Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: F2.2Europäische Rote Liste: Least concernFFH-Anhang I: 4060

Alpine en subalpiene jeneverbesstruwelen (EUNIS F2.2) – hooggebergteheide met jeneverbes

Het alpine en subalpiene jeneverbesstruweeltype (EUNIS F2.2) is een door jeneverbessoorten gedomineerde, groenblijvende dwergstruikvegetatie van de Europese hooggebergten. Het komt voor op kalkrijke en zure standplaatsen van de bovenste montane zone tot in de onderste alpiene zone en is vaak secundair ontstaan door ontbossing en begrazing. De Europese Rode Lijst van habitats beoordeelt het als niet bedreigd (Least Concern). In Bijlage I van de Habitatrichtlijn is het opgenomen onder code 4060 (Alpine and Boreal heaths).

Einordnung

Originalbezeichnung
Alpine and subalpine Juniperus scrub
EUNIS
F2.2 – Evergreen alpine and subalpine heath and scrub
EU-28
Least concern
EU-28+
Least concern
FFH-Anhang I
4060 – Alpine and Boreal heaths

In het kort

  • EUNIS-code: F2.2
  • Habitattype: Alpine en subalpiene jeneverbesstruwelen (groenblijvende dwergstruikheide)
  • Kernsoorten: Juniperus communis subsp. alpina (dwergjeneverbes), Juniperus sabina (stinkende jeneverbes)
  • Verspreiding: Alle Europese gebergten, vooral in gebieden met traditionele begrazing, van de bovenste montane tot de onderste alpiene zone
  • Bedreiging (Europese Rode Lijst): Niet bedreigd (Least Concern) – EU28 en EU28+
  • FFH-bijlage I: 4060 (Alpine and Boreal heaths)
  • Staat van instandhouding (Artikel 17): Niet vermeld in de beschikbare brongegevens

Hieronder krijgt u een vakkundig, maar toegankelijk beeld van dit bijzondere habitattype, zijn ecologie, typische soorten en bescherming.

Wat is het alpine en subalpiene jeneverbesstruweeltype?

Het EUNIS-habitattype F2.2 “Evergreen alpine and subalpine heath and scrub” omvat groenblijvende dwergstruikheiden en struwelen waarin jeneverbessoorten de hoofdrol spelen. In de vakliteratuur spreekt men van alpine en subalpiene jeneverbesstruwelen.

Deze vegetatie komt zowel op carbonaathoudende (kalkrijke) als op silicaatrijke (kalkarme) gesteenten voor. Ze strekt zich uit van de bovenste montane zone tot in de bovenste subalpiene zone en kan bij uitzondering ook in de onderste alpiene zone doordringen. In alle Europese gebergten vindt men haar op plekken waar nog traditionele gebruiken zoals begrazing bestaan.

Het habitattype komt zowel voor als primaire vegetatie op rotsen en grote blokken, als als secundaire vegetatie op voormalige boslocaties, waar subalpiene bossen (met beuk, fijnspar) of dwergdenstruweel (Pinus mugo) de natuurlijke climaxvegetatie zouden zijn. Vooral in de subalpiene zone zijn de jeneverbesstruwelen het resultaat van ontbossing, daaropvolgende bodemerosie en eeuwenlange begrazing.

Ecologie en standplaatsomstandigheden

De jeneverbesstruwelen verdragen extreem lage temperaturen, waarbij een lang en dik sneeuwdek in de winter bescherming biedt tegen vorst, uitdroging en hoge zonnestraling. Op geschikte, zonnige zuidhellingen kunnen ze ook zonder permanente sneeuwbescherming gedijen.

De groeivorm is opvallend plastisch: afhankelijk van de hoogteligging en de windverhoudingen vormen de struiken liggende, slechts enkele centimeters hoge kussens of kniehoge struwelen. Deze flexibiliteit maakt soortenrijke begroeiingen met veel begeleidende soorten mogelijk.

Op kalkrijke bodem zijn de bestanden doorgaans soortenrijker, op silicaatgesteente eerder soortenarm. De vegetatie wordt overwegend tot de klasse Loiseleurio-Vaccinietea gerekend, die ook arctisch-boreale en acidofiele dwergstruikheiden omvat. Afhankelijk van de sneeuwbedekking, de bodemdiepte en de geografische ligging onderscheidt men acidofiele, mesofiele en droge subtypen.

Kenmerkende soorten

De dominerende houtige soorten zijn:

  • Juniperus communis subsp. alpina (ook vaak J. nana of J. sibirica genoemd)
  • Juniperus communis subsp. hemispherica
  • Juniperus sabina (stinkende jeneverbes)

Zij vormen het geraamte van het habitattype. Daarbij komen talrijke kruidachtige planten en dwergstruiken – de onderstaande tabel toont belangrijke vaatplanten, mossen en korstmossen die in de Europese Rode Lijst als kenmerkend worden genoemd.

Gidssoorten van alpine en subalpiene jeneverbesstruwelen

SoortgroepVoorbeelden (selectie)
DwergstruikenArctostaphylos uva-ursi, Calluna vulgaris, Vaccinium myrtillus, Vaccinium vitis-idaea, Vaccinium gaultherioides, Rhododendron ferrugineum, Rhododendron hirsutum, Rhododendron myrtifolium
Kruiden en grassenAchillea distans, Avenula versicolor, Bruckenthalia spiculifolia, Campanula alpina, Carex sempervirens, Deschampsia flexuosa, Festuca supina, Gentiana acaulis, Nardus stricta, Primula veris, Pulsatilla vernalis, Trifolium alpinum
MossenDicranum scoparium, Hylocomium splendens, Pleurozium schreberi, Polytrichum alpinum, Polytrichum strictum, Sphagnum capillifolium
KorstmossenAlectoria ochroleuca, Cetraria islandica, Cladonia arbuscula, Cladonia pyxidata, Cladonia rangiferina

Bedreiging en Rode Lijst

De Europese Rode Lijst van habitats (EU28+ beoordeling) voert het alpine en subalpiene jeneverbesstruweeltype onder code F2.2b en beoordeelt het als “Least Concern” (niet bedreigd). Dit geldt zowel voor het grondgebied van de EU28 als voor de uitgebreide EU28+-regio. Er wordt geen specifiek bedreigingscriterium genoemd, de status is dus stabiel.

De classificatie weerspiegelt dat de oppervlakten van dit habitattype wijd verspreid zijn en er geen acute, grootschalige bedreiging bestaat. Het behoud is echter gebonden aan de voortzetting van een matige begrazing, want zonder dit gebruik neemt de verbossing toe en kan het open karakter op termijn verloren gaan.

Een staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de Habitatrichtlijn is in de geraadpleegde brongegevens niet opgenomen. Omdat het habitattype deel uitmaakt van Bijlage I-type 4060, zouden de EU-lidstaten eigenlijk moeten rapporteren – of en in welke vorm dat voor dit specifieke struweeltype gebeurt, blijkt niet uit de ruwe gegevens van het EEA-datapakket (2022).

Habitatrichtlijn en beschermingsstatus

Het habitattype F2.2 valt onder Bijlage I van de Habitatrichtlijn, namelijk onder code 4060 “Alpine and Boreal heaths”. Het teken “<” in de brongegevens betekent dat EUNIS-type F2.2 slechts een deel (een smallere verschijningsvorm) van het ruimer gedefinieerde Bijlage I-habitattype is. De beschermingsstatus via de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten een gunstige staat van instandhouding te handhaven of te herstellen en hiervoor geschikte beschermde gebieden aan te wijzen.

Gebruik en beheer

Traditionele begrazing speelt een sleutelrol. Grazers mijden weliswaar de stekelige jeneverbesstruiken, maar houden de omringende vegetatie kort en verhinderen het opkomen van houtige gewassen. Zo ontstaan mozaiëken van jeneverbesstruweel, bosbes-dwergstruikbestanden en schrale graslanden. Vroeger probeerden herders de jeneverbesstruwelen terug te dringen door te maaien of te branden – tegenwoordig gebeurt dit meestal niet meer.

De teloorgang van traditioneel landgebruik in veel Europese berggebieden leidt tot het stopzetten van begrazing. Daardoor dringen struiken en bomen binnen. De jeneverbesstruwelen zelf vormen daarbij een successiestadium van voormalig bosvrije oppervlakten terug naar een gesloten bergbos of dwergstruweel. Omdat de herbebossing in ruige hooggelegen gebieden echter zeer langzaam verloopt, kunnen de Juniperus-bestanden lang blijven bestaan als er geen intensieve beheersmaatregelen plaatsvinden.

Soortendiversiteit en kwaliteitskenmerken

Een intact alpine jeneverbesstruweel wordt gekenmerkt door de volgende kwaliteitsindicatoren:

  • Rijk voorkomen van de kenmerkende plantensoorten
  • Dominantie van de diagnostische jeneverbessoorten (in plaats van andere houtige gewassen)
  • Lopende, maar niet intensieve begrazing (open structuur)
  • Afwezigheid van hoog opschietende bomen en dichte struiklagen buiten de jeneverbes
  • Mozaiëken met andere heiden, graslanden en dwergstruwelen
  • Geen eutrofiëringsindicatoren (voedselminnende soorten)

De mozaïekachtige verweving met andere habitats – zoals borstelgraslanden (Nardus stricta), lichte bossen of schrale silicaatgraslanden – verhoogt de structuurdiversiteit en daarmee de soortenrijkdom op landschapsniveau.

Betekenis voor natuurbescherming en vooruitzicht

De alpine en subalpiene jeneverbesstruwelen zijn een Europees belangrijk habitattype dat zowel van belang is voor het behoud van de biologische diversiteit in het hooggebergte als als getuigenis van een eeuwenoude cultuurlandschapsontwikkeling. Hoewel de Rode Lijst momenteel geen acute bedreiging signaleert, is de langetermijnontwikkeling zonder extensief beheer kritisch:

  • Zonder begrazing sluipen andere houtige gewassen binnen en verzwakken de dominantie van de jeneverbes.
  • Te sterke begrazing of mechanische verwijdering (brand, maaien) verminderen de oppervlakten eveneens.
  • Stikstofdepositie uit de lucht kan voedselminnende soorten bevorderen en de kwaliteit aantasten.

Voor het behoud zijn aangepaste, extensieve begrazingsconcepten doorslaggevend, die het open, structuurrijke karakter behouden.

Plaatsbepaling voor tuin en bebouwde omgeving:
Het alpine jeneverbesstruweeltype kan in de laaglandtuin niet natuurgetrouw worden nagebootst, omdat de extreme hoogteligging, de specifieke bodemeigenschappen en het microklimaat niet reproduceerbaar zijn. Inheemse dwergjeneverbessoorten zoals Juniperus communis subsp. alpina kunnen in rotstuinen of alpinaria tuinbouwkundig worden gebruikt, maar ze vervangen het natuurlijke habitat niet. De informatie in dit artikel dient voor kennis en waardering van de Europese natuur, niet als bouwinstructie voor privétuinen.

FAQ

  1. Wat is EUNIS F2.2?
    EUNIS F2.2 is de Europa-breed gestandaardiseerde code voor groenblijvende alpine en subalpiene heiden en struwelen die worden gedomineerd door jeneverbessoorten (vnl. Juniperus communis subsp. alpina en Juniperus sabina). De officiële benaming luidt “Evergreen alpine and subalpine heath and scrub”.

  2. Hoe bedreigd is dit habitattype?
    Volgens de Europese Rode Lijst van habitats (EU28+) geldt het als niet bedreigd (Least Concern). Individuele bestanden kunnen echter lokaal achteruitgaan door stopzetting van het gebruik of te intensieve begrazing.

  3. Welke beschermingsstatus heeft het in de Habitatrichtlijn?
    Het maakt deel uit van het FFH-habitattype 4060 “Alpine and Boreal heaths”, dat op Bijlage I van de richtlijn staat. Daarmee bestaat er een Europese rechtsverplichting tot behoud.

  4. Welke typische planten groeien er in jeneverbesstruwelen?
    Naast de dwergjeneverbes zijn dat o.a. bosbes (Vaccinium myrtillus), rijsbes (Vaccinium vitis-idaea), alpenroosje (Rhododendron ferrugineum/hirsutum), borstelgras (Nardus stricta), gentianen (Gentiana acaulis) en verschillende rendiermossen.

  5. Kan ik dit habitattype in de tuin nabootsen?
    Een waarheidsgetrouwe nabootsing is niet mogelijk, omdat extreme hoogteligging, langdurige sneeuwbescherming en alpiene standplaatsomstandigheden in het laagland ontbreken. Laagblijvende jeneverbesvormen kunnen echter wel in het alpinum of de rotstuin als sierplant dienen, zonder het natuurlijke habitat te vervangen.

Bronnen

Häufige Fragen

Wat is EUNIS F2.2?

EUNIS F2.2 is de Europa-breed gestandaardiseerde code voor groenblijvende alpine en subalpiene heiden en struwelen die worden gedomineerd door jeneverbessoorten (vnl. *Juniperus communis* subsp. *alpina* en *Juniperus sabina*).

Hoe bedreigd is dit habitattype?

Volgens de Europese Rode Lijst van habitats (EU28+) geldt het als niet bedreigd (Least Concern). Lokale bestanden kunnen achteruitgaan door stopzetting van het gebruik of door te intensieve begrazing.

Welke beschermingsstatus heeft het in de Habitatrichtlijn?

Het maakt deel uit van het FFH-habitattype 4060 „Alpine and Boreal heaths“ op Bijlage I van de richtlijn en valt daarmee onder een Europese instandhoudingsverplichting.

Welke typische planten groeien er in jeneverbesstruwelen?

Naast dwergjeneverbes zijn dat o.a. bosbes, rijsbes, alpenroosje, borstelgras, verschillende gentianen, maar ook mossen zoals *Hylocomium splendens* of korstmossen zoals *Cladonia rangiferina*.

Kan ik dit habitattype in de tuin nabootsen?

Een natuurgetrouwe nabootsing is niet mogelijk, omdat extreme hoogteligging, langdurige sneeuwbescherming en alpiene standplaatsomstandigheden ontbreken. Sierjeneverbessen kunnen wel in de rotstuin of het alpinum worden gebruikt.

Quellen