Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MB639; MB6391; MB6392; MB63A; MB63A1; MB63A2; MB63B; MB63CEuropäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 1160; 1650

Infaunale gemeenschappen in ondiepe slikbodems van de Oostzee (zonder dominantie van tweekleppigen)

Infaunale gemeenschappen in baltische infralitorale slikbodems zijn een marien habitattype van de Oostzee met ten minste 90 % slibbedekking. De biomassa wordt gedomineerd door infauna (in het sediment levende dieren) – vooral kreeftachtigen, borstelwormen en dansmuglarven, niet door tweekleppigen. Volgens de Europese Rode Lijst geldt het habitat als niet bedreigd (Least Concern). Er zijn overlappingen met de FFH-habitattypen 1160 (Grote ondiepe baaien) en 1650 (Boreale baltische smalle inlaten).

Einordnung

Originalbezeichnung
Infaunal communities in Baltic infralittoral muddy sediment not dominated by bivalves
EUNIS
MB639; MB6391; MB6392; MB63A; MB63A1; MB63A2; MB63B; MB63C
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
1160; 1650 – Large shallow inlets and bays; Boreal Baltic narrow inlets

Het belangrijkste in het kort

  • Habitattype: Infaunale gemeenschappen in baltische infralitorale slikbodems die niet door tweekleppigen worden gedomineerd.
  • EUNIS-codes: MB639, MB6391, MB6392, MB63A, MB63A1, MB63A2, MB63B, MB63C.
  • Europese Rode Lijst: Least Concern (niet bedreigd) – zowel in EU28 als in het uitgebreide EU28+-gebied.
  • FFH-Annex I: Overlap met de habitattypen 1160 (Large shallow inlets and bays, grote ondiepe baaien) en 1650 (Boreal Baltic narrow inlets, boreale baltische smalle inlaten).
  • Verspreiding: Uitsluitend in de baltische biogeografische regio (BAL); geen landenlijst in de brongegevens.
  • Kenmerkende soorten: Vlokreeften (Monoporeia affinis), pissebedden (Saduria entomon), borstelwormen (Marenzelleria spp.) en dansmuglarven (Chironomidae).
  • Bedreiging / Beheer: In de beschikbare brongegevens zijn geen bedreigingsfactoren of hersteladviezen opgenomen.

Wat schuilt er achter dit habitattype?

Het habitattype beschrijft een karakteristieke levensgemeenschap op zachte, slibrijke bodems van de Oostzee. Het sediment bestaat voor minimaal 90 % uit fijnkorrelig slik. De gemeenschap komt voor in het infralitoraal, dat wil zeggen in de door zonlicht bereikte bodemzone, die een diepte van ongeveer 1 m tot meer dan 100 m kan omvatten. De term 'infaunal' betekent dat de dieren overwegend ingegraven in de bodem leven, in plaats van op het oppervlak (epibentisch) of in de waterkolom. Macrovegetatie en epibenthische macrofauna ontbreken doorgaans; de biomassa wordt voor minstens 50 % gedragen door infauna-vertegenwoordigers – echter niet door tweekleppigen (Bivalvia), die in veel andere slikbiotopen domineren.

Als basis dient de HELCOM HUB-classificatie voor de Baltische regio. Het habitattype verenigt meerdere subtypen die verschillen in de samenstelling van de infauna en in de blootstelling aan golfwerking en stroming.

EUNIS-classificatie

Het Europees Milieuagentschap (EEA) plaatst dit habitat onder de EUNIS-mariene habitatcodes:

EUNIS-codeOpmerking
MB639Overkoepelend EUNIS-type: 'Infaunal communities in Baltic infralittoral muddy sediment not dominated by bivalves'
MB6391Subtype (diepte- of expositievariant)
MB6392Subtype (diepte- of expositievariant)
MB63AVerder subtype binnen hetzelfde biotoopcomplex
MB63A1Bijbehorende verschijningsvorm
MB63A2Bijbehorende verschijningsvorm
MB63BVariant onder andere energieregimes
MB63CVariant onder andere energieregimes

De precieze definities van de ondergeschikte codes zijn vastgelegd in de EUNIS-database; in het Red List-pakket worden ze samengevat als dit uniforme habitattype.

Plaats in de Europese Rode Lijst van habitats

De Europese Rode Lijst van habitats beoordeelt dit biotooptype als Least Concern (LC) – niet bedreigd. Dit geldt zowel voor het EU28- als voor het uitgebreide EU28+-gebied. De beoordelingsperiode en criteria zijn gebaseerd op het EEA-pakket van 2022 (European Red List of Habitats). Een specifiek Rode Lijst-criterium wordt in de brongegevens niet genoemd; de classificatie volgt de globale beoordelingsmethode voor mariene habitats.

Betekenis: Ondanks de LC-status kunnen er lokale aantastingen optreden die niet in de Europese beoordeling tot uiting komen.

Relatie met FFH-habitattypen (Annex I van de Habitatrichtlijn)

Het habitattype overlapt met twee in Bijlage I van de Habitatrichtlijn opgenomen habitattypen:

  • 1160 – Large shallow inlets and bays (Grote ondiepe baaien)
  • 1650 – Boreal Baltic narrow inlets (Boreale baltische smalle inlaten)

Deze grotere habitattypen kunnen in deelgebieden slikkige infauna-gemeenschappen zonder dominantie van tweekleppigen bevatten. De FFH-typen zijn niet identiek, maar bieden een juridisch beschermingskader voor de daarin voorkomende biotopen. De staat van instandhouding volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn wordt in de beschikbare brongegevens niet vermeld. Lokale beoordelingen kunnen in monitoringsprogramma's van Natura 2000-gebieden zijn uitgevoerd.

Kenmerkende soorten van de infauna

De levensgemeenschap wordt gedomineerd door verschillende groepen ongewervelde dieren die in het sediment leven. De volgende tabel geeft een overzicht.

GroepKenmerkende soorten
Kreeftachtigen (Crustacea)Monoporeia affinis, Saduria entomon, Pontoporeia femorata, Corophium volutator, Apocorophium lacustre
Borstelwormen (Polychaeta)Polydora ciliata, Lagis koreni, Capitella capitata, Scoloplos armiger, Marenzelleria spp. (M. arctia, M. viridis, M. neglecta)
Insectenlarven (m.n. dansmuggen)Larven van de Chironomidae (dansmuggen)

De soortensamenstelling varieert met de dominante taxa – kreeftachtigen, borstelwormen of insectenlarven kunnen het beeld bepalen. Beslissend is het ontbreken van dominantie door tweekleppigen.

Kwaliteitsindicatoren voor dit habitat

Er bestaan geen Europees uniform vastgestelde kwaliteitsindicatoren voor dit habitattype. De Red List-beschrijving noemt echter mogelijke parameters die voor lokale monitoring kunnen worden gebruikt:

  • Aanwezigheid van kenmerkende soorten (met name de genoemde infauna-soorten)
  • Soortenrijkdom, abundantie en biomassa van bodemdieren
  • Afwezigheid van macrovegetatie en epibenthische macrofauna
  • Trofische indices of successiestadia (indien sprake is van natuurlijke dynamiek)

In Natura 2000-gebieden kunnen gebiedsspecifieke referentiewaarden zijn vastgesteld, die meestal via benthos- en sedimentmonsters worden gecontroleerd.

Biogeografische verspreiding en voorkomen

Het voorkomen beperkt zich tot de baltische biogeografische regio (BAL), dus de Oostzee. De brongegevens bevatten geen lijst van afzonderlijke EU-landen. In principe mag het habitat worden verwacht in kustgedeelten en diepere bekkens van de gehele Oostzee, waar zich uitgestrekte slikafzettingen hebben gevormd.

Bedreiging en bescherming

In de gebruikte brongegevens (European Red List of Habitats 2022) worden geen specifieke bedreigingen genoemd. De classificatie als 'Least Concern' weerspiegelt een gering Europees risico. Vanuit algemeen marien perspectief kunnen slikbodems worden aangetast door nutriëntenbelasting (eutrofiëring), bodemberoerende visserij en fysieke verstoring. Zonder concrete vermelding in de dataset zijn dit echter geen feitelijke gegevens over dit biotooptype.

Herstel en beheer

De brongegevens bevatten geen herstel- of beheeradviezen. Waar dit habitat in FFH-gebieden voorkomt, kunnen maatregelen voor behoud van de waterkwaliteit en bescherming tegen mechanische vernieling relevant zijn. Officiële richtsnoeren zijn voor dit type echter niet centraal vastgelegd.


FAQ

1. Wat betekent 'infaunaal'?
Infauna omvat alle dieren die in de zeebodem ingegraven leven, in tegenstelling tot epifauna op het sedimentoppervlak. De infauna is bepalend voor de biomassa van dit habitattype.

2. Welke EUNIS-codes dekt het biotooptype?
MB639, MB6391, MB6392, MB63A, MB63A1, MB63A2, MB63B en MB63C. Het betreft verschillende subtypen van hetzelfde fundamentele habitattype.

3. In welke FFH-habitattypen komt het voor?
Het overlapt met de Annex I-typen 1160 (Large shallow inlets and bays) en 1650 (Boreal Baltic narrow inlets). Er is geen volledige dekking.

4. Welke soorten kenmerken deze levensgemeenschap?
Afhankelijk van de dominante groep kunnen vlokreeften (Monoporeia affinis), pissebedden (Saduria entomon), borstelwormen (Marenzelleria spp.) of dansmuglarven (Chironomidae) massaal optreden. Tweekleppigen spelen geen dominante rol.

5. Hoe wordt de beschermingsstatus beoordeeld?
De Europese Rode Lijst classificeert het habitat als 'Least Concern' (niet bedreigd). De beoordeling dateert van 2022 en geldt voor EU28 en EU28+.


Bronnen

Häufige Fragen

Wat betekent 'infaunaal'?

Infauna omvat alle dieren die in de zeebodem ingegraven leven, in tegenstelling tot epifauna op het sedimentoppervlak. De infauna is bepalend voor de biomassa van dit habitattype.

Welke EUNIS-codes dekt het biotooptype?

MB639, MB6391, MB6392, MB63A, MB63A1, MB63A2, MB63B en MB63C. Het betreft verschillende subtypen van hetzelfde fundamentele habitattype.

In welke FFH-habitattypen komt het voor?

Het overlapt met de Annex I-typen 1160 (Large shallow inlets and bays) en 1650 (Boreal Baltic narrow inlets). Er is geen volledige dekking.

Welke soorten kenmerken deze levensgemeenschap?

Afhankelijk van de dominante groep kunnen vlokreeften (Monoporeia affinis), pissebedden (Saduria entomon), borstelwormen (Marenzelleria spp.) of dansmuglarven (Chironomidae) massaal optreden. Tweekleppigen spelen geen dominante rol.

Hoe wordt de beschermingsstatus beoordeeld?

De Europese Rode Lijst classificeert het habitat als 'Least Concern' (niet bedreigd). De beoordeling dateert van 2022 en geldt voor EU28 en EU28+.

Quellen