Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MC2336; MC336; MC3361Europäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 1110; 1160

Macrofauna-arm biotooptype op grof Oostzeesediment in het bovenste circalitoraal

Het mariene leefgebied 'Sparse or no macrofaunal community on Baltic upper circalittoral coarse sediment and shell gravel' (EUNIS MC2336, MC336, MC3361) beschrijft de zeebodem in de Oostzee vanaf ongeveer 30 m diepte, die voor minstens 90 % uit grof sediment of schelpengruis bestaat. Macroscopische dieren (macrofauna) zijn meestal afwezig of zeer zeldzaam. Als meiofauna domineert, vormen borstelwormen (Oligochaeta), mosselkreeftjes (Ostracoda) en rondwormen (Nematoda) meer dan 50 % van de biomassa.

Einordnung

Originalbezeichnung
Sparse or no macrofaunal community on Baltic upper circalittoral coarse sediment and shell gravel
EUNIS
MC2336; MC336; MC3361
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
1110; 1160 – Sandbanks which are slightly covered by sea water all the time; Large shallow inlets and bays

Macrofauna-arm biotooptype op grof Oostzeesediment in het bovenste circalitoraal

Het belangrijkste in het kort

Dit benthische biotooptype van de Oostzee komt voor in het bovenste circalitoraal – dat is de dieptezone vanaf ongeveer 30 meter. De zeebodem bestaat voor minstens 90 % uit grof sediment of schelpengruis (verbrijzelde schelpen van week- en schaaldieren). Kenmerkend is het vrijwel ontbreken van macrofauna; grotere dieren zijn hier nauwelijks of helemaal niet te vinden. In plaats daarvan wordt de levensgemeenschap vaak gedomineerd door kleine organismen van de meiofauna, met name borstelwormen, mosselkreeftjes en rondwormen. De Europese Rode Lijst van biotopen classificeert dit leefgebied als „Least Concern“ (niet bedreigd). Vanuit de Habitatrichtlijn is het geassocieerd met de habitattypen 1110 (zandbanken) en 1160 (grote, ondiepe baaien en inhammen).

Wat is dit habitattype? – EUNIS-classificatie

Het hier beschreven biotooptype draagt de officiële Engelse benaming „Sparse or no macrofaunal community on Baltic upper circalittoral coarse sediment and shell gravel“. In de Europese habitatclassificatie EUNIS wordt het vertegenwoordigd door de codes MC2336, MC336 en MC3361. De drie codes weerspiegelen de hiërarchische indeling en laten zien dat dit type enerzijds tot de mariene habitats (M) behoort en anderzijds tot de circalitorale biotopen met grof sediment (MC).

De classificatie is gebaseerd op de HELCOM HUB-typologie en omvat benthische (bodembewonende) gemeenschappen in de Oostzee die door drie hoofdcriteria zijn gedefinieerd:

  • Substraat: minstens 90 % grof sediment of schelpengruis (volgens korrelgrootte-indeling).
  • Dieptezone: bovenste circalitoraal, dat in de Oostzee begint beneden ongeveer 30 m waterdiepte.
  • Energie-expositie: voornamelijk in gebieden met hoge waterenergie (golven en stromingen).

Een essentieel ecologisch kenmerk is de extreem geringe of volledig ontbrekende bezetting door macrofauna – dat wil zeggen dieren die met het blote oog zichtbaar zijn (bv. schelpdieren, kreeftachtigen, stekelhuidigen). Waar de fauna echter door meiofauna (organismen die een 0,5 mm-zeef passeren maar op een 0,063 mm-zeef achterblijven) wordt gedomineerd, vormt deze groep minstens 50 procent van de biomassa. Deze toestand wordt aangeduid met de aanvullende EUNIS-code AB.I4U1.

Geografische verspreiding en standplaatscondities

Het biotooptype is beperkt tot de biogeografische regio „Oostzee“ (BAL). Het komt voor in delen van de Oostzee die voldoende diepte (>30 m) en een hoge bodemdynamiek vertonen. Typische vindplaatsen zijn blootgestelde ruggen, hellingen en drempels, waar fijner sediment wordt weggespoeld en alleen grof materiaal of schelpengruis achterblijft. In de beschikbare brongegevens zijn geen concrete landenlijsten opgenomen, zodat geen uitspraak over een nationale toekenning mogelijk is. In principe kan het habitat voorkomen in alle Oostzeelanden met geschikte dieptezones en substraten.

Karakteristieke soorten en levensgemeenschap

Anders dan veel andere mariene biotopen is dit type niet gekenmerkt door een typische macrofauna. Epifauna (levend op het sediment) en infauna (gravend in het sediment) ontbreken vaak bijna volledig. Dat is een uniek kenmerk onder de Oostzee-biotooptypen.

Wanneer er toch sprake is van kolonisatie, gebeurt dat door meiofauna. De karakteristieke diergroepen zijn:

  • Borstelwormen (Oligochaeta)
  • Mosselkreeftjes (Ostracoda)
  • Rondwormen (Nematoda)

Deze kleine organismen kunnen samen met andere meiofauna-vertegenwoordigers zoals Harpacticoida (roeipootkreeftjes) of Gastrotricha de biomassa domineren. In de HELCOM-classificatie wordt een dergelijke dominantie verondersteld bij een biomassa-aandeel van 50 %.

Kwaliteitsindicatoren

Voor dit biotooptype bestaan geen eenduidige Europese kwaliteitsindicatoren. De Europese Rode Lijst van biotopen verwijst ernaar dat biotische en abiotische parameters weliswaar in principe voor de beoordeling van mariene habitats kunnen worden gebruikt (bv. aanwezigheid van karakteristieke soorten, waterkwaliteit, expositiegraad), maar voor dit specifieke type zijn geen algemeen aanvaarde indicatoren vastgesteld.

Lokaal, bijvoorbeeld in afzonderlijke Natura 2000-gebieden, kunnen desondanks referentiewaarden worden vastgelegd. Zo kunnen voor beschermde oppervlakten standplaatspecifieke kengetallen worden gedefinieerd die voor monitoring worden gebruikt. Deze zijn echter niet gestandaardiseerd en in de beschikbare gegevens niet gedocumenteerd.

Bedreiging en Rode Lijst van biotopen

De Europese Rode Lijst van biotopen (European Red List of Habitats) classificeerde dit leefgebied zowel voor de EU28-landen als voor de EU28+-uitbreiding in de categorie „Least Concern“ (LC – niet bedreigd). Dat betekent: op Europees niveau bestaat er momenteel geen acute bedreiging en het type geldt niet als afnemend of sterk bedreigd.

Omdat de Rode Lijst-indeling pas in 2022 is bijgewerkt, weerspiegelt deze een relatief stabiele bestandssituatie. Specifieke bedreigingsfactoren zijn in de brongegevens niet vermeld. Typische stressoren voor benthische habitats – zoals bodemtrawls, eutrofiëring of delfstofwinning – zouden theoretisch kunnen inwerken, maar er zijn geen gekwantificeerde uitspraken over deze eenheid beschikbaar. Een bedreigingsbeoordeling op nationaal of lokaal niveau kan daarvan afwijken.

Relatie met de Habitatrichtlijn (FFH)

Het biotooptype is geen zelfstandig FFH-habitattype, maar wordt via EUNIS-crosswalks aan twee beschermde habitattypen toegewezen:

  • 1110 – Permanent met zeewater bedekte zandbanken
  • 1160 – Grote, ondiepe baaien en inhammen

Deze toewijzing betekent dat het habitat kan voorkomen in zeegebieden die als zodanig FFH-type zijn gemeld. Het kan dus onderdeel uitmaken van Natura 2000-gebieden, zonder zelf een eigen code in Bijlage I van de Habitatrichtlijn te bezitten. Omdat de toewijzing is voorzien van de qualifier „#“, gaat het om een niet-exclusieve crosswalk-relatie.

De staat van instandhouding volgens de artikel-17-rapportage is voor dit type niet afzonderlijk geëvalueerd; in de brongegevens is deze niet opgenomen.

Bescherming en betekenis in het Oostzeegebied

Hoewel het habitat als „niet bedreigd“ geldt, vervult het belangrijke ecologische functies. De uitgestrekte vlaktes met grof sediment of schelpengruis dienen als vestigingsgebied voor meiofauna, die op haar beurt de basis van het voedselweb vormt. Tegelijk markeert dit type een grensgebied waar door de hoge hydrodynamica geen permanente macrofaunabezetting mogelijk is.

Voor het natuurbehoud is de mogelijke inbedding in FFH-gebieden relevant, waarin verboden op bodemtrawls of andere verstoringen indirect bijdragen aan het behoud van het leefgebied. Momenteel ontbreken echter gestandaardiseerde beheerplannen die zich specifiek op dit biotooptype richten.

Steckbrieftabel

KenmerkWaarde / Uitdrukking
Officiële naamSparse or no macrofaunal community on Baltic upper circalittoral coarse sediment and shell gravel
EUNIS-codesMC2336, MC336, MC3361
LeefgebiedgroepZeebodem (marien, benthisch)
DieptezoneBovenste circalitoraal (>30 m in de Oostzee)
Substraat≥90 % grof sediment (grind, stenen) of schelpengruis
Karakteristieke faunaMeiofauna: Oligochaeta, Ostracoda, Nematoda (macrofauna schaars tot afwezig)
Rode Lijst-statusLeast Concern (EU28 en EU28+)
FFH-Bijlage I-relatie1110 (zandbanken), 1160 (grote, ondiepe baaien/inhammen)
Biogeografische regioBAL – Oostzee
KwaliteitsindicatorenGeen algemeen overeengekomen indicatoren aanwezig
Specifieke bedreigingenIn brongegevens niet vermeld
Artikel-17-staat van instandhoudingIn beschikbare gegevens niet aangegeven

Veelgestelde vragen (FAQ)

1. Wat is het circalitoraal?
Het circalitoraal is de dieptezone onder de euphotische zone. In de Oostzee begint het bovenste circalitoraal rond 30 meter. Het eindigt waar het licht te zwak is voor blijvende algengroei.

2. Waarom ontbreekt de macrofauna in dit habitat?
De hoge waterenergie en de grove substraatsamenstelling kunnen een blijvende bezetting door grotere dieren bemoeilijken. De exacte redenen zijn in de brongegevens niet gespecificeerd. Kenmerkend is dat macrofauna ofwel volledig ontbreekt of slechts in zeer lage dichtheden voorkomt.

3. Welke organismen bepalen de biomassa?
Wanneer geen macrofauna aanwezig is, neemt meiofauna vaak de dominante rol over. Tot de hoofdgroepen behoren borstelwormen, mosselkreeftjes en rondwormen. Zij kunnen meer dan 50 procent van de biomassa uitmaken.

4. Is dit biotooptype bedreigd?
Volgens de Europese Rode Lijst van biotopen 2022 geldt het leefgebied als „Least Concern“ – dus momenteel niet bedreigd. Specifieke bedreigingen zijn in de brongegevens niet opgenomen. Lokaal kan de situatie anders zijn.

5. Welke beschermingsstatus heeft het habitat volgens EU-recht?
Het is geen eigen FFH-habitattype, maar kan voorkomen in gebieden die als zandbanken (code 1110) of grote, ondiepe baaien en inhammen (1160) zijn aangewezen. De staat van instandhouding volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn is voor dit type niet afzonderlijk beschikbaar.

Bronnen

Quellen