Fotofiele algengemeenschappen zonder kroonvormende algen in het mediterrane infralitoraal en bovenste circalitoraal – habitat, bedreiging en bescherming
Dit mariene biotooptype omvat soortenrijke, struik- en matvormige algengemeenschappen op rotsbodem in de ondiepe tot matig diepe Middellandse Zee (infralitoraal tot bovenste circalitoraal). Hij is extreem divers – op slechts 400 cm² kunnen tot 110 soorten voorkomen – en de planten bereiken maximaal 20 cm hoogte. Grote, dakvormende zeewierbossen ontbreken. Rode-Lijstcategorie: Data Deficient (gegevens ontoereikend). FFH-bijlage I: 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen) en 1170 (Riffen).
Einordnung
- Originalbezeichnung
- Photophilic communities without canopy-forming algae in Mediterranean infralittoral and upper circalittoral rock
- EUNIS
- MB151; MC15
- EU-28
- Data Deficient
- EU-28+
- Data Deficient
- FFH-Anhang I
- 1160; 1170 – Large shallow inlets and bays; Reefs
Fotofiele algengemeenschappen zonder kroonvormende algen in het mediterrane infralitoraal en bovenste circalitoraal
Het belangrijkste in het kort
Deze habitat omvat de algenrijke, maar laagblijvende (< 20 cm) plantengemeenschappen op rotsbodems van de Middellandse Zee, waarin grote, overschaduwende zeewierbossen (zogenoemde kroonvormende algen) ontbreken. Hij strekt zich uit van het bovenste infralitoraal tot in het bovenste circalitoraal. De samenstelling is uiterst variabel en reageert gevoelig op licht, begrazing, nutriëntenaanvoer en verstoringen. Ondanks een hoge soortenrijkdom – tot 110 soorten op 400 cm² – classificeert de Europese Rode Lijst van habitats dit type als “Data Deficient” (gegevens ontoereikend). De biotoop is beschermd via twee FFH-habitattypen, maar in de beschikbare brongegevens ontbreekt een actuele staat van instandhouding volgens Artikel 17.
Wat schuilt er achter de EUNIS-codes MB151 en MC15?
De Europese natuurdatabank EUNIS voert dit biotooptype onder de codes MB151 en MC15. Het gaat om puur fotofiele (lichtminnende) algengemeenschappen op rotsen, zonder een dichte, overschaduwende kroonlaag van grote bruinwieren van de geslachten Cystoseira of Sargassum. In plaats daarvan domineren struik- en matvormende macroalgen, samen met inkorsterende ongewervelden en epifyten. De vegetatie blijft geminiaturiseerd en overschrijdt zelden 20 cm hoogte.
Kenmerkend is een hoge bedekkingsgraad van de struik- en matlaag, die in deze lichte bestanden vaak groter is dan in habitats die door kroonvormende algen worden gedomineerd. Op een zeer klein oppervlak kan een enorme biologische diversiteit ontstaan: in een vierkant van slechts 20 × 20 cm werden al 110 verschillende soorten aangetroffen – een uitzonderlijke waarde voor de gematigde mariene habitats van Europa.
Typische soorten en ecologische kenmerken
De soortensamenstelling varieert sterk naargelang diepte, waterbeweging, substraat, nutriëntenbeschikbaarheid, temperatuur en vraatdruk. De volgende groepen bepalen het uiterlijk (selectie):
| Groep | Veel voorkomende en karakteristieke soorten |
|---|---|
| Roodwieren (Rhodophyta) | Corallina elongata, Peyssonnelia squamaria, Asparagopsis armata, Asparagopsis taxiformis, Lithophyllum incrustans, Pterothamnion crispum, Compsothamnion thuyoides, Jania rubens, Laurencia obtusa |
| Bruinwieren (Phaeophyta) | Padina pavonica, Dictyota dichotoma, Dictyota mediterranea, Halopteris scoparia, Cladostephus spongiosus, Stypopodium schimperi, Lobophora variegata, Taonia atomaria |
| Groenwieren (Chlorophyta) | Codium bursa, Flabellia petiolata, Acetabularia acetabulum, Caulerpa prolifera, Dasycladus vermicularis |
| Ongewervelden (typische begeleiders) | Crambe crambe (spons), Paracentrotus lividus (gewone zeeappel), Arbacia lixula (zwarte zeeappel), Echinaster sepositus (rode stekelzeester), Holothuria tubulosa (zeekomkommer), Bittium reticulatum (buikpotige slak) |
| Vissen (frequente gebruikers) | Sarpa salpa (goudstreepte zeebrasem), Labrus merula (bruine lipvis), Coris julis (gewone regenbooglipvis), Epinephelus marginatus (bruine tandbaars), Diplodus vulgaris (zwartstaartzeebrasem), Symphodus tinca (pauwlipvis) |
Afhankelijk van de lokale milieuomstandigheden vormen de genoemde soorten karakteristieke subeenheden (biotopen), bv. Padina pavonica-gedomineerde bestanden in ondiepe, beschutte baaien, Corallina elongata-matten aan geëxponeerde rotskusten of Halopteris scoparia-gezelschappen in dieper, goed belicht noordelijk Middellands Zeegebied.
Waar in Europa komt deze habitat voor?
Het biotooptype is uitsluitend toegewezen aan de mediterrane biogeografische regio, d.w.z. de Middellandse Zee en de aangrenzende kustzones. Concrete landenlijsten worden in de gebruikte Europese brongegevens niet genoemd. De habitat koloniseert rotsbodem vanaf het bovenste infralitoraal (zone onder de laagwaterlijn die nog voldoende licht ontvangt voor benthische algen) tot in het bovenste circalitoraal, waar het licht geleidelijk afneemt.
Typische standplaatsen zijn:
- Ondiepe, zonnige, beschutte baaien (vaak met Padina pavonica)
- Beschaduwde, matig geëxponeerde rotswanden (bv. met Pterothamnion crispum)
- Brandingszones met sterke mechanische belasting (met Corallina elongata)
- Noordelijke rotsbodems op 10–25 m diepte (met Halopteris scoparia)
Bedreiging en beschermingsstatus: Rode Lijst en FFH-richtlijn
Europese Rode Lijst van habitats
De beoordeling voor de EU28 en EU28+ resulteert voor dit type in de categorie Data Deficient (DD) – gegevens ontoereikend. Er zijn onvoldoende dekkingsgegevens voorhanden om een indeling in een bedreigingscategorie te kunnen maken. Factoren die tot een bedreiging kunnen leiden, zijn af te leiden uit de ecologische dynamiek, maar niet opgenomen in een specifieke lijst van bedreigingen in de bron.
FFH-richtlijn (Bijlage I)
Via twee Bijlage I-codes wordt de habitat indirect beschermd:
- 1160 – Grote ondiepe baaien en zeearmen (Large shallow inlets and bays)
- 1170 – Riffen (Reefs)
Beide habitattypen omvatten ook fotofiele algengemeenschappen zonder kroonvormende algen, mits ze op rotsbodem in de overeenkomstige geomorfologische structuren voorkomen.
Staat van instandhouding volgens Artikel 17
In de beschikbare brongegevens is geen staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de FFH-richtlijn vermeld. Dit betekent niet dat er geen rapportageverplichting bestaat, maar dat in de gebruikte databank (European Red List of Habitats – EEA 2022) geen Art. 17-aanduiding voor dit specifieke biotooptype gekoppeld is.
Kwaliteitsindicatoren en menselijke invloed
De ecologische toestand van deze algengemeenschappen reageert zeer gevoelig op antropogene verstoringen. Aan de hand van verschuivingen in het soortenspectrum kunnen verslechteringen vroegtijdig worden herkend:
Tekenen van achteruitgang:
- Terugloop van de typische structuurvormende soorten
- Toename van opportunistische, snelgroeiende algen (bv. Ulva spp., Cladophora spp., Acinetospora spp.)
- Dominantie van stressbestendige korstvormende roodwieren zoals Lithophyllum incrustans
- Invasie van uitheemse soorten (bv. Caulerpa cylindracea, Asparagopsis taxiformis, Siganus luridus)
- In ondiepe zones verdringing van algen door mosselen bij sterke belasting met zwevende organische stof
Natuurlijke stuurgrootheden:
- Hoge dichtheden van de gewone zeeappel Paracentrotus lividus kunnen de algenvegetatie zo intensief begrazen dat structuurarme, bijna kale vlakten (“zeeappelwoestijnen”) ontstaan.
- Ook plantenetende vissen zoals de goudstreepte zeebrasem (Sarpa salpa) of ingevoerde konijnenvissoorten (Siganus spp.) beïnvloeden de soortsamenstelling aanzienlijk.
Een intacte habitat vertoont een hoge diversiteit aan meerjarige, structuurgevende algen en een rijke inventaris aan begeleidende fauna.
Betekenis voor de biodiversiteit
Naast de puur botanische diversiteit dient het struik- en matvormende algenbestel ontelbare dieren als schuilplaats, voedselbron en hechtingssubstraat. Kreeftachtigen, weekdieren, stekelhuidigen en jonge vissen profiteren van de driedimensionale structuur. Vooral economisch interessante soorten zoals de bruine tandbaars (Epinephelus marginatus) of diverse zeebrasems (Diplodus spp.) gebruiken deze zones als kinderkamer.
Voor de Middellandse Zee is dit habitattype daarom een centraal bouwblok van sublitorale rotsecosystemen, ook al oogt het in vergelijking met grote zeewierbossen onopvallender.
Kan deze habitat in een tuin of op het land worden nagebootst?
De biotoop is een puur mariene rotshabitat en kan op het land niet worden nagebouwd. Zelfs in zoutwateraquaria is een exacte replicatie van de complexe interacties tussen hydrodynamica, licht, begrazing en nutriëntengradiënten niet 1:1 haalbaar. De beschrijving dient ter indeling in de Europese natuurbescherming en om bewustwording te creëren voor de kwetsbare onderwaterlandschappen van de Middellandse Zee.
Veelgestelde vragen (FAQ)
1. Wat betekent "fotofiele gemeenschappen zonder kroonvormende algen"?
Het gaat om lichtminnende algengemeenschappen op rotsbodems, waarin grote, overschaduwende bruinwieren ontbreken. In plaats van een gesloten kroondak groeien struik- en matvormende macroalgen, die maximaal 20 cm hoogte bereiken. De benaming volgt de EUNIS-classificatie en wordt gebruikt in het kader van de Europese Rode Lijst van habitats.
2. Is deze habitat in Europa bedreigd?
De officiële indeling van de Europese Rode Lijst luidt Data Deficient (gegevens ontoereikend), zodat een betrouwbare afleiding van een bedreigingscategorie niet mogelijk is. Experts weten echter dat overbegrazing door zeeappels, uitheemse soorten, eutrofiëring en mechanische schade de bestanden lokaal sterk kunnen veranderen. In de beschikbare brongegevens is geen gestandaardiseerde lijst van bedreigingen opgenomen.
3. Onder welke FFH-codes valt het biotooptype?
Het valt onder de Bijlage I-habitattypen 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen) en 1170 (Riffen). Beide omvatten fotofiele algengemeenschappen op rotsen, voor zover die binnen hun definities voorkomen.
4. Welke factoren beïnvloeden de samenstelling van deze algengemeenschappen?
Lichtbeschikbaarheid, hydrodynamica, nutriëntenconcentratie, substraattype, sedimentatie, temperatuur, zoutgehalte, vraatdruk (zeeappels, plantenetende vissen), predatie en verstoringsfrequentie behoren tot de belangrijkste stuurgrootheden. De precieze soortencombinatie kan daardoor al over enkele meters aanzienlijk veranderen.
5. Komt deze habitat alleen in de Middellandse Zee voor?
Ja, volgens de brongegevens is hij uitsluitend toegewezen aan de mediterrane biogeografische regio. Er zijn geen aanwijzingen voor een voorkomen in andere Europese zeegebieden.
Bronnen
Häufige Fragen
Wat betekent "fotofiele gemeenschappen zonder kroonvormende algen"?
Het gaat om lichtminnende algengemeenschappen op rotsbodems, waarin grote, overschaduwende bruinwieren ontbreken. In plaats van een gesloten kroondak groeien struik- en matvormende macroalgen, die maximaal 20 cm hoogte bereiken. De benaming volgt de EUNIS-classificatie en wordt gebruikt in het kader van de Europese Rode Lijst van habitats.
Is deze habitat in Europa bedreigd?
De officiële indeling van de Europese Rode Lijst luidt Data Deficient (gegevens ontoereikend), zodat een betrouwbare afleiding van een bedreigingscategorie niet mogelijk is. Experts weten echter dat overbegrazing door zeeappels, uitheemse soorten, eutrofiëring en mechanische schade de bestanden lokaal sterk kunnen veranderen. In de beschikbare brongegevens is geen gestandaardiseerde lijst van bedreigingen opgenomen.
Onder welke FFH-codes wordt het biotooptype beschermd?
Hij valt onder de Bijlage I-habitattypen 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen) en 1170 (Riffen). Beide omvatten fotofiele algengemeenschappen op rotsen, voor zover die binnen hun definities voorkomen.
Welke factoren beïnvloeden de samenstelling van deze algengemeenschappen?
Lichtbeschikbaarheid, hydrodynamica, nutriëntenconcentratie, substraattype, sedimentatie, temperatuur, zoutgehalte, vraatdruk (zeeappels, plantenetende vissen), predatie en verstoringsfrequentie behoren tot de belangrijkste stuurgrootheden. De precieze soortencombinatie kan daardoor al over enkele meters aanzienlijk veranderen.
Komt deze habitat alleen in de Middellandse Zee voor?
Ja, volgens de brongegevens is hij uitsluitend toegewezen aan de mediterrane biogeografische regio. Er zijn geen aanwijzingen voor een voorkomen in andere Europese zeegebieden.