebonden is aan de hoogtezone en het specifieke sneeuwregime. Elementen zoals de bevordering van Nardus-rijke graslanden op zure, vochtige bodems kunnen in het bebouwde gebied bij extensief maaien of beweiding worden benaderd – wel steeds met het voorbehoud dat de karakteristieke alpiene soorten niet zomaar in laaggelegen gebieden kunnen worden gevestigd.

Samenvattende tabel van de classificaties

SysteemClassificatie
EUNIS-codeE3.2
EUNIS-naamMediterranean short humid grassland
Rode Lijst-naamMediterranean short moist grassland of mountains
Rode Lijst-categorie EU28Least Concern
Rode Lijst-categorie EU28+Least Concern
Habitatrichtlijn Bijlage I-codeniet aanwezig
Artikel-17-instandhoudingsstatusin de beschikbare brongegevens niet vermeld
Biogeografische regio'sin de beschikbare brongegevens niet vermeld

Bronnen

Häufige Fragen

Wat is het mediterrane korte vochtige grasland in bergen?

Het is een altijdgroen hooggebergtegrasland (EUNIS E3.2) van het westelijke Middellandse Zeegebied, gedomineerd door horstvormende grassen zoals Nardus stricta en Festuca microphylla, dat groeit op vochtige, langdurig met sneeuw bedekte standplaatsen.

Welke regionale namen dragen deze graslanden?

In de Sierra Nevada heten ze Borreguiles (van borrego, schaap), in de overige Iberische bergen Cervunales, afgeleid van de Spaanse naam voor borstelgras (pasto cervuno).

Hoe bedreigd is dit biotooptype volgens de Europese Rode Lijst?

Het type wordt zowel voor de EU28 als voor EU28+ als Least Concern (niet bedreigd) geclassificeerd. Er zijn geen specifieke bedreigingscriteria in de gegevens opgenomen.

Valt het habitat onder bescherming van de Habitatrichtlijn?

Nee, het leefgebied is niet opgenomen in Bijlage I van de Habitatrichtlijn en valt dus niet onder het beschermingsregime van dit EU-rechtsinstrument. Een Artikel-17-instandhoudingsstatus is bijgevolg niet beschikbaar.

Welke planten zijn kenmerkend voor dit vochtige grasland?

Indicatorsoorten zijn Nardus stricta en verschillende fijnbladige zwenkgrassen (Festuca microphylla, F. iberica). Daarbij komen vele endemische kruiden zoals Gentiana boryi, Ranunculus abnormis en op Corsica zeldzame addertongvarens (Botrychium matricariifolium, B. simplex).

Quellen