Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MD62; MD621Europäische Rote Liste: Endangered

Atlantische lagere circalittorale modder (MD62/MD621): een bedreigd diepzeehabitat

De Atlantische lagere circalittorale modder (EUNIS MD62/MD621) is een marien habitat op 60–180 meter diepte. De benthische levensgemeenschap wordt gedomineerd door boonmosselen (Modiolula phaseolina), borstelwormen en solitaire zakpijpen. Het biotooptype staat op de Europese Rode Lijst van habitats als ‘Endangered’ (bedreigd) en komt voor in de Noordoost-Atlantische Oceaan (NEA).

Einordnung

Originalbezeichnung
Atlantic lower circalittoral mud
EUNIS
MD62; MD621
EU-28
Endangered
EU-28+
Endangered

Het belangrijkste in het kort

  • Het biotooptype Atlantische lagere circalittorale modder (EUNIS-codes MD62 en MD621) is een diepzeehabitat op zachte bodems op een waterdiepte van ongeveer 60 tot 180 meter.
  • De zeebodem bestaat uit terrigene slik, kalkslik en biogene detritusbodems; licht dringt niet meer tot deze diepte door.
  • De levensgemeenschap wordt gekenmerkt door de boonmossel Modiolula phaseolina, borstelwormen (Polychaeta) en solitaire zakpijpen (Ascidiacea); in de diepste delen neemt het zuurstofgehalte af en verarmt de fauna.
  • Op de Europese Rode Lijst van habitats is het type beoordeeld als „Endangered“ (bedreigd).
  • Het is niet opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn en een nationale staat van instandhouding op grond van artikel 17 van de Habitatrichtlijn is in de beschikbare brongegevens niet vermeld.
  • Het habitat strekt zich uit in de biogeografische regio Noordoost-Atlantische Oceaan (NEA). Een concrete lijst van landen is in de brongegevens niet opgenomen.

Wat is Atlantische lagere circalittorale modder?

Dit mariene habitat omvat slibrijke en detritische zachte bodems van de lagere circalittorale zone in de Atlantische Oceaan – het zeegebied dat onder de doorlichte zone ligt. In databanken wordt het vaak aangeduid als „Atlantic lower circalittoral mud“. De afzettingen kunnen, afhankelijk van de lokale geologie, bestaan uit fijnkorrelig terrigeen materiaal, biogene kalkslik of mengbodems met organische resten. Omdat er geen licht tot deze diepte doordringt, ontbreken fotosynthetisch actieve organismen; de hele levensgemeenschap is afhankelijk van neerdwarrelende organische deeltjes (heterotroof).

EUNIS-classificatie: MD62 en MD621

Het Europese Natuurinformatiesysteem EUNIS deelt dit biotooptype in bij de mariene habitats en hanteert twee codes:

  • MD62 – Atlantische lagere circalittorale modder (overkoepelend type)
  • MD621 – een gedetailleerder subtype dat uit de Rode-Lijstclassificatie is overgenomen en sterker gericht is op de soortenrijkdom van diepere, periodiek zuurstofarme slikbodems.

In de praktijk worden beide codes vaak gezamenlijk genoemd (‘MD62; MD621’). Ze duiden hetzelfde habitat aan, maar MD621 vertegenwoordigt vooral de door Modiolula phaseolina gedomineerde bestanden die in het kader van de Rode Lijst zijn beoordeeld.

Bedreiging op de Europese Rode Lijst

De Europese Rode Lijst van habitats beoordeelt de Atlantische lagere circalittorale modder zowel voor de EU28 als voor EU28+ (dus inclusief enkele andere Europese landen) met de status „Endangered“ (EN – bedreigd). Dat betekent dat het habitat in zijn voortbestaan en ecologische functie acuut wordt bedreigd. De beoordeling is gebaseerd op de beschikbare gegevens over verspreiding, afnemende kwaliteit en de gevolgen van menselijke activiteiten.

Status Habitatrichtlijn en Artikel 17

  • Bijlage I van de Habitatrichtlijn: Het habitat is daar niet opgenomen (geen bijlagecode).
  • Staat van instandhouding op grond van artikel 17: In de door Natuurkompas gebruikte brongegevens (EEA 2022) is voor dit biotooptype geen artikel 17-staat van instandhouding vastgelegd. Lokaal kan het worden aangemerkt als beschermd object in Natura 2000-gebieden, waarbij dan gebiedsspecifieke referentiewaarden gelden.

Kenmerkende soorten en levensgemeenschap

De benthische fauna wordt gedomineerd door enkele kenmerkende organismen. Uit de beschikbare soortenlijsten (bron: Europese Rode Lijst van habitats) komen de volgende gidssoorten naar voren:

  • Boonmossel (Modiolula phaseolina): een kleine, vastzittende schelp die in grote aantallen de modder bedekt.
  • Slangsterren (Amphiura stepanovi): een voor deze diepte typische ophiure.
  • Borstelwormen (Terebellides stroemi) en andere polychaeten.
  • Cilinderroos (Pachycerianthus solitarius): een solitaire, ingegraven kokeranemoon (Ceriantharia).
  • Solitaire zakpijpen, zoals Ascidiella aspersa, Ciona intestinalis, Eugyra spp.
  • Hydroïdpoliepen zoals Bougainvillia ramosa.
  • Nematoden (rondwormen) en oligochaeten (weinigborsteligen), die in de sedimentmatrix leven.

In de grootste diepten van het verspreidingsgebied wordt de omgeving zuurstofarm (hypoxisch). De bodem bestaat er uit periazotische witte kalkslik en de soortenrijkdom neemt af. Indicatoren voor hypoxie zijn het grotendeels ontbreken van grotere, langlevende soorten en de dominantie van kleine, opportunistische vormen.

Ecologische betekenis en functie

Het habitat is een belangrijk onderdeel van de mariene koolstofcyclus: fijnkorrelige sedimenten slaan organisch materiaal op en herbergen een groot aantal decomposanten en depositeters. De boonmosselbanken creëren een driedimensionale structuur op de zeebodem en bieden zo vestigingsruimte voor aangroeiorganismen en schuilplaatsen voor mobiele kleine dieren. Tegelijk is dit habitat gevoelig voor bodemverstoringen en zuurstofdepletie.

Bedreigingen en risicofactoren

In de beschikbare brongegevens (EEA-uitbreiding Europese Rode Lijst 2022) worden geen specifieke bedreigingen voor dit biotooptype opgesomd. Op grond van kennis over vergelijkbare zachtebodems kunnen echter algemene risico’s worden afgeleid:

  • Mobiele bodemvisserij (met name sleepnetten) – kan de sedimentstructuur vernietigen en boonmosselbanken omploegen.
  • Toevoer van nutriënten en verontreinigende stoffen – bevordert hypoxie en verandert de soortensamenstelling.
  • Klimaatverandering – opwarming en verzuring kunnen kalkschelpen van mosselen en kalkslik aantasten.
  • Fysieke overbouwing – zeldzamer op deze diepte, maar mogelijk door kabels, pijpleidingen of offshore-installaties.

Beschermings- en herstelmogelijkheden

Omdat het habitat niet in bijlage I van de Habitatrichtlijn is opgenomen, valt het niet onder een systematische EU-brede rapportageverplichting. In Natura 2000-gebieden kan het echter worden beschouwd als een „gebiedsspecifiek kenmerk” en met eigen indicatoren worden gemonitord. Algemene beschermingsbenaderingen omvatten:

  • Visserijbeheer met uitsluiting van bodemberoerende technieken in kerngebieden
  • Instelling van zeereservaten met effectieve handhaving
  • Vermindering van nutriëntenbelasting uit riviersystemen

Over actief herstel (restauratie) zijn in de gebruikte brongegevens geen aanwijzingen gevonden.

Beknopt overzicht

KenmerkGegevens
EUNIS-codesMD62; MD621 (marien)
Naam (orig.)Atlantic lower circalittoral mud
Dieptebereik60–180 m
Biogeograf. regioNoordoost-Atlantische Oceaan (NEA)
SedimenttypeTerrigene slik, kalkslik, biogene detritus
Karakteristieke soortenModiolula phaseolina, Amphiura stepanovi, Terebellides stroemi, Pachycerianthus solitarius, solitaire zakpijpen, hydroïdpoliepen, nematoden, oligochaeten
Rode-LijstcategorieEndangered (bedreigd) – EU28 & EU28+
Bijlage I Habitatrichtlijnniet opgenomen
Artikel 17-statusin de beschikbare brongegevens niet vermeld
KwaliteitsindicatorenGeen uniforme indicatoren; lokaal kunnen biotische/abiotische parameters zijn vastgesteld

Betekenis voor burgers en gemeenten

Hoewel dit diepzeehabitat voor de meeste mensen niet direct zichtbaar is, vormt het een bouwsteen van een gezonde oceaan. Indirect profiteren kustregio’s en gemeenten van de ecosysteemdiensten: het habitat draagt bij aan nutriëntenbinding, waterzuivering en het instandhouden van visbestanden die ook in ondiepere zones van belang zijn. Wie zich verdiept in de toestand van de Noordoost-Atlantische Oceaan vindt in dit biotooptype een indicator voor de weinig zichtbare maar uiterst gevoelige diepzeezones.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Wat is Atlantische lagere circalittorale modder?

Het is een marien habitat op zachte bodems op diepten van 60–180 meter in de Noordoost-Atlantische Oceaan, gekenmerkt door slik en de boonmossel Modiolula phaseolina. Het maakt deel uit van de EUNIS-classificatie (MD62/MD621).

Op welke diepte komt dit biotooptype voor?

Het typische dieptebereik ligt tussen 60 en 180 meter, dus in het lagere circalittoraal. In de diepste delen kunnen lokaal hypoxische omstandigheden optreden.

Welke status heeft het op de Europese Rode Lijst?

Het habitat is beoordeeld als „Endangered” (EN – bedreigd), zowel binnen de EU28 als in de ruimere beoordelingsregio EU28+.

Welke typische soorten leven in dit habitat?

Kenmerkend zijn de boonmossel (Modiolula phaseolina), de slangster Amphiura stepanovi, de borstelworm Terebellides stroemi, de cilinderroos Pachycerianthus solitarius en diverse solitaire zakpijpen, hydroïdpoliepen, nematoden en oligochaeten.

Wordt de Atlantische lagere circalittorale modder beschermd door de Habitatrichtlijn?

Nee. Het biotooptype is niet opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn. Een EU-brede staat van instandhouding op grond van artikel 17 wordt in de beschikbare gegevens niet gerapporteerd; lokaal kan het in Natura 2000-gebieden beschermd zijn.

Bronnen


Dit artikel is opgesteld op basis van het door de EEA uitgebreide Europese Rode-Lijstpakket van 2022. Indien vermeldingen over bedreigingen, herstelmaatregelen of Artikel 17-status ontbreken, waren deze niet in de brongegevens beschikbaar.

Häufige Fragen

Wat is Atlantische lagere circalittorale modder?

Het is een marien habitat op zachte bodems op diepten van 60–180 meter in de Noordoost-Atlantische Oceaan, gekenmerkt door slik en de boonmossel Modiolula phaseolina. Het maakt deel uit van de EUNIS-classificatie (MD62/MD621).

Op welke diepte komt dit biotooptype voor?

Het typische dieptebereik ligt tussen 60 en 180 meter, dus in het lagere circalittoraal. In de diepste delen kunnen lokaal hypoxische omstandigheden optreden.

Welke status heeft het op de Europese Rode Lijst?

Het habitat is beoordeeld als „Endangered” (EN – bedreigd), zowel binnen de EU28 als in de ruimere beoordelingsregio EU28+.

Welke typische soorten leven in dit habitat?

Kenmerkend zijn de boonmossel (Modiolula phaseolina), de slangster Amphiura stepanovi, de borstelworm Terebellides stroemi, de cilinderroos Pachycerianthus solitarius en diverse solitaire zakpijpen, hydroïdpoliepen, nematoden en oligochaeten.

Is de Atlantische lagere circalittorale modder beschermd door de Habitatrichtlijn?

Nee. Het biotooptype is niet opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn. Een EU-brede staat van instandhouding op grond van artikel 17 wordt in de beschikbare gegevens niet gerapporteerd; lokaal kan het in Natura 2000-gebieden beschermd zijn.

Quellen