EUNIS E5.5: Subalpiene vochtige hoogkruid- en varenzomen – Leefgebied in de bergen
Het biotooptype EUNIS E5.5 omvat natuurlijke, hoog opgroeiende kruiden- en varenzomen in koele, vochtige gebieden van de Europese bergen. Het is toegewezen aan het FFH-habitattype 6430 (Vochtige hoogkruidzomen) en staat op de Europese Rode Lijst als 'Least Concern' (niet bedreigd).
Einordnung
- Originalbezeichnung
- Subalpine moist or wet tall-herb and fern fringe
- EUNIS
- E5.5 – Subalpine moist or wet tall-herb and fern stands
- EU-28
- Least Concern
- EU-28+
- Least Concern
- FFH-Anhang I
- 6430 – Hydrophilous tall herb fringe communities of plains and of the montane to alpine levels
Het belangrijkste in het kort
- Biotooptype (EUNIS): E5.5 – Subalpine moist or wet tall-herb and fern fringe (Subalpiene vochtige hoogkruid- en varenzomen)
- Leefgebied: Weelderige, een- tot tweelagige hoogkruidzomen in koele, vochtige berggebieden van Europa, vooral in de subalpiene zone.
- FFH-code: Bijlage I, code 6430 (Hydrophilous tall herb fringe communities …), waarbij E5.5 een deelverzameling vormt van dit ruimere type.
- Bedreiging (EU-Rode Lijst): Least Concern (niet bedreigd) voor EU28 en EU28+.
- Soortenspectrum: Zeer soortenrijk met veel regionale endemische soorten; typisch zijn hoog opgroeiende kruidachtigen zoals alpenmelkdistel, witte nieswortel, diverse monnikskapsoorten en varens.
- Speciale kwaliteitskenmerken: Hoge biodiversiteit, aanwezigheid van zeldzame en endemische soorten, ontbreken van invasieve of ruderale planten.
Wat is EUNIS E5.5? – Definitie en indeling
De subalpiene vochtige hoogkruid- en varenzomen (EUNIS-code E5.5) zijn een in heel Europa verspreid biotooptype van de bergen. Het betreft weelderige, meestal enkellagige begroeiingen die gedomineerd worden door hoog opgroeiende kruidachtigen, grassen en deels ook varens. De hoogte bereikt 1,5 tot 2 meter en de vegetatiebedekking is bijna volledig gesloten (bedekkingsgraad bijna 100%).
Volgens de plantensociologische systematiek behoren alle verschijningsvormen tot de klasse Mulgedio-Aconitetea, waarbij binnen het type meerdere vegetatieverbonden worden onderscheiden. De begroeiingen zijn overwegend van natuurlijke oorsprong; zelfs de halfruderale, voedselrijkere zomen op ligweiden voor vee (verbond Rumicion alpini) worden tot dit habitattype gerekend.
Afbakening ten opzichte van andere leefgebieden
EUNIS E5.5 kan worden beschouwd als een vicariërende (plaatsvervangende) vorm van het lager gelegen type E5.4 (Moist or wet tall-herb and fern fringe). Terwijl E5.4 vooral voorkomt in de planaire tot montane zone, ligt de verspreiding van E5.5 hoofdzakelijk in de subalpiene en alpiene zone van de bergen en in arctische gebieden. In de FFH-typologie komt dit biotooptype overeen met een deel van habitattype 6430, dat alle vochtige hoogkruidzomen van de laaglanden tot in de hoge bergen samenvat.
Leefgebied en standplaatscondities
De standplaatsen van dit habitattype worden gekenmerkt door een hoge luchtvochtigheid en lang aanhoudende sneeuwbedekking (chionofiele vegetatie). De zomen gedijen op:
- oevers van bergbeken (vaak als lange, smalle linten),
- kwelvochtige hellingen tussen grote rotsblokken,
- open plekken onder struwelen, met name van Sorbus aucuparia (wilde lijsterbes), Alnus (elzen) en Salix (wilgen),
- bosranden van de subalpiene zone.
Hoogteverspreiding (volgens de Europese Rode Lijst):
| Regio | Typische ondergrens |
|---|---|
| Centraal-Europa | ca. 1.000 m boven NAP |
| Zuid-Europa | ca. 1.600 m boven NAP |
In Scandinavië komen de begroeiingen ook in arctische laaglanden voor. Ondanks de hoge vochtigheid spelen mossen in deze zomen geen belangrijke rol; de dominantie ligt bij hoog opgroeiende vaatplanten.
Soortenrijkdom en karakteristieke planten
De soortensamenstelling is extreem divers en varieert per bergregio. Een opvallend kenmerk is het hoge aandeel endemische soorten, planten die alleen in een bepaald, geïsoleerd bergmassief voorkomen. Deze isolatie-endemieten zijn vooral te vinden in de geslachten:
- Aconitum (monnikskap)
- Alchemilla (vrouwenmantel)
- Angelica (engelwortel)
- Cirsium (distel)
- Geum (nagelkruid)
- Ranunculus (boterbloem)
Naast de endemieten is er een reeks wijdverbreide, voor het leefgebied kenmerkende soorten. Hieronder vallen:
| Nederlandse naam | Wetenschappelijke naam |
|---|---|
| Alpendost | Adenostyles alliariae |
| Alpenmelkdistel | Cicerbita alpina |
| Witte nieswortel | Veratrum album |
| Turkse lelie | Lilium martagon |
| Blauwe monnikskap | Aconitum napellus |
| Gele monnikskap | Aconitum lycoctonum |
| Plataanbladige boterbloem | Ranunculus platanifolius |
| Alpengeitenbaard | Aruncus dioicus |
| Bergvrouwvaren | Athyrium distentifolium |
| Bosooievaarsbek | Geranium sylvaticum |
| Hoog kruiskruid | Senecio nemorensis (syn. S. ovatus) |
| Europese trollius | Trollius europaeus |
De in de brongegevens genoemde volledige lijst van karakteristieke vaatplanten omvat meer dan 100 soorten en onderstreept de enorme floristische betekenis van dit leefgebied. Bijzonder is ook de aanwezigheid van soorten die tegenwoordig vooral in laaggelegen graslanden voorkomen, zoals Arrhenatherum elatius (glanshaver) – een aanwijzing voor de nauwe verwantschap tussen berg- en laaglandvegetatie.
FFH-bijlage I en Europese bedreiging
FFH-habitattype 6430
Biotooptype EUNIS E5.5 maakt deel uit van FFH-habitattype 6430 – Vochtige hoogkruidzomen van de planaire en montane tot alpiene zone. Dit is een breder gedefinieerd type dat zowel laagland- als hooggebergtevarianten omvat. De toewijzing in de officiële kruisverwijslijst gebeurt met de kwalificatie “<” (E5.5 is smaller dan het Annex-I-type). Voor de bescherming in Natura-2000-gebieden is daarom het volledige type 6430 maatgevend.
Europese Rode Lijst van habitats
De beoordeling van de bedreiging volgens de Europese Rode Lijst van habitats (2022, gebaseerd op het EEA-pakket) luidt:
| Beoordelingsniveau | Categorie |
|---|---|
| EU28 (27 lidstaten + VK) | Least Concern (niet bedreigd) |
| EU28+ (EU28 plus geassocieerde landen) | Least Concern (niet bedreigd) |
De classificatie als “niet bedreigd” betekent dat het biotooptype in het geheel van Europa momenteel stabiel lijkt. In de beschikbare brongegevens ontbreken echter gedetailleerde gegevens over trends, bedreigingen of een specifiek bedreigingscriterium.
Belangrijk: De staat van instandhouding volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn (nationale rapportages) is niet opgenomen in de voor dit artikel gebruikte gegevens. Deze kan per lidstaat of biogeografische regio verschillen en moet apart worden opgezocht.
Kwaliteitskenmerken van een intacte begroeiing
De Europese Rode Lijst definieert de volgende indicatoren voor een goede staat van instandhouding:
- Hoge soortenrijkdom: Natuurlijke zomen herbergen een groot aantal typische hoogkruiden en varens.
- Rijkdom aan regionale endemieten en zeldzame soorten: De aanwezigheid van gebiedsspecifieke endemieten is een kernmerk.
- Afwezigheid van invasieve en/of ruderale soorten: Invasiedruk of eutrofiëring door nutriënteninvoer vermindert de kwaliteit.
- Dominantie van hoogkruiden, hoge grassen of varens: Het karakteristieke aspect moet behouden blijven.
Omdat in de gebruikte brongegevens geen concrete bedreigingen zijn opgenomen, kunnen gevaren alleen in algemene zin worden afgeleid. Denkbaar zijn:
- klimaatveranderingen die de duur van de sneeuwbedekking en de luchtvochtigheid beïnvloeden,
- begrazingsdruk of het staken van gebruik, wat tot verbossing of nutriëntenverrijking kan leiden,
- lokale verstoringen door recreatief gebruik.
De halfruderale vormen op ligweiden voor vee (meestal door Rumex alpinus gedomineerd) worden weliswaar tot het type gerekend, maar stellen door eutrofiëring achteruitgegane varianten voor, waarvan de natuurwaarde geringer kan zijn.
Betekenis voor natuurbehoud en tuinrelevatie
Beschermingsstatus en verantwoordelijkheid
Als onderdeel van FFH-habitattype 6430 genieten E5.5-begroeiingen in de Europese Unie een beschermingsstatus en moeten ze in Natura-2000-gebieden behouden blijven. Het hoge aantal endemische soorten brengt een bijzondere regionale verantwoordelijkheid mee voor het behoud van de genetische diversiteit. Zelfs bij een geringe bedreiging op Europese schaal kunnen afzonderlijke verschijningsvormen lokaal bedreigd zijn.
In de tuin en in de gemeente
De subalpiene vochtige hoogkruidzoom is een natuurlijk bergleefgebied en kan niet 1-op-1 in de tuin worden nagebootst. Toch kunnen geïnteresseerde tuiniers inspiratie opdoen voor halfschaduwrijke, frisse tot vochtige borders met inheemse hoogkruiden. Soorten als Lilium martagon, Cicerbita alpina, Trollius europaeus en Geranium sylvaticum zijn in de handel verkrijgbaar en gedijen op humeuze, koele plekken. In de natuurlijke groenvoorziening van berggemeenten kan op deze soorten worden teruggegrepen om een verband met de omringende vegetatie te leggen. Daarbij verdient streekeigen zaai- en plantgoed steeds de voorkeur om lokale endemieten niet in gevaar te brengen.
Samenvattende tabel
| Kenmerk | Beschrijving |
|---|---|
| EUNIS-code | E5.5 |
| Naam | Subalpine moist or wet tall-herb and fern fringe (Subalpiene vochtige hoogkruid- en varenzomen) |
| Plantensociologische klasse | Mulgedio-Aconitetea |
| Typische hoogteligging | Centraal-Europa vanaf 1.000 m, Zuid-Europa vanaf 1.600 m, in Scandinavië ook arctisch |
| FFH-bijlage I | 6430 – Vochtige hoogkruidzomen (E5.5 is een deelverzameling, kwalificatie “<”) |
| Rode-Lijstcategorie EU28 | Least Concern |
| Hoogte | 1,5–2 m |
| Karakteristieke soorten (selectie) | Adenostyles alliariae, Cicerbita alpina, Veratrum album, Lilium martagon, Aconitum napellus, Ranunculus platanifolius, Athyrium distentifolium |
Häufige Fragen
Wat is het biotooptype EUNIS E5.5?
EUNIS E5.5 beschrijft de subalpiene vochtige of natte hoogkruid- en varenzomen – weelderige, soortenrijke plantengemeenschappen in koele, vochtige berggebieden, die worden gedomineerd door hoog opgroeiende kruidachtigen en varens.
Waar vindt men subalpiene hoogkruidzomen?
Deze zomen groeien in de bergen van Europa boven circa 1.000 m in Centraal-Europa en 1.600 m in Zuid-Europa, vaak langs beken, tussen rotsen, onder struikgewas of aan bosranden. In Scandinavië komen ze ook in arctische gebieden voor.
Wat is de FFH-classificatie van dit leefgebied?
Het biotooptype is toegewezen aan FFH-habitattype 6430 (Hydrophilous tall herb fringe communities of plains and of the montane to alpine levels). EUNIS E5.5 is een deelverzameling van dit ruimere type.
Hoe is de bedreiging volgens de Europese Rode Lijst?
Het biotooptype wordt in de Europese Rode Lijst van habitats als 'Least Concern' (niet bedreigd) geclassificeerd – zowel voor de EU28- als de EU28+-landen.
Welke karakteristieke plantensoorten komen voor?
Typische soorten zijn hoog opgroeiende kruiden zoals alpenmelkdistel (Cicerbita alpina), witte nieswortel (Veratrum album), alpendost (Adenostyles alliariae), verschillende monnikskappen (Aconitum napellus e.a.) en varens zoals bergvrouwvaren (Athyrium distentifolium). Daarnaast treden veel regionaal endemische soorten op.