Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: F6.7Europäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 1520

Mediterraan gipsstruikgewas (EUNIS F6.7) – Leefgebied van zeldzame gipsplanten

Het mediterrane gipsstruikgewas (EUNIS-code F6.7) is een open struikgewas-habitat op gipsrijke bodems in een droog mediterraan klimaat. Het herbergt veel endemische gipsplanten en is als prioritair habitattype opgenomen in Bijlage I van de Habitatrichtlijn.

Einordnung

Originalbezeichnung
Mediterranean gypsum scrub
EUNIS
F6.7 – Mediterranean gypsum scrubs
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
1520 – * Iberian gypsum vegetation (Gypsophiletalia)

Het belangrijkste in het kort

Het mediterrane gipsstruikgewas (EUNIS F6.7) is een uniek habitattype in het droge, mediterrane klimaat. Het groeit op gipsbodems – de zogenaamde Gypsisols – en wordt gekenmerkt door lage struiken, een harde korstmossenkorst en kortlevende voorjaarsbloeiers. Door de extreme bodem- en klimaatomstandigheden komen hier tal van gespecialiseerde planten (gipsplanten, gypsophyten) voor, waarvan er veel alleen op het Iberisch Schiereiland voorkomen. Ondanks zijn onopvallende uiterlijk is dit leefgebied een hotspot van biodiversiteit en daarom beschermd als prioritair habitattype in Bijlage I van de Habitatrichtlijn (code 1520). Op Europees niveau staat het volgens de Rode Lijst van habitattypen te boek als ‘niet bedreigd’ (Least Concern), maar lokaal lijdt het onder stortingen, winning en misplaatste bebossing.

Wat is mediterraan gipsstruikgewas?

Onder mediterraan gipsstruikgewas verstaan we open, lage struikformaties op gipsrijke sedimentgesteenten. De vakterm is ‘Mediterranean gypsum scrub’. De bodems – in de FAO-classificatie Gypsisols – worden gedomineerd door wateroplosbaar gips (calciumsulfaat) en staan in het Spaans bekend als aljezares (van het Arabische aljez = gips). Deze bodems zijn ontstaan in het Trias, Oligoceen en Mioceen en vormen nu ijle, schrale groeiplaatsen die alleen door hoog gespecialiseerde planten kunnen worden gekoloniseerd.

Typische structuur

Het leefgebied valt uiteen in drie hoofdelementen:

  1. Chamaefytisch struikgewas – zeer lage struiken (5–60 cm) met een geringe bodembedekking (open formatie).
  2. Korstmossenkorst – een dichte, harde korst van bodemkorstmossen die de open bodem tussen de struiken bedekt.
  3. Therofytengemeenschap – een snel vergankelijke gemeenschap van eenjarige planten die na regenrijke voorjaren in de vroege zomer de open plekken opvult.

Deze stabiele structuur verandert onder natuurlijke omstandigheden nauwelijks, omdat de extreme droogte, de bodemeigenschappen en de helling een verdere ontwikkeling naar dichtere struwelen (macchia met jeneverbes en kermeseik) of hoge graslanden (bijv. Macrochloa tenacissima, Brachypodium retusum) sterk afremmen. Matige begrazing door schapen kan dit zelfs bevorderen doordat verbossing wordt onderdrukt.

EUNIS-classificatie en relatie met de Habitatrichtlijn

CriteriumClassificatie
EUNIS-codeF6.7
EUNIS-naamMediterranean gypsum scrubs
FFH-code (Bijlage I)1520
FFH-naam* Iberian gypsum vegetation (Gypsophiletalia)
Prioritair belangJa (aangegeven met een sterretje *)

De EUNIS-typologie plaatst het leefgebied onder F6.7 (‘Mediterranean gypsum scrubs’). De Habitatrichtlijn voert het op als ‘Iberische gipsvegetatie (Gypsophiletalia)’ met code 1520, die als prioritair is aangemerkt – dat betekent dat de Europese Unie er een bijzondere beschermingsverantwoordelijkheid aan toekent.

Verspreiding in Europa

Het zwaartepunt van het voorkomen van het mediterrane gipsstruikgewas ligt in de centrale en zuidoostelijke delen van het Iberisch Schiereiland, waar uitgestrekte gipsontsluitingen in extreem droog klimaat bestaan. De hoogste dichtheid aan endemische soorten bevindt zich in het zuidoosten (provincies Almería, Murcia en Alicante), terwijl de noordelijke vindplaatsen in het Ebro-bekken wat armer aan soorten zijn.

Binnen de EU28 bestaan er kleine, geïsoleerde vindplaatsen op Sicilië en Cyprus. Daarbuiten komt het type ook in Noord-Afrika voor.

Exacte biogeografische regio’s of landenlijsten zijn niet in de voorliggende brongegevens vermeld; de beschrijving steunt op de typering in de European Red List van 2022.

Bedreigingen en beschermingsstatus

Europese Rode Lijst van habitattypen

Volgens de Europese Rode Lijst van habitattypen (EU28 en EU28+) staat het leefgebied F6.7 in de categorie ‘Least Concern’ (niet bedreigd). Dat wil zeggen dat er op Europees niveau geen acute bedreiging voor het totale areaal bestaat. Lokale populaties ondervinden echter sterke druk door diverse invloeden (zie hieronder). De beoordelingscriteria zijn in de brongegevens niet gedetailleerd vermeld.

Staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de Habitatrichtlijn

Over de officiële staat van instandhouding volgens Artikel 17 zijn in de voorliggende gegevens geen specifieke uitspraken gedaan. Via de EEA-database of nationale rapportages kan de status voor de betrokken lidstaten worden opgezocht.

Wettelijke bescherming

De aanwijzing als prioritair habitattype (FFH-code 1520) verplicht de EU-lidstaten beschermde gebieden in te stellen en de gunstige staat van instandhouding te handhaven of te herstellen. De nationale uitwerking verschilt.

Karakteristieke soorten en biodiversiteit

De plantenwereld van het gipsstruikgewas valt grofweg in twee groepen uiteen:

  • Gypsophyten (gipsplanten): strikt aan gipsbodems gebonden soorten, waaronder veel smal-endemische planten die alleen op het Iberisch Schiereiland of zelfs slechts in één regio voorkomen.
  • Basifiele begeleiders: wijdverbreide planten die ook op andere basische bodems gedijen, zoals rozemarijn (Rosmarinus officinalis) en verschillende tijmsoorten (Thymus spp.).

Daarnaast komen mossen voor, een opvallende korstmossenkorst en zelfs een endemisch korstmos, Diplotomma rivas-martinezii.

Selectie van typische gipsplanten (gypsophyten)

Wetenschappelijke naamEndemismeGroeivorm / Bijzonderheid
Helianthemum squamatumwijd (ook Noord-Afrika)kensoort, overblijvend
Lepidium subulatumwijd (ook Noord-Afrika)veel in de korstmossenkorst
Ononis tridentatawijd (meerdere ondersoorten)verschillende endemische ondersoorten
Gypsophila struthiumIberisch Schiereiland (**)overblijvend gipskruid
Herniaria fruticosaIberisch Schiereiland (**)kussenvormende halfheester
Helianthemum alypoidesIberisch Schiereiland (**)verwant van het zonneroosje
Santolina viscosaIberisch Schiereiland (**)heiligenbloem
Boleum asperumIberisch Schiereiland (**)kruisbloemige
Centaurea hyssopifoliaIberisch Schiereiland (**)centaurie
Ferula loscosiiIberisch Schiereiland (**)reuzenvenkel
Teucrium lepicephalumIberisch Schiereiland (**)gamander
Teucrium libanitisIberisch Schiereiland (**)gamander
Limonium lobetanicumIberisch Schiereiland (**)lamsoor
Reseda suffruticosaIberisch Schiereiland (t**)eenjarige reseda
Chaenorhinum grandiflorum subsp. grandiflorumIberisch Schiereiland (t**)eenjarig leeuwenbekje

(**) = smal endemisch op het Iberisch Schiereiland, vaak slechts regionaal; t = therofyt (eenjarig)

Naast de gypsophyten komen onder meer de volgende niet specifiek aan gips gebonden soorten vaak voor: Brachypodium retusum (kortarige kortsteel), Genista scorpius (schorpioenbrem), Helianthemum syriacum, Lithodora fruticosa, Rosmarinus officinalis (rozemarijn) en Thymus vulgaris (echte tijm).

Mossen en korstmossen

De moslaag omvat droogteminnende soorten zoals Aloina aloides, Crossidium crassinerve en Trichostomum crispulum. De korstmossenkorst is bijzonder karakteristiek en bestaat uit bodemkorstmossen, bijvoorbeeld: Acarospora placodiiformis, Acarospora reagens, Diploschistes diacapensis, Fulgensia desertorum, Psora decipiens, Squamarina lentigera en Toninia sedifolia. Het endemische korstmos Diplotomma rivas-martinezii komt uitsluitend in dit leefgebied voor.

Kenmerken van een intact leefgebied (kwaliteitsindicatoren)

Een goede kwaliteit van het gipsstruikgewas blijkt volgens de European Red List uit de volgende kenmerken (regionale verschillen mogelijk):

  • Aanwezigheid van gypsophyten, vooral endemische en bedreigde soorten
  • Lage struikhoogte (5–60 cm)
  • Geringe bedekking door houtige gewassen en open, ijle bestanden
  • Hoog aandeel open bodem met een intacte korstmossenkorst
  • Geringe bedekkingsgraad van hoog opschietende grassen en binnendringende struiken
  • Afwezigheid van dichte verbossing (bijv. dominantie van Brachypodium retusum) of van dennenbebossing

Bedreigingen en oorzaken van achteruitgang

Hoewel het habitattype als geheel als ‘Least Concern’ geldt, zijn er duidelijke lokale verliezen en aantastingen. Uit de voorliggende bronnen komen de volgende bedreigingen naar voren:

  1. Stortplaatsen en afvaldump: wegens de geringe landbouwkundige geschiktheid en het schrale uiterlijk zijn gipslocaties vaak als vuilnisbelt gebruikt.
  2. Windturbines: op de schaars begroeide terreinen worden windparken aangelegd, met gevolgen voor bouw, ontsluiting en fundering.
  3. Gipswinning: de directe exploitatie van de grondstof gips vernietigt de bestaansbasis van de gespecialiseerde soorten.
  4. Bebossing met dennen: na de inwerkingtreding van de Habitatrichtlijn zijn er meerdere pogingen geweest om de terreinen te bebossen met Aleppodennen (Pinus halepensis). Deze mislukten meestal door de extreme bodem- en klimaatomstandigheden, maar beschadigden desondanks de kwetsbare vegetatie.
  5. Stopzetten van traditionele beweiding: matige schapenbeweiding kan de natuurlijke openheid behouden. Bij volledige stopzetting kan verbossing door hoog gras en struiken optreden.

De geringe publieke waardering – het leefgebied oogt onopvallend en bar – vormt een indirect gevaar, omdat het in de ruimtelijke ordening vaak over het hoofd wordt gezien.

Betekenis voor tuin en gemeente

Dit habitattype komt in Midden-Europa niet voor en kan in een tuin niet nagebootst worden. De betekenis voor gemeenten ligt eerder in het begrip voor de natuur: mediterrane gipslocaties vormen een voorbeeld van extreme leefgebieden met hoog gespecialiseerde biodiversiteit. In landen als Spanje moeten bestemmingsplannen en grondgebruikbeslissingen rekening houden met de prioritaire beschermingsstatus van dit biotooptype. Lokale projecten in Spaanse gemeenten kunnen informatieborden of bezoekersgeleiding omvatten om vernieling door illegale dump te voorkomen – zonder dat het leefgebied zelf als tuin- of parkelement wordt gebruikt.

Onderzoek en verbanden met andere droge gebieden

Een interessant aspect is de lichenologische verwantschap met Centraal-Azië en het Nabije Oosten. Meerdere korstmossen van het Europese gipsstruikgewas hebben een ruime verspreiding in de aride gebieden van die regio’s. Men vermoedt dat dit teruggaat op het uitdrogen van de Middellandse Zee in het Messinien (Laat-Mioceen), toen landbruggen verspreiding mogelijk maakten.

Bronnen

  1. Europese Milieuagentschap (EEA) – Europese Rode Lijst van habitattypen (2022): EEA data- en kaartenportaal
  2. EEA Datashare – verspreidingsgegevens en bedreigingsanalyses: SDI-Datashare
  3. EUNIS Habitat Classification: F6.7 Mediterranean gypsum scrubs
  4. EUNIS Code Browser Red List: F6.7
  5. Artikel-17-gegevens (FFH) – algemene toegang: EEA Artikel 17
  6. Habitatrichtlijn op EU-niveau: Environment.ec.europa.eu

Häufige Fragen

Wat is de EUNIS-code F6.7?

De EUNIS-code F6.7 staat voor het Mediterrane gipsstruikgewas (‘Mediterranean gypsum scrubs’) – een open struikgewas-habitat op gipsrijke bodems in een droog mediterraan klimaat.

Is het mediterrane gipsstruikgewas bedreigd?

Volgens de Europese Rode Lijst van habitattypen (EU28 en EU28+) geldt het habitattype als ‘Least Concern’ (niet bedreigd). Lokaal staat het echter onder druk door afvalstort, windturbines, gipswinning en misplaatste bebossing. Bovendien is het als prioritair habitattype (FFH 1520) extra beschermd.

Welke planten zijn kenmerkend voor het gipsstruikgewas?

Kenmerkend zijn zogenaamde gypsophyten (gipsplanten) zoals Helianthemum squamatum, Lepidium subulatum, Ononis tridentata en Gypsophila struthium. Veel soorten zijn strikt tot het Iberisch Schiereiland beperkt (endemisch). Begeleidend komen niet aan gips gebonden soorten voor zoals rozemarijn en tijm.

Waar komt het habitattype F6.7 in Europa voor?

Het zwaartepunt ligt in de centrale en zuidoostelijke delen van het Iberisch Schiereiland (Spanje), met kleine vindplaatsen op Sicilië en Cyprus. Buiten de EU komt het ook in Noord-Afrika voor.

Waarom is de Iberische gipsvegetatie een prioritair FFH-habitattype?

De aanwijzing als prioritair (Bijlage I, code 1520*) is ingegeven door het grote aantal endemische planten, de extreme specialisatie op gipsbodems en de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de EU voor dit leefgebied.

Quellen