Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: F2.1Europäische Rote Liste: Near ThreatenedFFH-Anhang I: 6150; 6170

Subarctische en alpiene dwergwilgenstruwelen (F2.1) – Leefgebied boven de boomgrens

Het subarctische en alpiene dwergwilgenstruweel (EUNIS F2.1) is een door dwergwilgen gedomineerd leefgebied boven de boomgrens in de Europese hooggebergten. De vegetatie is aangepast aan korte groeiperioden en langdurige sneeuwbedekking. Op de EU-brede Rode Lijst geldt het type als Gevoelig (Near Threatened), maar het wordt niet als afzonderlijk FFH-habitattype beschouwd; het valt deels onder de alpiene graslandtypen 6150 en 6170.

Einordnung

Originalbezeichnung
Subarctic and alpine dwarf Salix scrub
EUNIS
F2.1 – Subarctic and alpine dwarf willow scrub
EU-28
Near Threatened
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
6150; 6170 – Siliceous alpine and boreal grasslands; Alpine and subalpine calcareous grasslands

Subarctische en alpiene dwergwilgenstruwelen (F2.1) – Leefgebied boven de boomgrens

Het belangrijkste in het kort

Het Subarctische en alpiene dwergwilgenstruweel (EUNIS-code F2.1, Engels Subarctic and alpine dwarf Salix scrub) is een leefgebied van het hooggebergte en de subarctische laaglanden. Het ontwikkelt zich boven of ten noorden van de klimatologische boomgrens, op plaatsen waar de sneeuw bijzonder lang blijft liggen – vaak 8 tot 10 maanden. De vegetatie wordt gedomineerd door enkele centimeters hoge, zelden meer dan 1,5 m hoge, dwergwilgen (Salix herbacea, Salix polaris, Salix reticulata en andere). Mossen en korstmossen zijn altijd overvloedig aanwezig.

Het biotooptype is zeer variabel: naargelang de ondergrond (silicaat- of kalkrijk) en de geografische regio verandert het soortenpalet. In de Europese Rode Lijst van habitats wordt het voor de EU28 als „Near Threatened” (Gevoelig) geclassificeerd, voor het uitgebreide Europa (EU28+) echter als „Least Concern” (Niet bedreigd). Het is geen afzonderlijk FFH-habitattype, maar wordt meegenomen in de aangrenzende alpiene en boreale graslandtypen 6150 en 6170. Een specifieke staat van instandhouding volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn is in de brongegevens niet beschikbaar.

Wat zijn Subarctische en alpiene dwergwilgenstruwelen?

Het leefgebied omvat door dwergwilgen beheerste sneeuwdal- en sneeuwvlekvegetaties (Snowbed communities) boven de bosgrens, maar buiten de permafrostzone. De kenmerkende Salix-soorten blijven meestal onder de 10 cm hoog en overschrijden slechts bij uitzondering 1,5 m.

Deze dwergstruikheiden komen vooral voor in:

  • boreale en arctisch-alpiene gebergten van Fennoscandinavië
  • de Alpen
  • de Pyreneeën
  • de Karpaten
  • de Kaukasus

Lokaal treden ze ook op in zuidelijke gebergten van de nemorale en warm-gematigde zone. Daar vinden we bijzonder kleine bestanden op plaatsen met extreem laat afsmeltende sneeuw.

De plantengemeenschappen zijn aangepast aan een extreem korte vegetatieperiode en de langdurige sneeuwbedekking. Na de dooi kan de standplaats ’s zomers vrij droog zijn. De humuslaag is dun, de bodem bestaat hoofdzakelijk uit grind of zand. Dwergwilgen voeren de boventoon, mossen en korstmossen spelen een belangrijke rol.

Belangrijk: sneeuwbodemgemeenschappen waarin grassen, kruidachtige planten of enkel mossen domineren, behoren niet tot dit biotooptype. Die worden onder het EUNIS-type E4.1 (Snowbed communities) gerangschikt.

EUNIS-classificatie en plantensociologische indeling

In de EUNIS-habitattypologie is F2.1 onderdeel van de groep alpiene en subarctische dwergstruikheiden. De vegetatie wordt, naargelang substraat en regio, door uiteenlopende verbonden weerspiegeld:

  • Op zuur tot matig zuur gesteente: Salicion herbaceae, Cassiopo-Salicion herbaceae, Salici herbaceae-Caricion lachenalii
  • Op kalkrijke ondergrond: Arabidion caeruleae

De gemeenschappen zijn soortenrijker op kalkhoudende bodems. Er is geen enkele indicatorsoort die alle verschijningsvormen beschrijft – de soortensamenstelling varieert met de geografie en de bodemchemie.

Kenmerkende soorten

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de typische flora-elementen. De selectie is niet volledig, maar illustreert de diversiteit.

SoortgroepTypische soorten (voorbeelden)
DwergstruikenSalix herbacea (Kruipwilg), Salix polaris (Poolwilg), Salix reticulata (Netwilg), Salix retusa (Stompbladige wilg), Salix kitaibeliana (Karpatenwilg)
Kruiden en grassenAlchemilla pentaphyllea, Bistorta vivipara (Knolduizendknoop), Carex firma (Stevige zegge), Carex sempervirens (Steile zegge), Ranunculus glacialis (Gletsjerboterbloem), Sibbaldia procumbens, Arabis caerulea (Blauwe scheefkelk), Silene acaulis (Stengelloze silene), Poa alpina (Alpenbeemdgras), Selaginella selaginoides (Stekende wolfsklauw)
Mossen en levermossenAnthelia juratzkana, Kiaeria starkei, Polytrichastrum alpinum, Sanionia uncinata, Hylocomium splendens, Blepharostoma trichophyllum
KorstmossenCetraria islandica (IJslands mos), Cladonia coccifera, Solorina crocea, Stereocaulon alpinum, Pertusaria spp., Ochrolechia spp.
Dierenwereld (gewervelden)Lemmus lemmus (Berglemming) – het enige gewervelde dier dat in de brongegevens expliciet als kenmerkend wordt genoemd

Tot de IJslandse bijzonderheden behoren verder Phleum alpinum (Alpendoddegras), Pyrola minor (Klein wintergroen) en diverse Taraxacum-soorten.

Verspreiding in Europa

Het type is beperkt tot de grote Europese hooggebergten en hun subarctische voorposten:

  • Fennoscandinavië (boreale en arctisch-alpiene hoogtegordel)
  • Alpen
  • Pyreneeën
  • Karpaten
  • Kaukasus
  • lokale voorkomens in zuidelijke gebergten (nemorale en warm-gematigde zone)
  • IJsland (met een specifiek soortenbestand)

De standplaatscondities – met name de duur van de sneeuwbedekking – zorgen ervoor dat het type in zuidelijker streken slechts fragmentarisch op zeer kleine oppervlakten optreedt.

Bedreiging en Rode Lijst

In de Europese Rode Lijst van habitats (2022) wordt het leefgebied gedifferentieerd beoordeeld:

  • EU28 (27 lidstaten + VK): Near Threatened (Gevoelig)
  • EU28+ (EU28 plus geassocieerde Europese landen): Least Concern (Niet bedreigd)

De precieze bedreigingsoorzaak en de criteria voor de classificatie zijn in de beschikbare brongegevens niet afzonderlijk uitgesplitst. In het algemeen reageert het leefgebied gevoelig op verstoringen die de lange sneeuwbedekking bekorten – bijvoorbeeld door klimaatopwarming, mechanische bodembeschadiging (bijv. door pistenmachines of betreding) of nutriënteninvoer.

Habitatrichtlijn en beschermingsstatus

Het leefgebied is niet als afzonderlijk FFH-habitattype in bijlage I opgenomen. Volgens de actuele EUNIS-FFH-crosswalks geldt echter:

  • FFH-type 6150 (Boreale en alpiene graslanden op silicaatbodems) sluit de F2.1-bestanden in, waar die op silicaatgesteente in dit verband voorkomen.
  • FFH-type 6170 (Alpiene en subalpiene kalkgraslanden) sluit de bestanden op kalk in.

Dit betekent dat het biotooptype indirect beschermd is, voor zover het qua oppervlakte door deze graslandtypen wordt gedekt. Een specifieke, EU-brede staat van instandhouding (artikel 17 van de Habitatrichtlijn) is voor F2.1 in de beschikbare brongegevens niet gedocumenteerd. De staat van instandhouding van de overkoepelende typen 6150 en 6170 wordt in de nationale FFH-rapportages vermeld, maar is niet 1:1 op de dwergwilgenstruwelen over te dragen.

Indicatoren van goede kwaliteit

Een intact Subarctisch en alpien dwergwilgenstruweel vertoont de volgende kenmerken:

  • Dominantie van dwergwilgen – zij bepalen het uiterlijk.
  • Late en langdurige sneeuwbedekking – hoe later het sneeuwvrij worden, des te beter is de gemeenschap aangepast.
  • Aanwezigheid van de karakteristieke soorten – zowel dwergstruiken als bepaalde mossen, korstmossen en kruiden zijn aantoonbaar.

Waar deze parameters niet meer vervuld zijn (bijv. verdringing van de wilgen door hoger groeiende grassen, vroegere sneeuwsmelting), is de habitatkwaliteit aangetast.

Betekenis voor de biodiversiteit

Het dwergwilgen-sneeuwdal is een hotspot van specialisatie. Veel van de hier levende soorten zijn aangepast aan de extreme omstandigheden (korte vegetatieperiode, wisselvochtigheid, intense zonnestraling na de dooi) en komen in andere leefgebieden niet voor. De diversiteit aan mossen en korstmossen is bijzonder hoog. Bovendien dient het als refugium voor alpiene insecten en kleine zoogdieren – niet in de laatste plaats voor de berglemming.

Deze sterk gespecialiseerde levensgemeenschap reageert gevoelig op klimaatveranderingen. Een afname van de sneeuwbedekkingsduur of een opwarming verschuift de concurrentieverhoudingen en kan de wilgen door sneller groeiende soorten vervangen.

FAQ

1. Wat wordt precies verstaan onder F2.1 dwergwilgenstruwelen?
Het gaat om een door dwergwilgen (enkele centimeters tot maximaal 1,5 m hoog) gedomineerd leefgebied in hooggelegen of subarctische sneeuwdalen boven de boomgrens. De dominantie van de wilgen en de lange sneeuwbedekking onderscheiden het van andere alpiene dwergstruikheiden en sneeuwbodems.

2. Waar in Europa komt dit biotooptype voor?
Het komt voor in de grote gebergteketens – van Fennoscandinavië via de Alpen en Pyreneeën tot de Karpaten en de Kaukasus. Kleinschalig treedt het ook op in zuidelijke gebergten en op IJsland.

3. Is het leefgebied beschermd door de Habitatrichtlijn?
Niet als afzonderlijk type, maar de bestanden worden bij de aanwijzing van de FFH-graslandtypen 6150 (silicaatbodems) en 6170 (kalkbodems) meegenomen. Daardoor geniet het doorgaans indirecte bescherming.

4. Waarom is de late sneeuwsmelting zo belangrijk?
Het sneeuwdek beschermt de planten tegen extreme vorst en uitdroging; bovendien verlengt het de fase waarin water beschikbaar is. De hele levensgemeenschap is aangepast aan een vegetatieperiode van slechts enkele weken na het sneeuwvrij worden.

5. Welke diersoort geldt als bijzonder typisch?
In de brongegevens wordt expliciet de berglemming (Lemmus lemmus) als kenmerkend zoogdier genoemd. Daarnaast gebruiken talrijke alpiene insecten en andere kleine zoogdieren het leefgebied.

Bronnen

Häufige Fragen

Wat wordt precies verstaan onder F2.1 dwergwilgenstruwelen?

Het gaat om een door dwergwilgen (enkele centimeters tot maximaal 1,5 m hoog) gedomineerd leefgebied in hooggelegen of subarctische sneeuwdalen boven de boomgrens. De dominantie van de wilgen en de lange sneeuwbedekking onderscheiden het van andere alpiene dwergstruikheiden en sneeuwbodems.

Waar in Europa komt dit biotooptype voor?

Het komt voor in de grote gebergteketens – van Fennoscandinavië via de Alpen en Pyreneeën tot de Karpaten en de Kaukasus. Kleinschalig treedt het ook op in zuidelijke gebergten en op IJsland.

Is het leefgebied beschermd door de Habitatrichtlijn?

Niet als afzonderlijk type, maar de bestanden worden bij de aanwijzing van de FFH-graslandtypen 6150 (silicaatbodems) en 6170 (kalkbodems) meegenomen. Daardoor geniet het doorgaans indirecte bescherming.

Waarom is de late sneeuwsmelting zo belangrijk?

Het sneeuwdek beschermt de planten tegen extreme vorst en uitdroging; bovendien verlengt het de fase waarin water beschikbaar is. De hele levensgemeenschap is aangepast aan een vegetatieperiode van slechts enkele weken na het sneeuwvrij worden.

Welke diersoort geldt als bijzonder typisch?

In de brongegevens wordt expliciet de berglemming (*Lemmus lemmus*) als kenmerkend zoogdier genoemd. Daarnaast gebruiken talrijke alpiene insecten en andere kleine zoogdieren het leefgebied.

Quellen