Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MD321Europäische Rote Liste: Vulnerable

EUNIS MD321: Atlantisch lager circalittoraal grof sediment habitat

EUNIS MD321 staat voor het mariene habitattype 'Atlantic lower circalittoral coarse sediment' – diepe, ver uit de kust gelegen grove zanden en grindbanken van de Noordoost-Atlantische Oceaan tot circa 200 m diepte. Het staat op de Europese Rode Lijst van habitats als 'Vulnerable' (Kwetsbaar). Het biotooptype is niet opgenomen in Bijlage I van de Habitatrichtlijn en er zijn geen actuele staat-van-instandhoudingsbeoordelingen volgens Artikel 17 beschikbaar. Karakteristieke soorten zijn robuuste borstelwormen, tweekleppigen en stekelhuidigen; de grootste bedreiging is bodemvisserij.

Einordnung

Originalbezeichnung
Atlantic lower circalittoral coarse sediment
EUNIS
MD321
EU-28
Vulnerable
EU-28+
Vulnerable

Het belangrijkste in het kort

Het habitat „Atlantic lower circalittoral coarse sediment“ (EUNIS-code MD321) omvat de diepe, ver uit de kust gelegen grove sedimentbodems van de Noordoost-Atlantische Oceaan. Het strekt zich uit van het lagere circalittoraal (ongeveer 30 meter) tot dieptes van circa 200 meter en bestaat uit grof grind, schelpresten en zandige grove fracties. De diergemeenschappen zijn overwegend opgebouwd uit robuuste borstelwormen (Polychaeta) en tweekleppigen en lijken sterk op die van ver uit de kust gelegen gemengde sedimenten. Het biotooptype wordt op de Europese Rode Lijst van habitats als Vulnerable (Kwetsbaar) geclassificeerd, maar is noch in Bijlage I van de Habitatrichtlijn opgenomen, noch zijn er staat-van-instandhoudingsbeoordelingen volgens Artikel 17 van de Habitatrichtlijn beschikbaar. De belangrijkste verstoring gaat uit van bodemvisserij (sleepnetten, dredges). Er bestaat nog geen nationale of Europese indicatorenset voor kwaliteitsbeoordeling; als houvast gelden de aanwezigheid van commercieel benutte soorten en de talrijkheid van karakteristieke ongewervelden.

Wat is het biotooptype „Atlantic lower circalittoral coarse sediment“?

De term „circalittoraal“ beschrijft de zone van de zeebodem die onder de door zonlicht doordrongen, door algen gedomineerde kustwateren ligt – doorgaans vanaf ongeveer 20 tot 30 meter waterdiepte. Het lagere circalittoraal reikt tot aan de rand van het continentaal plat, dat in de Noordoost-Atlantische Oceaan rond 200 meter eindigt. Habitattype MD321 is dus een offshore-habitat en bevindt zich in gebieden waar geen voldoende licht meer is voor benthische algen; de gemeenschap wordt gevormd door dierlijke organismen (infauna en epifauna).

Het substraat bestaat uit grof zand, grind, schelpresten en grof puin – in tegenstelling tot:

  • fijne sedimenten (silt, klei) en
  • zuivere rotshabitats. Dergelijke grove sedimenten zijn op het buitenste continentaal plat wijdverbreid en kunnen volgens sommige schattingen grote oppervlakken van het ver uit de kust gelegen plat bedekken. De stroomsnelheden bij de bodem variëren sterk – van zeer zwak (nauwelijks meetbaar) tot matig sterk (1–3 knopen) – en beïnvloeden sedimentomwoeling en zuurstofvoorziening.

EUNIS-classificatie

De EUNIS-typologie (European Nature Information System) is het centrale, Europa-breed uniforme systeem voor de classificatie van biotooptypen. MD321 behoort tot het hiërarchische niveau van mariene habitats en is verankerd binnen de EU-brede Rode Lijsten. De code MD staat voor „Marine deep circalittoral coarse sediment“, de cijfers specificeren de biogeografische regio (hier: Atlantisch). Het betreft een zelfstandig biotooptype dat niet volledig gelijkgesteld kan worden met andere op sediment gebaseerde habitats zoals „Atlantic circalittoral coarse sediment“ (A5.15), ook al bestaat er een nauwe verwantschap in de Rode-Lijstclassificatie (red_list_project_code A5.15).

Geografische verspreiding

Het habitattype is gebonden aan de biogeografische regio NEA (North-East Atlantic), ofwel de Noordoost-Atlantische Oceaan. Concrete landgegevens ontbreken in de beschikbare brondata; het offshore-habitat strekt zich echter typisch uit over de platgebieden voor West-Europa, van de Golf van Biskaje tot in de noordelijke Noordzee en de Europese continentale rand. Omdat het een lager circalittoraal biotoop betreft, komt het buiten de territoriale wateren van alle EU-lidstaten ook voor in de Exclusieve Economische Zone (EEZ).

In de voorliggende brondata zijn geen specifieke landtoewijzingen of gekarteerde voorkomens opgenomen.

Ecologische betekenis en karakteristieke soorten

De diergemeenschappen op grove sedimenten in diepere zones zijn in vergelijking met de ondiepere bovenste circalittorale grove sedimenten duidelijk soortenrijker. De stabiele, maar niet te fijnkorrelige substraatstructuur biedt leefruimte aan een grote verscheidenheid aan ongewervelden. In tegenstelling tot gemengde sedimenten domineren hier robuuste gravende en vastzittende soorten, die bestand zijn tegen de hoge sedimentbeweging en de soms geringe zuurstoftoevoer.

De volgende tabel vat de in de Rode-Lijstgegevens opgevoerde karakteristieke soorten samen (bron: EEA 2022):

GroepKarakteristieke soorten
Borstelwormen (Polychaeten)Glycera tesselata, Psamathe fusca, Pista cristata, Prionospio banyulensis, Protodorvillea kefersteini
Tweekleppigen (Bivalvia)Lentidium mediterraneum, Gari costulata, Timoclea ovata
Kreeftachtigen (Crustacea)Monoculodes carinatus, Urothoe brevicornis
Slangsterren (Ophiuroidea)Amphipholis squamata
Zee-egels (Echinoidea)Spatangus purpureus, Sphaerechinus granularis
Lansvisjes (Cephalochordata)Branchiostoma lanceolatum

Het lansvisje Branchiostoma lanceolatum is een opmerkelijke vertegenwoordiger, omdat het als voorouder van de gewervelde dieren wordt beschouwd en vaak in grofkorrelige, goed doorstroomde sedimenten leeft. Veel van de genoemde borstelwormen zijn detritus- en sedimenteters en dragen bij aan de bioturbatie. De tweekleppigen zoals Gari costulata kunnen zich met hun lange sifons ook in onstabiele grindlagen handhaven.

Hoewel het habitattype geen rechtstreekse betekenis heeft voor tuinen of landhabitats – het betreft een uitsluitend marien diepzeehabitat – speelt het een belangrijke rol voor het functioneren van het ecosysteem van het continentaal plat: het biedt paai- en schuilplaatsen voor commercieel benutte vissoorten (bijvoorbeeld platvissen, schelvis), die zich voeden met de op de bodem levende ongewervelde fauna. Daarom kan de aanwezigheid en abundantie van deze soorten als indirecte kwaliteitsindicator dienen.

Bedreiging en Rode Lijst

In de „European Red List of Habitats“ (EU28- en EU28+-beoordeling) wordt MD321 als Vulnerable (Kwetsbaar) geclassificeerd. Een concreet classificatiecriterium (bijvoorbeeld de mate van oppervlakteafname) is in de brondata niet vermeld; de indeling berust doorgaans op een combinatie van kwantitatieve oppervlakteverliezen, kwalitatieve degradatie en bedreigingsanalyse. De belangrijkste bedreiging is intensieve bodemvisserij:

  • Sleepnetvisserij (bottom-trawling) en dredges vernietigen de sedimentstructuur en doden de karakteristieke ongewervelden direct.
  • Lokaal treedt vrijkomen van fijn sediment en zuurstofverbruik op, waardoor het habitat voor stromingminnende soorten ongeschikt wordt.
  • De biodiversiteit kan in beviste gebieden drastisch afnemen; mobiele soorten zoals zee-egels en lansvisjes worden onbedoeld meegevangen.

Verdere potentiële bedreigingen (bijvoorbeeld winning van grondstoffen, munitieresten, klimaatverandering) worden in de brondata niet expliciet genoemd, maar zijn voor veel offshore grofsedimenthabitats wel te veronderstellen.

In de voorliggende brondata zijn geen specifieke „Threats“ of „Restoration notes“ opgenomen.

Habitatrichtlijn en Artikel-17-rapportage

Het habitattype staat niet op Bijlage I van de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG). Daardoor zijn er geen aangewezen beschermingsgebieden volgens de Habitatrichtlijn die dit biotooptype expliciet als doel hebben. Ook zijn er geen gegevens over de staat van instandhouding volgens Artikel 17 beschikbaar, omdat deze alleen worden verzameld voor de in Bijlage I opgenomen natuurlijke habitattypen van communautair belang.

Dat betekent niet dat het habitat volledig zonder bescherming is: in het kader van de EU-Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) kunnen grofsedimenthabitats indirect in aanmerking worden genomen via descriptoren (bijvoorbeeld integriteit van de zeebodem, biodiversiteit). Ook mariene beschermingsgebieden (Natura 2000) kunnen MD321 omvatten wanneer zij op grond van de Vogelrichtlijn zijn aangewezen of vrijwillig als habitattype voor vissen en ongewervelden worden meegenomen. Een gebiedsdekkende beoordeling en een specifieke beschermingsstatus ontbreken echter.

Kwaliteitsindicatoren en toestandsbeoordeling

Volgens de huidige kennis zijn er geen algemeen overeengekomen indicatoren voor de habitatkwaliteit van MD321. De EEA-bronnen verwijzen naar biotische en abiotische standaardindicatoren, die echter niet habitat-specifiek ontwikkeld zijn. In de praktijk wordt vaak gebruik gemaakt van:

  1. Aanwezigheid en abundantie van karakteristieke soorten (met name de hierboven genoemde indicator-borstelwormen en tweekleppigen).
  2. Aanwezigheid van commercieel benutte vissoorten, waarvan de voortplanting en voedselbasis verbonden zijn met de toestand van het sedimenthabitat.
  3. Korrelgrootteverdeling en verstoringsindex (bijvoorbeeld het aandeel fijnmateriaalvrije grofkorrelige locaties).

Aangezien bodemvisserij de belangrijkste impactfactor vormt, kan de toestand worden ingeschat aan de hand van de intensiteit van de visserijactiviteit in de betreffende regio: in gebieden met een hoge visserijdruk zijn de levensgemeenschappen vaak sterk verarmd. Langetermijnmonitoringprogramma's voor offshore sedimenten bestaan nog slechts in beperkte mate.

Bescherming en herstelmogelijkheden

Specifieke hersteladviezen zijn in de brondata niet opgenomen. In het algemeen zouden voor het behoud en herstel van MD321 de volgende maatregelen denkbaar zijn:

  • Visserijuitsluitingszones of vermindering van bodemsleepnetactiviteiten in bijzonder waardevolle grofsedimentgebieden.
  • Mariene ruimtelijke planning, die de verspreiding van habitattypen in aanmerking neemt en gebruiksconflicten vermindert.
  • Monitoring van de karakteristieke bodemdiergemeenschappen als basis voor een toekomstige indicatorontwikkeling.

Omdat het om een offshore diepzeehabitat gaat, zijn herstelproeven (bijvoorbeeld het aanbrengen van grind) technisch uitermate bewerkelijk en in vergelijking met het aanwijzen van referentiegebieden minder goed uitvoerbaar. Vrijwillige bescherming via mariene Natura 2000-gebieden is momenteel de meest waarschijnlijke ondersteuning.

Samenvattende tabel

KenmerkDetail
EUNIS-codeMD321
Volledige naamAtlantic lower circalittoral coarse sediment
Korte omschrijvingOffshore grofzand- en grindbodems in het lagere circalittoraal (tot 200 m)
EUNIS-typeMarien diepzeehabitat (MD)
Rode Lijst EU28Vulnerable (Kwetsbaar)
Rode-LijstcriteriumIn de voorliggende brondata niet vermeld
Habitatrichtlijn Bijlage INiet opgenomen
Artikel-17-staat van instandhoudingGeen beoordeling beschikbaar
Biogeografische regioNoordoost-Atlantische Oceaan (NEA)
LandenIn de voorliggende brondata niet vermeld
Karakteristieke soortenBorstelwormen, tweekleppigen, kreeftachtigen, stekelhuidigen, lansvisjes (zie lijst)
Belangrijkste bedreigingBodemvisserij (sleepnetten, dredges); algemeen beschreven in brondata
KwaliteitsindicatorenGeen gestandaardiseerde indicatoren; afgeleid van karakteristieke soorten en visserijdruk

FAQ

Wat betekent „lower circalittoral“ bij EUNIS MD321?

Het lagere circalittoraal is het deel van de zeebodem van circa 30 m tot de rand van het continentaal plat op 200 m diepte, waar geen algen meer kunnen groeien. Het volgt op het ondiepere bovenste circalittoraal en kenmerkt zich door een uitsluitend dierlijke levensgemeenschap.

Is het habitat MD321 volgens EU-recht beschermd?

Nee, het staat niet op Bijlage I van de Habitatrichtlijn en wordt daardoor niet systematisch volgens Artikel 17 beoordeeld. Bescherming kan indirect plaatsvinden via mariene Natura 2000-gebieden of de Kaderrichtlijn Mariene Strategie.

Waarom geldt MD321 als „Vulnerable“ (Kwetsbaar)?

De classificatie is gebaseerd op de Europese Rode Lijst van habitats en houdt rekening met de sterke invloed van bodemvisserij op de sedimentintegriteit en de karakteristieke soortgemeenschappen. Een exact kwantitatief criterium is in de brondata niet gepubliceerd.

Welke typische soorten komen in MD321 voor?

Tot de karakteristieke soorten behoren de borstelwormen Glycera tesselata en Psamathe fusca, de tweekleppigen Gari costulata en Timoclea ovata, de slangster Amphipholis squamata en het lansvisje Branchiostoma lanceolatum.

Kan ik dit habitattype in de tuin nabootsen?

Nee. Het is een uitsluitend marien diepzeehabitat van de Noordoost-Atlantische Oceaan dat zich niet in een tuin of kunstmatige installaties laat weergeven. Een kusttuin heeft geen directe relatie met dit habitat.

Häufige Fragen

Wat betekent „lower circalittoral“ bij EUNIS MD321?

Het lagere circalittoraal is het deel van de zeebodem van circa 30 m tot de rand van het continentaal plat op 200 m diepte, waar geen algen meer kunnen groeien. Het volgt op het ondiepere bovenste circalittoraal en kenmerkt zich door een uitsluitend dierlijke levensgemeenschap.

Is het habitat MD321 volgens EU-recht beschermd?

Nee, het staat niet op Bijlage I van de Habitatrichtlijn en wordt daardoor niet systematisch volgens Artikel 17 beoordeeld. Bescherming kan indirect plaatsvinden via mariene Natura 2000-gebieden of de Kaderrichtlijn Mariene Strategie.

Waarom geldt MD321 als „Vulnerable“ (Kwetsbaar)?

De classificatie is gebaseerd op de Europese Rode Lijst van habitats en houdt rekening met de sterke invloed van bodemvisserij op de sedimentintegriteit en de karakteristieke soortgemeenschappen. Een exact kwantitatief criterium is in de brondata niet gepubliceerd.

Welke typische soorten komen in MD321 voor?

Tot de karakteristieke soorten behoren de borstelwormen *Glycera tesselata* en *Psamathe fusca*, de tweekleppigen *Gari costulata* en *Timoclea ovata*, de slangster *Amphipholis squamata* en het lansvisje *Branchiostoma lanceolatum*.

Kan ik dit habitattype in de tuin nabootsen?

Nee. Het is een uitsluitend marien diepzeehabitat van de Noordoost-Atlantische Oceaan dat zich niet in een tuin of kunstmatige installaties laat weergeven. Een kusttuin heeft geen directe relatie met dit habitat.

Quellen