Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MC231; MC2311; MC632; MC634; MC6341; MC635; MC636; MC6361Europäische Rote Liste: Near ThreatenedFFH-Anhang I: 1160; 1650

Epifaunagemeenschappen van het Baltische bovenste circalitoraal op slikkerige sedimenten

Dit Baltische habitat is een benthisch biotooptype van de afotische zone, waarbij minstens 90% van de zeebodem bestaat uit slikkerig sediment en meer dan 10% van het oppervlak bedekt is met sessiele of semi-sessiele epibenthossoorten. De gemeenschappen komen doorgaans voor op diepten van meer dan circa 20 m bij geringe tot matige waterbeweging en worden gedomineerd door schelpdieren, kreeftachtigen, borstelwormen of neteldieren. Ze vormen belangrijke voedselgronden voor vissoorten zoals de kabeljauw en zijn op de Europese Rode Lijst van habitats opgenomen als 'Near Threatened' (bijna bedreigd).

Einordnung

Originalbezeichnung
Epifaunal communities of Baltic upper circalittoral muddy sediment
EUNIS
MC231; MC2311; MC632; MC634; MC6341; MC635; MC636; MC6361
EU-28
Near Threatened
EU-28+
Near Threatened
FFH-Anhang I
1160; 1650 – Large shallow inlets and bays; Boreal Baltic narrow inlets

Het belangrijkste in het kort

De epifaunagemeenschappen van het Baltische bovenste circalitoraal op slikkerige sedimenten zijn een benthisch habitat van de Oostzee in de donkere (afotische) zone. Ze kenmerken zich door fijnkorrelige, slikkerige bodems waarop een duidelijk zichtbare epifauna van sessiele of semi-sessiele soorten minstens 10% van het oppervlak bedekt. Deze gemeenschappen komen meestal voor op diepten van meer dan 20 m en worden beïnvloed door geringe tot matige energie-inwerking. Op de Europese Rode Lijst van habitats worden ze ingedeeld als Near Threatened (bijna bedreigd). Het biotooptype heeft kruisverwijzingen naar de FFH-habitattypen 1160 (Grote ondiepe baaien en inhammen) en 1650 (Boreale Baltische smalle inhammen).

EUNIS-typologie: één habitat – vele biotopen

Het habitat wordt in de European Nature Information System (EUNIS)-classificatie weergegeven met meerdere codes:

  • MC231
  • MC2311
  • MC632
  • MC634
  • MC6341
  • MC635
  • MC636
  • MC6361

Deze codes beschrijven verschillende uitingsvormen van hetzelfde habitattype. In totaal kunnen zes biotopen worden onderscheiden, die elk gedefinieerd worden door karakteristieke groepen van de epifauna.

Biotoopdiversiteit in het slikkerige circalitoraal

Biotoopgroep (karakteristieke taxa)Verspreiding / bijzonderheidTypische soorten (voorbeelden)
Epibenthische tweekleppigen (schelpdieren)Talrijk op slikkerige bodems, vormen soms dichte bestandenMytilus spp.
Epibenthische kreeftachtigen (schaaldieren)Bouwen vaak opvallende kokervelden, bijvoorbeeld door Haploops-soortenHaploops spp., Gammarus spp., mosselkreeftje Philomedes brenda
Epibenthische borstelwormen (polychaeten)Alleen gemeld uit de Beltzee en de Sont – beperkte verspreidingHediste diversicolor, soorten uit de families Maldanidae en Terebellida
Epibenthische neteldieren (cnidaria)Aanwezig in alle Oostzeebekkens; zeeveren domineren plaatselijk diepe troggen en geulenVirgularia mirabilis, Pennatula phosphorea
Gemengde epibenthosgemeenschapGeen dominante soortgroep, overgangskarakterWisselende samenstelling
Schaarse epibenthische macrogemeenschapEveneens alleen uit Beltzee en Sont gedocumenteerd, zeer lage bedekkingEnkele individuen van bovengenoemde groepen

Sommige van deze biotopen zijn geografisch sterk beperkt. Zo zijn de door borstelwormen gedomineerde gebieden en de delen met slechts een schaarse epifauna tot nu toe uitsluitend uit de Beltzee en de Sont bekend. Door neteldieren gedomineerde bestanden komen daarentegen in alle deelbekkens van de Oostzee voor.

Karakteristieke soorten en levensgemeenschappen

De soortsamenstelling hangt sterk af van het betreffende biotoop. Typische organismen zijn onder andere:

  • Schelpdieren: Mytilus spp.
  • Borstelwormen: Hediste diversicolor, verschillende vertegenwoordigers van de families Maldanidae en Terebellida
  • Vlokreeften en pissebedden: Haploops spp., Gammarus spp.
  • Mosselkreeftjes: Philomedes brenda
  • Slangsterren: Ophiura robusta
  • Zeeveren: Virgularia mirabilis, Pennatula phosphorea

Bijzonder opvallend zijn de door kokervormende vlokreeften (Haploops spp.) gevormde dichte matten van slibkokers die het sedimentoppervlak bedekken. In diepere geulen zoals de Kattegat-trog of de Djupa Rännan-trog vormen zeeveren uitgestrekte bestanden en bieden ze tal van andere soorten voedsel en beschutting – ook commercieel belangrijke vissoorten.

Verspreiding en standplaatsomstandigheden

Het habitat is een uitsluitend in de Oostzee voorkomend leefgebied. Het wordt ingedeeld bij de biogeografische regio BAL (Baltisch). Concrete landsgrenzen worden in de voorliggende brongegevens niet genoemd, omdat het een marien-ecologisch biotooptype betreft dat gebonden is aan de fysische omstandigheden van de Oostzee en niet aan nationale jurisdicties.

De ecologische randvoorwaarden:

  • Lichtzone: afotisch (onvoldoende fotosynthese)
  • Diepte: doorgaans onder 20 m
  • Energie-inwerking: gering tot matig (weinig stroming, nauwelijks golfslag)
  • Substraat: minstens 90% van de zeebodem bestaat uit slikkerig fijn sediment
  • Epibenthosbedekking: minstens 10% van het oppervlak bezet door sessiele/semi-sessiele epifauna

De geringe waterbeweging in deze diepe, slikkerige gebieden bevordert het bouwen van kokers door kleine vlokreeften en maakt de aanrijking van organische stoffen mogelijk. Hierdoor ontstaan productieve voedselgronden, met name voor kabeljauw en andere nabij de bodem levende vissen.

Bedreiging en beschermingsstatus

Europese Rode Lijst van habitats

Het habitat wordt op de European Red List of Habitats (EU28- en EU28+-beoordeling) ingeschaald als „Near Threatened” (bijna bedreigd). Dit betekent dat het in de nabije toekomst als bedreigd zou kunnen worden beschouwd indien de negatief beïnvloedende factoren verder toenemen. Een specifiek Rode-Lijstcriterium is in de onderliggende gegevens niet vermeld.

FFH-richtlijn (Bijlage I)

Via kruisverwijzingen (crosswalks) bestaan er verbindingen met twee FFH-habitattypen:

  • 1160 – Grote ondiepe baaien en inhammen
  • 1650 – Boreale Baltische smalle inhammen

Het symbool „#” in de brongegevens geeft aan dat het hier beschreven habitat gedeeltelijk onder deze FFH-typen valt. Het is dus niet vlakdekkend als beschermd habitat van Bijlage I aangemerkt, maar plaatselijk kunnen bepaalde uitingsvormen binnen Natura 2000-gebieden bescherming genieten.

Artikel-17-rapportage

In de voorliggende brongegevens is geen staat van instandhouding uit de Artikel-17-rapportage van de FFH-richtlijn opgenomen. Een uniforme EU-brede beoordeling van de staat van instandhouding bestaat voor dit specifieke biotooptype niet.

Betekenis voor het ecosysteem

De epifaunagemeenschappen vervullen meerdere belangrijke ecologische functies:

  • Ze vormen stabiele biogene structuren op zachte bodems die anders amper driedimensionale habitatelementen bieden.
  • Kokermatten van Haploops verhogen de sedimentstabiliteit en de kleinschalige heterogeniteit.
  • Zeeverenbestanden fungeren als schuil- en opgroeigebieden voor jonge vissen en ongewervelden.
  • De oppervlakten zijn betekenisvolle voedselgronden voor kabeljauw en andere commercieel benutte vissoorten.

Het veiligstellen van deze functies is ook van belang voor een duurzame visserij.

Kwaliteitsindicatoren en uitdagingen

Een breed geaccepteerde set kwaliteitsindicatoren is voor dit habitattype nog niet voorhanden. In de wetenschap en het beheer worden echter de volgende potentiële kengetallen bediscussieerd:

  • Abundantie en biomassa van de karakteristieke epifaunasoorten
  • Diversiteit en abundantie van de geassocieerde bodemfauna
  • Aandeel sedimentbedekking door hard substraat (als stressor)
  • Waterkwaliteitsparameters (bijv. zuurstofgehalte, nutriëntenconcentratie)
  • Mate van fysische verstoring (bijv. visserij met bodemsleepnetten)

De voorliggende brongegevens bevatten geen concrete dreigings- of herstelmaatregelen. Omdat het habitat echter als bijna bedreigd is aangemerkt, moet met aanhoudende belastingen rekening worden gehouden. Typische drukfactoren voor slikkerige zeebodems in de Oostzee zijn:

  • Nutriënten- en verontreinigende stoffenbelasting die tot zuurstoftekort kan leiden
  • Bodemberoerende visserij met sleepnetten die de kokerstructuren en de epifauna direct beschadigt
  • Klimaatgerelateerde veranderingen in zoutgehalte en temperatuurgelaagdheid

Op lange termijn zijn een gezamenlijke monitoring en het vaststellen van wetenschappelijk afgestemde drempelwaarden nodig om de toestand van dit habitat over de Oostzee-aanliggende staten heen vergelijkbaar te kunnen beoordelen.

Vooruitblik

Ook al wordt het biotooptype momenteel als „Near Threatened” (bijna bedreigd) aangemerkt, de classificatie toont aan dat het niet langer als ongevoelig geldt. Een gecoördineerde aanpak in het kader van het HELCOM-actieplan en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRMS) kan helpen om de levensgemeenschappen van het diepere slikkerige circalitoraal en hun functies voor het ecosysteem Oostzee te behouden.

Veelgestelde vragen (FAQ)

1. Wat wordt precies verstaan onder „epifaunagemeenschappen van het Baltische bovenste circalitoraal op slikkerige sedimenten”?

Het betreft een habitat van de Oostzee beneden circa 20 m diepte, waarvan de zeebodem voor minstens 90% uit fijne slib bestaat en bewoond wordt door een goed zichtbare, overwegend vastzittende diergemeenschap (epifauna). De soortsamenstelling varieert per overheersende diergroep – zo zijn er biotopen die worden gedomineerd door schelpdieren, kreeftachtigen, borstelwormen of neteldieren.

2. In welke delen van de Oostzee komt dit habitat voor?

Het wordt in de gehele Oostzee aangetroffen, al zijn bepaalde subtypen (bijv. door borstelwormen gedomineerd of schaarse epifauna) alleen bekend uit de Beltzee en de Sont. Neteldierrijke bestanden komen in alle Oostzeebekkens voor, waaronder de Kattegat-trog en de Djupa Rännan-trog. Het habitat is beperkt tot de Baltische biogeografische regio.

3. Welke typische soorten treft men op deze slikkerige bodems aan?

Tot de karakteristieke soorten behoren schelpdieren van het geslacht Mytilus, de borstelworm Hediste diversicolor, vlokreeften zoals Haploops en Gammarus, het mosselkreeftje Philomedes brenda, de slangster Ophiura robusta alsook de zeeveren Virgularia mirabilis en Pennatula phosphorea. Veel van deze soorten vormen dichte kokermatten of opgaande structuren.

4. Wat is de bedreigingsstatus van dit biotooptype?

Op de Europese Rode Lijst van habitats wordt het ingedeeld als „Near Threatened” (bijna bedreigd). Het heeft kruisverwijzingen naar de FFH-habitattypen 1160 en 1650, maar is niet vlakdekkend als beschermingswaardig goed van Bijlage I opgenomen. Een staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de FFH-richtlijn is in de voorliggende brongegevens niet gedocumenteerd.

5. Waarom is dit habitat van belang voor de visserij?

De slikkerige bodems met hun rijke epifauna zijn belangrijke voedselgronden voor nabij de bodem levende vissen zoals de kabeljauw. Vooral de door kokervormende kreeftachtigen geproduceerde matten en de door zeeveren gevormde structuren bieden voedsel en beschutting voor jonge vissen en dragen bij aan de productiviteit van de visbestanden.

Häufige Fragen

Wat wordt precies verstaan onder „epifaunagemeenschappen van het Baltische bovenste circalitoraal op slikkerige sedimenten”?

Het betreft een habitat van de Oostzee beneden circa 20 m diepte, waarvan de zeebodem voor minstens 90% uit fijne slib bestaat en bewoond wordt door een goed zichtbare, overwegend vastzittende diergemeenschap (epifauna). De soortsamenstelling varieert per overheersende diergroep – zo zijn er biotopen die worden gedomineerd door schelpdieren, kreeftachtigen, borstelwormen of neteldieren.

In welke delen van de Oostzee komt dit habitat voor?

Het wordt in de gehele Oostzee aangetroffen, al zijn bepaalde subtypen (bijv. door borstelwormen gedomineerd of schaarse epifauna) alleen bekend uit de Beltzee en de Sont. Neteldierrijke bestanden komen in alle Oostzeebekkens voor, waaronder de Kattegat-trog en de Djupa Rännan-trog. Het habitat is beperkt tot de Baltische biogeografische regio.

Welke typische soorten treft men op deze slikkerige bodems aan?

Tot de karakteristieke soorten behoren schelpdieren van het geslacht Mytilus, de borstelworm Hediste diversicolor, vlokreeften zoals Haploops en Gammarus, het mosselkreeftje Philomedes brenda, de slangster Ophiura robusta alsook de zeeveren Virgularia mirabilis en Pennatula phosphorea. Veel van deze soorten vormen dichte kokermatten of opgaande structuren.

Wat is de bedreigingsstatus van dit biotooptype?

Op de Europese Rode Lijst van habitats wordt het ingedeeld als „Near Threatened” (bijna bedreigd). Het heeft kruisverwijzingen naar de FFH-habitattypen 1160 en 1650, maar is niet vlakdekkend als beschermingswaardig goed van Bijlage I opgenomen. Een staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de FFH-richtlijn is in de voorliggende brongegevens niet gedocumenteerd.

Waarom is dit habitat van belang voor de visserij?

De slikkerige bodems met hun rijke epifauna zijn belangrijke voedselgronden voor nabij de bodem levende vissen zoals de kabeljauw. Vooral de door kokervormende kreeftachtigen geproduceerde matten en de door zeeveren gevormde structuren bieden voedsel en beschutting voor jonge vissen en dragen bij aan de productiviteit van de visbestanden.

Quellen