Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MC534; MC5341; MC535; MC5351; MC536Europäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 1110; 1160

Infaunale gemeenschappen van het Baltische bovenste circalittoraal op zand – niet gedomineerd door schelpdieren (EUNIS MC534–MC536)

Infaunale gemeenschappen van het Baltische bovenste circalittoraal op zandbodems zijn een marien habitattype in de Oostzee onder ongeveer 30 m diepte. De zeebodem bestaat voor ten minste 90% uit zand; het bodemdierenleven wordt gedomineerd door polychaeten (bv. Pygospio elegans), kreeftachtigen (bv. Monoporeia affinis) of vedermuggenlarven (Chironomidae), niet door schelpdieren. De Europese Rode Lijst van habitats beoordeelt het als niet bedreigd (Least Concern). EUNIS-codes: MC534, MC5341, MC535, MC5351, MC536.

Einordnung

Originalbezeichnung
Infaunal communities of Baltic upper circalittoral sand not dominated by bivalves
EUNIS
MC534; MC5341; MC535; MC5351; MC536
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
1110; 1160 – Sandbanks which are slightly covered by sea water all the time; Large shallow inlets and bays

Het belangrijkste in het kort

Dit habitattype omvat dieper gelegen zandbodems van de Oostzee (bovenste circalittoraal, doorgaans onder 30 m waterdiepte) die nauwelijks of niet bewoond worden door vastzittende organismen op het sedimentoppervlak. In plaats van schelpdieren of zeepokken bepalen in de bodem levende (infaunale) organismen de biomassa: vooral polychaeten (borstelwormen), kreeftachtigen of vedermuggenlarven. De zeebodem bestaat voor minimaal 90% uit zand. Volgens de Europese Rode Lijst van habitats geldt het als niet bedreigd (Least Concern). Voor de natuurbescherming is de overlap met de FFH-habitattypen 1110 (zandbanken) en 1160 (grote ondiepe zeearmen en baaien) van belang.

De typische EUNIS-codes zijn:

  • MC534 – Baltic upper circalittoral sand (Bovenste circalittoraal van de Oostzee, zand)
  • MC5341 – Infaunal polychaete dominated Baltic upper circalittoral sand
  • MC535 – Baltic upper circalittoral coarse sediment
  • MC5351 – Infaunal crustacean dominated Baltic upper circalittoral coarse sediment
  • MC536 – Baltic upper circalittoral mixed sediment

De drie karakteristieke subtypen worden gedomineerd door polychaeten, kreeftachtigen of larven van vedermuggen.


Wat zijn infaunale gemeenschappen in het Baltische bovenste circalittoraal?

Infauna zijn dieren die in de zeebodem leven – ze graven, woelen of bewegen zich in het sediment. Epifauna daarentegen leeft op het bodemoppervlak of op harde structuren. Het circalittoraal is de lichtarme zone onder de eufotische (goed verlichte) zone, waar algen nog maar beperkt kunnen groeien. In de Oostzee begint het bovenste circalittoraal op ongeveer 20–30 m diepte en reikt tot circa 60 m.

Het hier beschreven habitat is gedefinieerd in de HELCOM-HUB-classificatie: een zandbodem met minstens 90% zand, waarop sessiele of halfsessiele epibenthische macrofauna (zoals schelpenbanken, sponzen, mosdiertjes) grotendeels ontbreekt. Meer dan de helft van de biomassa wordt gevormd door polychaeten, kreeftachtigen of insectenlarven. Deze omstandigheden komen vooral voor in matig tot hoogenergetische gebieden, waar stromingen en golven voor een losse, goed doorluchte zandbodem zorgen.

Karakteristieke groepen en hun EUNIS-biotopen:

Dominante groepTypische soortenEUNIS-codes (biotopen)
PolychaetenPygospio elegans, Marenzelleria spp., Hediste diversicolor, Ophelia spp., Travisia forbesiiMC534, MC5341
KreeftachtigenMonoporeia affinis, Saduria entomonMC535, MC5351
Vedermuggenlarven (Chironomidae)verschillende soorten uit de familie ChironomidaeMC536 (en inbegrepen in MC534, MC535)

De genoemde soorten vertegenwoordigen samen minstens de helft van de biomassa in het sediment. Ze dienen als belangrijke voedselbron voor bodemvissen en andere roofdieren in de Oostzee.


EUNIS-classificatie: MC534, MC5341, MC535, MC5351, MC536

Het Europese EUNIS-habitatclassificatiesysteem kent aan dit habitat meerdere codes toe. De overkoepelende typen zijn:

  • MC534 – Baltic upper circalittoral sand (Bovenste circalittoraal van de Oostzee met zand)
  • MC535 – Baltic upper circalittoral coarse sediment (Grof en gemengd sediment)
  • MC536 – Baltic upper circalittoral mixed sediment (Gemengdkorrelig sediment)

De fijnere onderverdelingen MC5341 (infaunal polychaete dominated) en MC5351 (infaunal crustacean dominated) kenmerken de typische biotopen van deze zandbodems. De koppeling aan de Oostzee ('Baltic') toont aan dat het voorkomen tot deze brakwaterzee beperkt is. Vergelijkbare zandbodems in de Noordzee of de Middellandse Zee vallen onder andere EUNIS-klassen.

De HELCOM HUB-classificatie (HELCOM Underwater Biotopes) dient als basis voor de kartering van Baltische onderwaterhabitats. De daarvan afgeleide EUNIS-typen harmoniseren de Europese rapportage.


Rode-Lijst-status: Least Concern (niet bedreigd)

De Europese Rode Lijst van habitats (European Red List of Habitats, stand 2022) beoordeelt het habitat zowel in de EU28 als in de uitgebreide beoordeling (EU28+) als Least Concern (LC) – dus niet bedreigd. De status is vastgesteld in het kader van de mariene Rode Lijst en volgt uit criteria zoals areaalverlies, verspreidingsgebied of kwaliteitsachteruitgang. Omdat deze criteria (nog) niet op dit habitat van toepassing zijn, wordt het momenteel als niet bedreigd beschouwd.

Dat betekent niet dat lokale belastingen onbelangrijk zijn, maar dat de populaties op Europese schaal stabiel genoeg lijken om een hogere bedreigingscategorie te rechtvaardigen. Voor de Oostzee als binnenzee met bijzondere milieudruk blijft monitoring belangrijk.


FFH-bijlage I: zandbanken en grote ondiepe zeearmen

Het hier beschreven EUNIS-habitat is niet als zelfstandig FFH-habitattype opgenomen in bijlage I van de Habitatrichtlijn. Het valt echter onder twee overkoepelende FFH-typen, voor zover aan de respectievelijke criteria wordt voldaan:

  • 1110 – Permanent met zeewater bedekte zandbanken (Sandbanks which are slightly covered by sea water all the time)
  • 1160 – Grote ondiepe zeearmen en baaien (Large shallow inlets and bays)

De overlap vloeit voort uit de diepteligging en de sedimentsamenstelling. Met name de zandbanken van type 1110 kunnen – wanneer ze in het bovenste circalittoraal liggen – de hier beschreven infaunale gemeenschappen bevatten. Ook grotere ondiepe baaien in de zuidelijke en oostelijke Oostzee kunnen dergelijke zandvlakten omvatten.

Daarom is het habitat natuurbeschermingsinhoudelijk relevant voor de aanwijzing en het beheer van Natura 2000-gebieden in de Oostzee, ook al wordt het niet expliciet in bijlage I genoemd.


Ecologische betekenis en kenmerkende soorten

De ecologische rol van deze infaunale gemeenschappen ligt in de remineralisatie van nutriënten, bioturbatie (menging van het sediment) en als voedselbron voor benthosetende vissen, garnalen en vogels. De borstelwormen en vlokreeften bevorderen de zuurstofuitwisseling in het zand en breken afgestorven organisch materiaal af.

Tot de kenmerkende soorten behoren:

  • Polychaeten: Pygospio elegans, Marenzelleria spp., Hediste diversicolor, Ophelia spp., Travisia forbesii – veel van deze soorten zijn aangepast aan brakke omstandigheden met een variabel zoutgehalte.
  • Kreeftachtigen: Monoporeia affinis (een vlokreeft) en Saduria entomon (pissebed), die vaak massaal voorkomen in diepere, zandige delen.
  • Vedermuggenlarven (Chironomidae): Een bijzonderheid van de Oostzee; hun larven kunnen overleven in zuurstofarme maar voedselrijke zanden en worden gericht door vissen gegeten.

De soortenrijkdom is meestal laag tot matig, maar de individuendichtheid kan hoog zijn onder gunstige omstandigheden. De samenstelling varieert sterk met het zoutgehalte en het zuurstofgehalte van het bodemwater.


Staat van instandhouding en bedreigingen

Artikel-17-rapportage

Voor dit habitattype is geen specifieke staat van instandhouding volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn beschikbaar. De reden: de koppeling met FFH-bijlage I loopt via de typen 1110 en 1160, die in de nationale rapportages worden opgenomen. De zuivere EUNIS-biotopen MC534–MC536 worden niet apart in de artikel-17-databanken bijgehouden. Daarom is de artikel-17-status in de voorliggende brongegevens niet vermeld.

Bedreigingen

De brongegevens van de Europese Rode Lijst bevatten geen specifieke bedreigingen voor dit habitat. Dat sluit niet uit dat er voor zandbodems in de Oostzee gebruikelijke belastingen bestaan, maar deze zijn in het kader van de Rode Lijst niet afzonderlijk opgevoerd. Mogelijke factoren zoals bodemvisserij, eutrofiëring of klimaatverandering worden eerder op het niveau van de overkoepelende FFH-habitats behandeld.


Kwaliteitsindicatoren en monitoring

De kwaliteit van het habitat wordt in internationale processen niet gemeten aan de hand van uniform overeengekomen indicatoren. In plaats van een vastgestelde catalogus worden in de praktijk – vooral voor het beheer van Natura 2000-gebieden – locatiespecifieke referentiewaarden gebruikt die kenmerken kunnen omvatten zoals:

  • soortenrijkdom,
  • abundantie en
  • biomassa van de kenmerkende infauna,
  • sedimentsamenstelling en
  • waterkwaliteitsparameters (bv. zuurstofgehalte, nutriënten).

Ook trofische indices en ontwikkelingsstadia van levensgemeenschappen kunnen als structuur- en functiebeschrijvende kenmerken worden gebruikt. Een bindend, geharmoniseerd beoordelingsschema bestaat vooralsnog niet.


Kan men dit habitat in de tuin of gemeentelijk nabootsen?

Een directe overbrenging van dit mariene zandbodemhabitat naar het land is niet mogelijk. Gemeenten en milieueducatiecentra kunnen het begrip voor de Oostzee-ecologie echter bevorderen door:

  • in aquariumexperimenten het belang van zandbodems en infauna te tonen,
  • bij strandtentoonstellingen over de verborgen levensgemeenschappen onder water te informeren of
  • maatregelen ter vermindering van nutriëntenbelasting naar de Oostzee (bv. rioolwaterzuivering, landbouw) te ondersteunen.

Voor de natuurbescherming in de Oostzee is de vermindering van eutrofiëring en mechanische bodemverstoring een centrale taak, waarvan ook deze zandhabitats profiteren.


Samenvatting kerngegevens

KenmerkSpecificatie
EUNIS-codesMC534, MC5341, MC535, MC5351, MC536
HabitatnaamInfaunal communities of Baltic upper circalittoral sand not dominated by bivalves
SubstraatZand (≥ 90% zand), eventueel grof of gemengd sediment
Dieptedoorgaans onder 30 m (bovenste circalittoraal)
Dominante faunaPolychaeten, kreeftachtigen of Chironomidae-larven (≥ 50% biomassa)
Rode Lijst-categorieLeast Concern (LC) – EU28 en EU28+
FFH-bijlage I1110 (zandbanken), 1160 (grote ondiepe zeearmen en baaien)
Artikel-17-statusin de voorliggende brongegevens niet aangegeven
Biogeografische regioBAL (Baltisch)
Voorkomenslandenin de brongegevens niet gespecificeerd (beperkt tot de Oostzee)

Häufige Fragen

Waar precies komt dit habitat voor?

Het habitat is beperkt tot de Oostzee (biogeografische regio BAL) en komt voor op zandbodems in het bovenste circalittoraal, doorgaans dieper dan 30 m. Exacte gegevens over landen zijn in de voorliggende brongegevens niet opgenomen.

Waarom domineren hier geen schelpdieren?

De omstandigheden – hoog zandgehalte, matige tot hoge energie-expositie en het ontbreken van hard substraat – begunstigen ingegraven dieren (infauna) ten opzichte van vastzittende epifauna. Schelpdieren kunnen in het mobiele zand onvoldoende houvast vinden of worden door roofdieren sterk belaagd.

Is het habitat beschermd via Natura 2000?

Het habitat is niet rechtstreeks als eigen FFH-type opgenomen. Het kan echter onderdeel uitmaken van de beschermde habitattypen 1110 (zandbanken) en 1160 (grote ondiepe zeearmen en baaien), die in Natura 2000-gebieden worden beschermd.

Hoe wordt de toestand van deze zandbodems gemonitord?

Er bestaan momenteel geen eenduidige Europese kwaliteitsindicatoren. In de praktijk worden locatiespecifiek onder andere het soortenspectrum, de abundantie, de biomassa van de infauna en de water- en sedimentkwaliteit gebruikt, met name in het kader van het beheer van Natura 2000-gebieden.

Is het habitat bedreigd?

De Europese Rode Lijst van habitats beoordeelt het als „Least Concern" (niet bedreigd). Specifieke bedreigingen zijn in de onderliggende gegevens niet vermeld. Lokale belasting door eutrofiëring of bodemvisserij kan echter de kwaliteit aantasten.

Quellen