Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MB133; MB134; MB135; MB136; MB137; MB138; MB13B; MB231; MB2311; MB2312; MB435; MB436; MB437; MB438; MB439; MB43A; MB43EEuropäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 1160; 1170

Epifaunale levensgemeenschappen op Baltische rots- en gemengde substraten in het infralitoraal

Epifaunale levensgemeenschappen op Baltische infralitorale rotsen en gemengde substraten (overwegend hard) zijn een marien biotoop van de Oostzee in de fotische zone. Ze worden gedomineerd door vastzittende ongewervelden zoals mosselen, zakpijpen, mosdiertjes, zeepokken en sponzen. De Europese Rode Lijst van habitats classificeert ze als niet bedreigd (‘Least Concern’).

Einordnung

Originalbezeichnung
Epifaunal communities on Baltic infralittoral rock and mixed substrata (predominantly hard)
EUNIS
MB133; MB134; MB135; MB136; MB137; MB138; MB13B; MB231; MB2311; MB2312; MB435; MB436; MB437; MB438; MB439; MB43A; MB43E
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
1160; 1170 – Large shallow inlets and bays; Reefs

Het belangrijkste in het kort

  • Biotooptype: Epifaunale levensgemeenschappen op Baltische infralitorale rots en gemengde substraten (overwegend hard)
  • EUNIS-codes: MB133; MB134; MB135; MB136; MB137; MB138; MB13B; MB231; MB2311; MB2312; MB435; MB436; MB437; MB438; MB439; MB43A; MB43E
  • Rode-Lijststatus: Least Concern (EU28 en EU28+)
  • Habitatrichtlijn bijlage I: 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen), 1170 (Riffen)
  • Verspreiding: Oostzee (BAL), diepte 2–20 m, zoutgradiënt van minder dan 5 psu tot meer dan 15 psu
  • Kenmerken: Hard substraat (minstens 90 % rots, blokken, stenen) met epifauna; elf biotoopvarianten op basis van dominante organismegroep

EUNIS-classificatie en indeling

De EUNIS-databank (European Nature Information System) registreert dit habitat onder een hele reeks codes, die zijn afgeleid van de HELCOM-onderwaterbiotoopclassificatie (HELCOM HUB). De codes MB133 tot MB437 staan voor Baltische, fotische (lichtdoorlatende) ondiepwaterbiotopen van het infralitoraal, waar de zeebodem voor minstens 90 % uit hard substraat – rots, grote blokken of stenen – of overwegend harde gemengde sedimenten bestaat. De toevoeging ‘epifaunaal’ betekent dat de levensgemeenschap wordt gekenmerkt door organismen die op het substraatoppervlak leven en niet in het sediment graven.

Infralitoraal is het dieptebereik van een zee of groot meer dat permanent onder water staat, maar nog zo ondiep is dat er voldoende licht invalt voor benthische algen en een diverse epifauna. In de Oostzee strekt het infralitoraal zich doorgaans uit van ongeveer 2 tot 20 meter waterdiepte.

Alle toegewezen EUNIS-typen maken deel uit van een hiërarchisch systeem. De bovenliggende eenheid ‘Baltic photic rock and boulders’ wordt verder onderverdeeld op basis van de dominante organismegroep. Zo ontstaan in totaal elf biotoopvarianten, die in de brondatabase als geassocieerde eenheden gelden.


Habitat en kenmerkende soorten

Het habitat wordt bepaald door een karakteristieke epifauna, die ten minste 50 % van de biomassa uitmaakt. De dominantie verschuift langs een zoutgradiënt van west naar oost en met de blootstelling aan golven. De volgende tabel vat de belangrijkste biotoopgroepen samen:

Dominante organismegroepKenmerkende voorbeeldsoortenDiepte (m)Saliniteit (psu)BlootstellingBijzonderheid
Mosselen (Mytilidae, Dreissenidae)Mytilus spp., Modiolus modiolus, Dreissena polymorpha5–20 (Mytilus/Modiolus), 2–10 (Dreissena)>5 (Mytilus/Modiolus), <5 (Dreissena)alle blootstellingsgraden (Mytilus); beschut tot matig blootgesteld (Dreissena)Dreissena-biotopen alleen in de oostelijke Finse Golf en aan de Estse westkust
Chordadieren (zakpijpen/Ascidiaceae)Ciona intestinalis, Dendrodoa grossularia, Molgula spp.2–20variabel, overwegend >5wisselendVaak geassocieerd met hydroïdpoliepen en mosdiertjes
Neteldieren (Hydrozoa, anemonen)Cordylophora caspia, Gonothraea loveni, Laomedea spp., zeeanemonen2–20variabelvariabelVormen vaak opgerichte kolonies op hard substraat
Mosdiertjes (Bryozoa)Electra crustulenta, Flustra foliacea, Eucratea loricata2–15Flustra foliacea alleen bij >15 (westelijke/zuidwestelijke Oostzee)alleFlustra is een opgericht bladmosdiertje dat zoutrijker water nodig heeft
Zeepokken (Balanidae)Amphibalanus improvisus, Balanus crenatus, Semibalanus balanoides2–20variabel, meestal >5matig tot sterk blootgesteldVormen dichte korsten op stenen
Sponzen (Porifera)Ephydatia fluviatilis, Chalinula limbata, Halichondria panicea, Haliclona oculata2–20variabelbeschut tot matigFilteren grote waterhoeveelheden en zijn indicatoren voor een goede waterkwaliteit

De genoemde soorten zijn niet limitatief, maar weerspiegelen de karakteristieke taxa die in de HELCOM-beschrijvingen en de EUNIS-brondatabase worden vermeld. Andere begeleidende soorten – zoals stekelhuidigen, borstelwormen of vissen – komen regelmatig voor, maar worden niet als dominant vermeld. Een biotoop kan worden gekenmerkt door een mengsel van meerdere groepen; bepalend is het aandeel epifaunale biomassa.


Rode Lijst van habitats: niet bedreigd (Least Concern)

De Europese Rode Lijst van habitats (2022) beoordeelt de epifaunale levensgemeenschappen op Baltisch infralitoraal rotsgesteente in het geheel als ‘Least Concern’ (LC) – zowel voor de EU28 (alle lidstaten tot aan de Brexit) als voor de uitgebreide beoordeling EU28+ (inclusief Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Balkanlanden). Dit betekent dat het habitattype op Europees niveau momenteel niet als bedreigd wordt beschouwd.

Een specifiek beoordelingscriterium (bijv. A1, B2) wordt in de beschikbare brongegevens niet genoemd. De classificatie is gebaseerd op de totale oppervlakte en verspreiding, die in de Oostzee ondanks regionale belastingen nog als voldoende groot en stabiel wordt ingeschat.

Kwaliteitsindicatoren zijn niet gestandaardiseerd. In de brongegevens wordt erop gewezen dat er geen algemeen overeengekomen indicatoren bestaan. Lokaal – bijvoorbeeld in Natura 2000-gebieden – kunnen echter standplaatsgebonden referentiewaarden voor diversiteit, abundantie en biomassa van de dominante soorten en voor de waterkwaliteit zijn vastgesteld. Mogelijke aanwijzingen voor een goede kwaliteit zijn:

  • hoge soortenrijkdom van de epifauna,
  • natuurlijk dekkingspercentage van de dominante organismen,
  • lage troebelheid en lage nutriëntenconcentraties,
  • afwezigheid van invasieve soorten die het evenwicht verstoren.

Omdat het habitat geen eigen bedreigingscategorie heeft, zijn er in de brongegevens geen specifieke bedreigingen opgenomen. Toch kunnen algemene stressoren van de Oostzee – eutrofiëring, verontreinigende stoffen, verstoring van de bodem door bodemtrawls of baggerwerken – lokaal invloed hebben.


Relatie met bijlage I van de Habitatrichtlijn: grote ondiepe baaien en riffen

Het biotooptype wordt in de brongegevens toegewezen aan twee habitattypen van bijlage I van Richtlijn 92/43/EEG:

  • 1160 – Grote ondiepe baaien en zeearmen (Large shallow inlets and bays)
  • 1170 – Riffen (Reefs)

De toewijzing gebeurt met de kwalificatie ‘#’, wat erop wijst dat het hier beschreven EUNIS-type niet volledig samenvalt met het respectievelijke habitattype van de Habitatrichtlijn, maar alleen onder bepaalde omstandigheden (bijv. ligging, soortenbestand) onder die bescherming kan vallen. Concreet betekent dat:

  • Epifaunale hardebodemgemeenschappen die in grote, ondiepe baaien of zeearmen liggen, kunnen deel uitmaken van habitattype 1160.
  • Als de harde substraten zijn ontwikkeld als biogene of geogene riffen of een overeenkomstige structurele complexiteit vertonen, vallen ze mogelijk onder habitattype 1170.

Bepalend voor de classificatie in het kader van de Habitatrichtlijn in individuele gevallen is de officiële kartering ter plaatse. Burgers kunnen deze informatie nalezen in de beheerplannen van de Natura 2000-gebieden aan de Duitse en overige EU-Oostzeekust.


Staat van instandhouding volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn

De rapportageverplichting overeenkomstig artikel 17 van de Habitatrichtlijn vereist dat de lidstaten regelmatig de staat van instandhouding van de habitattypen van bijlage I beoordelen. In de beschikbare brongegevens is voor dit specifieke biotooptype geen artikel 17-staat van instandhouding opgenomen. Dit komt doordat de rapportagematrix betrekking heeft op de habitattypen van de Habitatrichtlijn als geheel, niet op het fijnere EUNIS-niveau. Voor de typen 1160 en 1170 bestaan landenspecifieke beoordelingen, die echter niet automatisch op elke subeenheid kunnen worden overgedragen. Wie meer wil weten over de staat van deze twee habitattypen in een bepaalde Oostzeestaat, vindt de betreffende rapporten op de websites van het Europees Milieuagentschap (EEA) of van de nationale natuurbeschermingsinstanties.


Verspreiding en regionale bijzonderheden

Het habitat is beperkt tot de biogeografische regio BAL (Baltic) en komt dus uitsluitend in de Oostzee voor. Een lijst van landen is in de brongegevens niet opgenomen, wat is toe te schrijven aan de geaggregeerde EUNIS-classificatie. In principe strekt de verspreiding zich uit over de gehele Oostzee, waarbij de samenstelling van de epifauna sterk afhankelijk is van twee factoren:

  1. Zoutgehalte: De Oostzee is een brakwaterzee met een horizontale zoutgradiënt van ongeveer 1–2 psu in de noordelijke Botnische Golf tot meer dan 20 psu in het Kattegat. Veel hardebodemsoorten hebben een ondergrens voor het zoutgehalte. Zo hebben Mytilus spp. meestal meer dan 5 psu nodig, terwijl de deels geïntroduceerde driehoeksmossel Dreissena polymorpha bij minder dan 5 psu overleeft en daardoor de oostelijke, sterk verzoete baaien bewoont. Opgerichte mosdiertjes zoals Flustra foliacea zijn strikt gebonden aan hogere zoutgehalten (≥15 psu) en komen alleen in de westelijke en zuidwestelijke Oostzee voor.
  2. Blootstelling aan golven: Beschutte locaties begunstigen tere, vaak opgerichte kolonies (Hydrozoa, mosdiertjes), terwijl geëxponeerde kustdelen worden gedomineerd door robuuste korstvormers zoals zeepokken.

De diepteverdeling (2–20 m) ligt volledig in de fotische zone, zodat benthische algen – indien op de betreffende locatie aanwezig – als extra structuurelement kunnen bijdragen. De ondergrond bestaat grotendeels uit rots, blokken of stenen; op zuivere zachte bodems ontbreekt dit habitat.


Betekenis voor de natuur en de mens

Epifaunale hardebodemgemeenschappen vervullen belangrijke ecologische functies:

  • Ze filteren grote hoeveelheden fytoplankton en verbeteren daarmee de helderheid van het water (vooral mosselen en sponzen).
  • Ze bieden schuilplaatsen en groeimogelijkheden voor jonge vissen en ongewervelden.
  • Als onderdeel van het Baltische ecosysteem dragen ze bij aan de voedselketen en de nutriëntencyclus.

Voor de mens zijn ze indirect van belang: helder water bevordert het toerisme en intacte mosselbanken kunnen bijdragen aan het vasthouden van stikstof. Rechtstreeks gebruik vindt doorgaans niet plaats, omdat het gaat om soortenrijke maar kleinschalige structuren.


Gemeentelijke context en tips voor burgers

Omdat het om een puur marien habitat gaat, kan dit biotooptype niet in particuliere tuinen of gemeentelijk groen worden nagebootst. Indirecte bescherming is echter mogelijk:

  • Kustgemeenten kunnen door duurzame afvalwaterzuivering en vermindering van meststoftoevoer bijdragen aan een lagere nutriëntenbelasting van de Oostzee.
  • Burgers kunnen er bij strandwandelingen op letten geen stenen of blokken uit het ondiepe water te verwijderen – dat tast het harde substraatoppervlak aan.
  • Wie een vakantiehuis aan de Oostzeekust bezit of huurt, kan fosforarme was- en reinigingsmiddelen gebruiken om de eutrofiëring niet verder te versterken.
  • Informatie over regionale Natura 2000-gebieden op zee en hun beheerplannen geeft duidelijkheid waar dit habitattype concreet wordt beschermd en welke gedragsregels gelden.

Bronnen en verdere informatie

(Alle URL's bezocht op 2 april 2025.)


Häufige Fragen

Wat zijn epifaunale levensgemeenschappen op Baltisch infralitoraal rotsgesteente?

Het is een marien biotoop van de Oostzee in de fotische zone, waarbij minstens 90 % van het substraat uit rotsen, blokken of stenen bestaat en de levensgemeenschap wordt gedomineerd door epifauna (bijv. mosselen, zakpijpen, mosdiertjes).

Welke soorten bepalen dit habitattype in het bijzonder?

Kenmerkend zijn blauwe mosselen (*Mytilus* spp.), paardenmosselen (*Modiolus modiolus*), driehoeksmosselen (*Dreissena polymorpha*), zakpijpen (*Ciona intestinalis*), hydroïdpoliepen, opgerichte mosdiertjes (*Flustra foliacea*), zeepokken en zoetwatersponzen. De precieze samenstelling hangt af van het zoutgehalte en de golfslagblootstelling.

Wat is de bedreigingsstatus op de Europese Rode Lijst?

Het habitattype wordt zowel voor de EU28 als voor EU28+ als ‘Least Concern’ (niet bedreigd) geclassificeerd. Een specifiek criterium voor de classificatie wordt in de brongegevens niet genoemd.

Aan welke bijlage I-typen van de Habitatrichtlijn wordt dit biotooptype gekoppeld?

Het wordt via de EUNIS-codes gekoppeld aan de habitattypen 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen) en 1170 (Riffen) van de Habitatrichtlijn. De toewijzing is als partieel (‘#’) aangeduid, wat betekent dat deze alleen onder bepaalde voorwaarden geldt.

In welke landen komt dit habitat voor?

Een officiële landenlijst is in de brongegevens niet opgenomen. Het biotooptype is beperkt tot de biogeografische regio BAL (Oostzee) en strekt zich uit over de gehele Oostzee, van de zoutrijkere delen in het westen tot de verzoete baaien in het oosten.

Quellen