Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MC638; MC6381; MC6382; MC6383; MC639; MC6391; MC63A; MC63A1; MC63A2; MC63BEuropäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 1160; 1650

Infaunale levensgemeenschappen van het Baltische bovenste circalittoraal op slibrijk sediment – niet gedomineerd door tweekleppigen

Infaunale levensgemeenschappen in het Baltische bovenste circalittoraal (doorgaans onder 20 m waterdiepte) op slibbodems met minstens 90 % slibfractie, die niet door tweekleppigen worden gedomineerd. De biomassa bestaat vooral uit borstelwormen, vlokreeften, stekelhuidigen of dansmuggenlarven. Europese Rode-Lijststatus: Least Concern (niet bedreigd). Er is een relatie met de habitattypen 'Grote ondiepe baaien en inhammen' (code 1160) en 'Boreale Baltische smalle inhammen' (code 1650) van de Habitatrichtlijn.

Einordnung

Originalbezeichnung
Infaunal communities of Baltic upper circalittoral muddy sediment not dominated by bivalves
EUNIS
MC638; MC6381; MC6382; MC6383; MC639; MC6391; MC63A; MC63A1; MC63A2; MC63B
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
1160; 1650 – Large shallow inlets and bays; Boreal Baltic narrow inlets

Het belangrijkste in het kort

  • Leefgebied: Zachte-bodemlevensgemeenschappen zonder dominantie van tweekleppigen in het bovenste circalittoraal van de Oostzee (ondergrens van de seizoensgebonden doorlichte zone, meestal beneden 20 m).
  • Substraat: Slibsediment met minstens 90 % silt en lutum (HELCOM HUB-classificatie).
  • Dominante groepen organismen: In het sediment levende (infaunale) borstelwormen, vlokreeften (Amphipoda), slangensterren, zee-egels of dansmuggenlarven (Chironomidae).
  • EUNIS-typologie: Meerdere codes uit de hiërarchie MC638–MC63B.
  • Europese Rode Lijst: „Least Concern“ (niet bedreigd) – zowel voor de EU28 als voor EU28+.
  • Relatie met Habitatrichtlijn: Overlap met de habitattypen 1160 (Grote ondiepe baaien en inhammen) en 1650 (Boreale Baltische smalle inhammen).
  • Ecologische rol: Voedselbasis voor belangrijke vissoorten zoals kabeljauw, haring, spiering en vierhoornige zeedonderpad.

EUNIS-typologie en leefgebied

Het Europese habitattype wordt in het EUNIS-systeem weergegeven door de codes MC638, MC6381, MC6382, MC6383, MC639, MC6391, MC63A, MC63A1, MC63A2 en MC63B. Binnen de EUNIS-hiërarchie behoren deze eenheden tot de mariene, sublitorale zachte bodems van het Oostzeegebied.

Het leefgebied bevindt zich in het afotische (lichtloze) bovenste circalittoraal – dus de zeebodem onder de eufotische zone, waar geen licht meer doordringt voor benthische primaire productie. De dieptegrens ligt doorgaans op ongeveer 20 m, maar kan variëren afhankelijk van de troebelheid van het water. Voor de toekenning volstaat een sediment met minstens 90 % slibfractie (silt/lutum). Op deze fijnkorrelige bodems ontbreken sessiele of halfsessiele aangroeiorganismen grotendeels; in plaats daarvan wordt de biomassa gevormd door dieren die in het sediment graven of gangen bouwen (infauna).

Het habitattype komt voor in alle energie-expositieklassen (golf- en stromingsexpositie) en in alle deelbekkens van de Oostzee. Het is daarmee een vlakdekkende, belangrijke component van het Baltische onderwaterlandschap.

Europese Rode Lijst: beoordeling bedreigingsstatus

Volgens de Europese Rode Lijst van Habitats (beoordeling EU28 en EU28+) wordt dit biotooptype ingedeeld als „Least Concern“ (LC – niet bedreigd). Dit betekent dat het leefgebied in de beschouwde zeegebieden van de Europese Unie en in de bijbehorende beoordelingsruimten (EU28+) bij de laatste uitgebreide evaluatie geen tekenen van acute bedreiging vertoonde. De indeling is gebaseerd op de beoordeling van het verspreidingsgebied, areaaltrends en kwalitatieve veranderingen op de schaal van de gehele Europese zee.

De concrete criteria die tot deze indeling hebben geleid, staan niet afzonderlijk in de brongegevens vermeld. De beoordeling is uitgevoerd in het kader van het project „European Red List of Habitats“ en wordt beschikbaar gesteld door het Europees Milieuagentschap (EEA).

Habitatrichtlijn en beschermingsstatus

Het habitattype is via twee habitattypen van bijlage I van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) verbonden met het Europese beschermingsnetwerk Natura 2000:

  • 1160 – Grote ondiepe baaien en inhammen (Large shallow inlets and bays)
  • 1650 – Boreale Baltische smalle inhammen (Boreal Baltic narrow inlets)

Deze overlap betekent: gebieden die overeenkomen met het hier beschreven benthische biotooptype kunnen binnen Natura 2000-gebieden liggen die voor de bovengenoemde habitattypen zijn aangewezen. De biotische en abiotische toestand van deze gebieden kan vervolgens worden gemonitord op basis van de instandhoudingsdoelstellingen van het desbetreffende gebied.

Een op Europees niveau geaggregeerde staat van instandhouding volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn ontbreekt in de beschikbare brongegevens. Dat is kenmerkend voor biotooptypen die niet als zelfstandige rapporteringseenheid, maar enkel als onderdeel van de hierboven genoemde habitattypen worden behandeld. De databasis van de artikel-17-rapportage wordt regelmatig door de lidstaten bijgewerkt; op nationaal en gebiedsniveau kunnen wel degelijk beoordelingen bestaan.

Karakteristieke soorten en voedselweb

De infaunale levensgemeenschappen worden op basis van het dominante faunaelement onderverdeeld in vier biotopen. De volgende tabel vat de karakteristieke soorten samen:

BiotoopkarakteriseringKarakteristieke soorten (voorbeelden)
Door borstelwormen gedomineerde infauna (≥50 % van de biomassa)Polydora ciliata, Lagis koreni, Capitella capitata, Scoloplos armiger, Marenzelleria arctia, Marenzelleria viridis, Marenzelleria neglecta
Door vlokreeften (Amphipoda) gedomineerde infaunaMonoporeia affinis, Pontoporeia femorata (vaak ook Saduria entomon)
Door insectenlarven (dansmuggen) gedomineerde infaunaChironomidae (diverse soorten)
Door stekelhuidigen gedomineerde infaunaAmphiura filiformis, Brissopsis lyrifera, Amphiura chiajei

Een bijzonder ecologisch sleutelelement wordt gevormd door de vlokreeften Monoporeia affinis en Pontoporeia femorata. Onder gunstige omstandigheden kunnen zij dichtheden van enkele duizenden individuen per vierkante meter bereiken. Zij vormen een essentiële voedselbasis voor commercieel en ecologisch belangrijke vissoorten, waaronder:

  • Kabeljauw (Gadus morhua)
  • Haring (Clupea harengus)
  • Spiering (Osmerus eperlanus)
  • Vierhoornige zeedonderpad (Myoxocephalus quadricornis)

De pissebed Saduria entomon komt algemeen voor in deze zachte bodems en draagt eveneens bij aan de biomassa. De diversiteit, abundantie en biomassa van de infauna kunnen als mogelijke kwaliteitsindicatoren worden gebruikt.

Kwaliteitsindicatoren en bedreigingen

Uniform vastgestelde kwaliteitsindicatoren bestaan voor dit habitattype op Europees niveau niet. In de brongegevens wordt er echter op gewezen dat zowel biologische als abiotische parameters lokaal kunnen worden gebruikt:

  • Aanwezigheid en abundantie van karakteristieke en verstoringsgevoelige soorten
  • Waterkwaliteitsparameters (bijv. zuurstofgehalte, concentraties van verontreinigende stoffen)
  • Mate van blootstelling aan bepaalde drukkende factoren
  • Geïntegreerde indices zoals trofische indices of successiestadia in leefgebieden met een natuurlijke ontwikkelingsdynamiek

In aangewezen Natura 2000-gebieden zijn vaak gebiedsspecifieke referentiewaarden vastgesteld, aan de hand waarvan de staat van instandhouding van de te beschermen habitattypen wordt beoordeeld.

Concrete bedreigingsfactoren worden in de gegevensbasis van de Rode Lijst voor dit habitattype niet genoemd. In het algemeen behoren eutrofiëring en zuurstofgebrek, bodemberoerende visserij, de introductie van verontreinigende stoffen en de insleep van niet-inheemse soorten (zoals de in het soortenspectrum genoemde Marenzelleria-borstelwormen, die oorspronkelijk niet inheems zijn) tot de potentiële aantastingen van de Baltische slikbodems. Omdat het biotooptype momenteel echter als niet bedreigd geldt, lijken deze factoren tenminste op grote ruimtelijke schaal geen populatiebedreigende invloed te hebben.

Verspreiding en regionale bijzonderheden

Het habitattype komt uitsluitend voor in de biogeografische regio Boreaal (BAL) en is beperkt tot de Oostzee. Het bezet alle deelbekkens van de Oostzee – van de Kieler Bocht tot de Botnische Golf en de Finse Golf. Omdat er in de hier gebruikte Rode-Lijst-dataset geen toewijzing aan landen is opgenomen, worden er geen nationale verspreidingsaccenten aangegeven. De ruime verspreiding valt echter samen met de uitgestrektheid van de slibaccumulatiegebieden onder de eufotische zone.

Binnen dit verspreidingsgebied varieert de soortensamenstelling met de zout- en temperatuurgradiënten. Zo domineren mariene stekelhuidigen vooral in het zoutrijkere westen, terwijl in het noorden en oosten kreeftachtigen en insectenlarven sterker naar voren komen.

Tuin- en gemeentecontext – duiding

Dit habitattype is een puur marien, sublitoraal leefgebied dat geen directe analogie kent in de tuin of het openbaar groen. Het is niet mogelijk om de hoge sedimentcohesie, de constante temperaturen en de afotische omstandigheden na te bootsen. Gemeenten met een Oostzeekust dragen echter door hun afvalwaterzuivering, havenbeheer en kustbeschermingsmaatregelen indirect bij aan de kwaliteit van de aangrenzende slibhabitats.

Bij een ecologische planning aan de kust kan kennis over dit habitattype helpen om ingrepen in het kustvoorland te beoordelen, bijvoorbeeld bij baggerwerkzaamheden, zandsuppleties of het verspreiden van baggerspecie. Wie zich als burger wil inzetten voor de bescherming van de Oostzee, vindt via de soortenrijkdom van de benthische zachte bodems een toegang: ook al leven deze dieren onzichtbaar in het sediment, zij vormen het fundament voor visbestanden en een schoon marien milieu.

Overzicht van de EUNIS-codes

De volgende tabel toont de hiërarchische indeling van de EUNIS-eenheden die dit habitattype constitueren:

EUNIS-CodeNaam / betekenis (volgens databank)
MC638(overkoepelende eenheid)
MC6381
MC6382
MC6383
MC639
MC6391
MC63A
MC63A1
MC63A2
MC63B

Opmerking: De concrete namen van de afzonderlijke EUNIS-eenheden zijn niet in de brongegevens opgenomen; de codes zijn geaggregeerd op basis van de HELCOM HUB-classificatie.

FAQ

1. Wat betekent „infaunaal“?

Infauna zijn dieren die in de zeebodem leven – ze graven, woelen of bouwen permanente gangen in het sediment. In tegenstelling tot de aangroeifauna (epifauna) zijn ze aan de oppervlakte nauwelijks zichtbaar.

2. Op welke diepte komt dit leefgebied voor?

Het leefgebied strekt zich uit in het bovenste circalittoraal, doorgaans beneden ongeveer 20 m waterdiepte, dus onder de eufotische (doorlichte) zone.

3. Welke dieren zijn bijzonder kenmerkend?

Afhankelijk van het dominantetype zijn dat borstelwormen zoals Lagis koreni, vlokreeften zoals Monoporeia affinis, stekelhuidigen zoals Amphiura filiformis of dansmuggenlarven (Chironomidae). De pissebed Saduria entomon is eveneens algemeen.

4. Is het biotooptype bedreigd?

Volgens de Europese Rode Lijst van Habitats geldt het als „Least Concern“ (niet bedreigd) – zowel in de EU28- als in de EU28+-beoordeling. Een actuele bedreiging is op deze schaal niet waarneembaar.

5. Welk nut heeft dit leefgebied voor de mens?

De infaunale kreeftachtigen dienen belangrijke consumptievissoorten zoals kabeljauw en haring als voedselbasis. Daarmee is het habitattype indirect van belang voor de visserij. Bovendien dragen de organismen bij aan de zelfreiniging van de zeebodem.

Bronnen

Häufige Fragen

Wat betekent „infaunaal“?

Infauna zijn dieren die in de zeebodem leven – ze graven, woelen of bouwen permanente gangen in het sediment. In tegenstelling tot de aangroeifauna (epifauna) zijn ze aan de oppervlakte nauwelijks zichtbaar.

Op welke diepte komt dit leefgebied voor?

Het leefgebied strekt zich uit in het bovenste circalittoraal, doorgaans beneden ongeveer 20 m waterdiepte, dus onder de eufotische (doorlichte) zone.

Welke dieren zijn bijzonder kenmerkend?

Afhankelijk van het dominantetype zijn dat borstelwormen zoals Lagis koreni, vlokreeften zoals Monoporeia affinis, stekelhuidigen zoals Amphiura filiformis of dansmuggenlarven (Chironomidae). De pissebed Saduria entomon is eveneens algemeen.

Is het biotooptype bedreigd?

Volgens de Europese Rode Lijst van Habitats geldt het als „Least Concern“ (niet bedreigd) – zowel in de EU28- als in de EU28+-beoordeling. Een actuele bedreiging is op deze schaal niet waarneembaar.

Welk nut heeft dit leefgebied voor de mens?

De infaunale kreeftachtigen dienen belangrijke consumptievissoorten zoals kabeljauw en haring als voedselbasis. Daarmee is het habitattype indirect van belang voor de visserij. Bovendien dragen de organismen bij aan de zelfreiniging van de zeebodem.

Quellen