Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: F3.1Europäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 4060

F3.1 – Laagland- tot montaan temperaat en submediterraan genistoid struweel (Genistoid scrub)

Genistoid scrub (EUNIS F3.1) is een enkele meters hoog struikgewas dat wordt gedomineerd door vlinderbloemigen (Fabaceae) – met name Cytisus, Ulex, Adenocarpus, Genista en Retama. Het groeit vooral op zonnige, droge, voedselarme, zure bodems in de gematigde, submediterrane en mediterrane regio’s van Europa en is doorgaans een secundair stadium dat ontstaat na het verlaten van grasland of heide. Het habitat geldt volgens de Europese Rode Lijst als niet bedreigd (Least Concern).

Einordnung

Originalbezeichnung
Lowland to montane temperate and submediterranean genistoid scrub
EUNIS
F3.1 – Temperate thickets and scrub
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
4060 – Alpine and Boreal heaths

Het belangrijkste in het kort

Genistoid struweel – in het Duits vereenvoudigd Ginstergebüsch genoemd – is een door hoogopgaande vlinderbloemigen gedomineerd, enkele meters hoog struikgewas. Het bepaalt vooral droge, warme, voedselarme standplaatsen in het Atlantische, gematigde, submediterrane en mediterrane Europa. Het habitat is meestal secundair: het vormt een successiestadium tussen grasland of heide en natuurlijke eiken- of beukenbossen. Op de Europese Rode Lijst van biotooptypen staat het als ‘Least Concern’ (niet bedreigd). Een rechtstreekse Annex‑I‑code van de Habitatrichtlijn bestaat niet; de brongegevens verwijzen naar code 4060 (Alpine and Boreal heaths), wat een gedeeltelijke overlap aangeeft, terwijl de verwante oromediterrane ginsterheiden onder 5120 vallen. Informatie over de staat van instandhouding volgens Artikel 17 is in de voorliggende gegevens niet opgenomen.

EUNIS-typering en naam

Het biotooptype heeft in de EUNIS-classificatie code F3.1 en de naam Temperate thickets and scrub. De gedetailleerde eenheid heet Lowland to montane temperate and submediterranean genistoid scrub (EUNIS‑code F3.1c, in de Rode Lijst als RLF3.1c aangeduid). ‘Genistoid’ is afgeleid van het geslacht Genista (gagel) en slaat op het hele spectrum van dominerende ginster- en vlinderbloemigen soorten.

Bedreiging volgens de Europese Rode Lijst

In de actuele Europese Rode Lijst van Habitats (2022) wordt het genistoide struweel zowel voor de EU28 als voor EU28+ (uitgebreid Europa) als Least Concern (LC) – dus niet bedreigd – beoordeeld. De categorisering berust op een overkoepelende inschatting, waarbij aan geen van de specifieke bedreigingscriteria wordt voldaan. Dit betekent niet dat er lokaal geen achteruitgang kan zijn; met name het stopzetten van traditionele begrazing en de daaropvolgende verbossing van open land leiden ertoe dat het habitattype zich juist uitbreidt, terwijl andere waardevolle leefgebieden zoals heiden en schrale graslanden verloren gaan.

Relatie met de Habitatrichtlijn (Annex I)

Het genistoide struweel is niet als afzonderlijk FFH-habitattype in Bijlage I van de Habitatrichtlijn opgenomen. De in de brongegevens aanwezige koppeling met code 4060 – Alpine and Boreal heaths wordt aangeduid met een qualifier (‘#’), wat duidt op een gedeeltelijke of regionale overlap. Typische laagland- en submediterrane verschijningsvormen van F3.1 kunnen evenwel niet onder 4060 worden gerangschikt. Op grotere hoogte in de bergen (montaan tot oromediterraan) vormen lage ginsterheiden met Cytisus oromediterraneus en Echinospartum-soorten een eigen oromediterraan type (F7.4a), dat overeenkomt met het FFH-habitattype 5120 (Mountain Cytisus purgans formations). Voor de hier beschreven eenheid F3.1c zijn geen Artikel‑17-gegevens over de staat van instandhouding beschikbaar (‘niet vermeld in de brongegevens’).

Verspreiding en regionale verschijningsvormen

Het genistoide struweel komt in grote delen van West‑, Zuidwest‑ en Zuid‑Europa voor.

  • Noordwest‑ en Midden‑Europa: Hier is het type betrekkelijk soortenarm. Dominerende soorten zijn bezemstruik (Cytisus scoparius) en – in de Atlantische gebieden – gaspeldoorn (Ulex europaeus). Een karakteristieke begeleider is de parasiet Orobanche rapum‑genistae, die op bezemstruik parasiteert. Zulke bestanden treden vaak op als weidestruweel, op braakliggende terreinen, langs bosranden en op ruderale plaatsen (wegbermen, droge rivierbeddingen).
  • Italië (Sicilië, Calabrië): Hier komt een gemeenschap voor van de endemische brem Adenocarpus brutius (= A. complicatus subsp. brutius) en Cytisus scoparius, begeleid door endemische planten als Viola aethnensis subsp. messanensis. Ze groeit op betrekkelijk zure, mesofiele standplaatsen, waar beuken- of steeneikenbossen de potentiële natuurlijke vegetatie vormen. In Midden-Italië vormt Adenocarpus complicatus subsp. complicatus eigen struwelen.
  • Iberisch Schiereiland: In Spanje en Portugal bereikt het habitat zijn grootste diversiteit. Naargelang van streek, hoogteligging en bodem domineren verschillende hoge bremsoorten. Voorbeelden zijn:
    • Cytisus multiflorus, Cytisus striatus (ondersoorten striatus en eriocarpus), Cytisus bourgaei (= C. scoparius subsp. bourgaei)
    • Genista cinerescens, Genista florida, Genista hispanica subsp. occidentalis, Genista polyantha
    • Adenocarpus argyrophyllus, Adenocarpus telonensis
    • Retama monosperma, Retama sphaerocarpa. Regionaal worden deze formaties aangeduid als retamal (gedomineerd door Retama of Adenocarpus), piornal (gedomineerd door Genista) of escobonal (door grote bezemstruiken zoals Cytisus).
  • Overige vindplaatsen: In Zuidoost‑Frankrijk en andere submediterrane gebieden komen soortenrijke bremstruwelen voor. Voor het zuidoostelijke Balkanschiereiland is de syntaxonomische plaatsing nog niet definitief opgehelderd.

Bijna alle gemeenschappen worden tot de klasse Cytisetea scopario-striati gerekend, hoewel Cytisus scoparius en Ulex europaeus soms ook in heidegemeenschappen (Calluno-Ulicetea) of in sleedoornstruwelen (Rhamno-Prunetea) voorkomen.

Afgrenzing ten opzichte van andere biotooptypen

Genistoid struweel is duidelijk te onderscheiden van andere EUNIS‑typen waarin bremsoorten weliswaar vaak aanwezig zijn maar niet de structuur bepalen:

  • Atlantische duinstruwelen (B1.6a): Hier kunnen Cytisus scoparius en Ulex europaeus voorkomen, maar ze worden als onderdeel van het duinhabitat beschouwd.
  • Heiden en rotsvegetatie: Afzonderlijke struiken in heiden (bv. Ulex europaeus f. maritimus op rotskusten) blijven tot het betreffende heidetype behoren. Pas wanneer de struiklaag vrijwel gesloten en hoog is, is sprake van F3.1c.
  • Oromediterrane ginsterheiden (F7.4a): Lage bestanden met Cytisus oromediterraneus en Echinospartum in de subalpiene tot oromediterrane zone, evenals de lage Genista hispanica subsp. occidentalis-struwelen van de klasse Festuco hystricis-Ononidetea striata, worden apart als F7.4a genoteerd (komt overeen met FFH 5120).

Standplaats en ecologie

Het habitat bezet zonnige, droge, voedselarme en overwegend zure bodems; bij uitzondering kunnen ook meer basische moedermaterialen gekoloniseerd worden. Bepalend voor het succes van de bremsoorten zijn:

  • Wortelknolletjes met Rhizobiumbacteriën, die stikstof uit de lucht binden en daarmee de planten een concurrentievoordeel geven op voedselarme ruwe bodems.
  • Snelle kieming op braakgrond, na branden of op verlaten cultuurgrond.
  • Pionierskarakter: genistoid struweel is overwegend een successiestadium op de weg naar bos, vooral naar eikensoorten (Quercus pyrenaica, Q. suber, Q. rotundifolia) of, in vochtiger gebieden, naar Q. robur, Q. petraea en beuk (Fagus sylvatica).

Op extreem ondiepe rotsbodems, bijvoorbeeld in rotsspleten, kan het ook een primair, blijvend struweel vormen. In Spanje, Portugal en Frankrijk treedt het bovendien veel op als post-fire vegetatie na bosbranden.

Betekenis voor de biodiversiteit

Ondanks het vaak geringe aantal soorten van de dominante bestanden in Noordwest-Europa herbergt het genistoide struweel regionaal opmerkelijke begeleidende soorten:

  • Parasieten: Orobanche rapum-genistae is in Noordwest-Europa een kwaliteitsindicator.
  • Endemische soorten: Op het Iberisch Schiereiland en in Italië komen veel tot de bremheiden beperkte ondersoorten van struiken en kruiden voor, zoals Genista cinerea subsp. speciosa, Cytisus ingramii, Dianthus pinifolius, Teucrium salviastrum, Silene frivaldszkyana.
  • Insecten en vogels: Open, structuurrijke struwelen in mozaïek met schrale graslanden of heiden zijn waardevolle leefgebieden voor warmteminnende ongewervelden en op de grond broedende vogelsoorten.

Kwaliteitskenmerken en staat van instandhouding

Hoewel de Rode Lijst het type als niet bedreigd kwalificeert, kan de ecologische kwaliteit ook binnen beschermde gebieden worden beoordeeld. Als indicatoren voor een goede kwaliteit gelden:

  • Betrekkelijk open struweel in samenhang met andere, schrale biotopen (schrale graslanden, heiden).
  • Aanwezigheid van endemische struiksoorten – vooral op het Iberisch Schiereiland en in Italië.
  • Voorkomen van Orobanche rapum-genistae (in Noordwest-Europa).
  • Afwezigheid van bomen – het habitat mag niet te sterk verbossen en tot bos ontwikkelen.

De basisgegevens over bedreigingsfactoren, herstelaanwijzingen en landenlijsten zijn in de voorliggende EEA-gegevens niet opgenomen (‘niet vermeld in de brongegevens’).

Omgaan met bremstruwelen in tuin en gemeente

Bremsoorten zoals Cytisus scoparius of Ulex europaeus zijn als sierplant en pionier geliefd. Het natuurlijke genistoide struweel is echter een complexe, vaak regionaal typische vegetatiestructuur die zich in de tuin niet een-op-een laat nabootsen. Wie standplaatsheemse brem op droge, voedselarme plekken plant, schept waardevolle structuren voor insecten, maar mag dat niet met het habitattype verwarren. In gemeenten kan een gedoseerd openhouden van struweelvrije zones bijdragen aan het behoud van de waardevolle mozaïeken tussen schrale graslanden en bremheiden en een vlakdekkende verbossing tegengaan.

Overzicht van typische plantensoorten

De volgende tabel toont een selectie karakteristieke vaatplanten, ingedeeld naar geslacht en met regionale nadruk. Alle gegevens zijn afkomstig uit de officiële EUNIS-beschrijving.

GeslachtSoort (selectie)Regionale betekenis
CytisusCytisus scoparius (bezemstruik)Gehele verspreidingsgebied
CytisusCytisus multiflorus, C. striatus, C. bourgaeiIberisch Schiereiland
UlexUlex europaeus (gaspeldoorn)Atlantische regio's
GenistaGenista florida, G. cinerescens, G. polyantha, G. hispanica ssp. occidentalisIberisch Schiereiland
AdenocarpusAdenocarpus brutius, A. complicatus, A. telonensis, A. argyrophyllusItalië, Iberisch Schiereiland, Zuid-Frankrijk
RetamaRetama monosperma, R. sphaerocarpaIberisch Schiereiland
BegeleiderOrobanche rapum-genistaeNoordwest-Europa
BegeleiderDianthus pinifolius, Teucrium salviastrum, Silene frivaldszkyanaZuidoost-Europa, Iberië

FAQ

1. Wat wordt verstaan onder ‘genistoid struweel’?

Genistoid scrub is een struweel dat gedomineerd wordt door vlinderbloemigen uit de geslachten Cytisus, Ulex, Adenocarpus, Genista en Retama. De EUNIS-code is F3.1, de gedetailleerde eenheid F3.1c.

2. Is dit bremstruweel in Europa bedreigd?

Volgens de Europese Rode Lijst van Habitats (2022) is het biotooptype beoordeeld als Least Concern (LC), dus momenteel niet bedreigd.

3. Behoort het habitat tot de beschermde FFH-habitattypen?

F3.1c is niet als zelfstandig FFH-habitattype opgenomen. Er is alleen een gedeeltelijke overlap met code 4060 (Alpine and Boreal heaths).

4. Waar komt genistoid struweel voor?

Het groeit in het gematigde, submediterrane en mediterrane Europa, van Noordwest- en Midden-Europa via Frankrijk en het Iberisch Schiereiland tot Italië en de Balkan. In de brongegevens is geen volledige landenlijst opgenomen.

5. Hoe herken je een kwalitatief hoogwaardige bestand?

Goede kwaliteit uit zich in open, ijl gestructureerde bestanden in mozaïek met andere schrale leefgebieden, in de aanwezigheid van endemische struiksoorten en – in Noordwest-Europa – in het voorkomen van de parasiet Orobanche rapum-genistae. Bomen dienen te ontbreken.

Häufige Fragen

Wat wordt verstaan onder ‘genistoid struweel’?

Genistoid scrub is een struweel dat gedomineerd wordt door vlinderbloemigen uit de geslachten Cytisus, Ulex, Adenocarpus, Genista en Retama. De EUNIS-code is F3.1, de gedetailleerde eenheid F3.1c.

Is dit bremstruweel in Europa bedreigd?

Volgens de Europese Rode Lijst van Habitats (2022) is het biotooptype beoordeeld als Least Concern (LC), dus momenteel niet bedreigd.

Behoort het habitat tot de beschermde FFH-habitattypen?

F3.1c is niet als zelfstandig FFH-habitattype opgenomen. Er is alleen een gedeeltelijke overlap met code 4060 (Alpine and Boreal heaths).

Waar komt genistoid struweel voor?

Het groeit in het gematigde, submediterrane en mediterrane Europa, van Noordwest- en Midden-Europa via Frankrijk en het Iberisch Schiereiland tot Italië en de Balkan. In de brongegevens is geen volledige landenlijst opgenomen.

Hoe herken je een kwalitatief hoogwaardige bestand?

Goede kwaliteit uit zich in open, ijl gestructureerde bestanden in mozaïek met andere schrale leefgebieden, in de aanwezigheid van endemische struiksoorten en – in Noordwest-Europa – in het voorkomen van de parasiet Orobanche rapum-genistae. Bomen dienen te ontbreken.

Quellen