Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MC637; MC6371; MC6372; MC6373Europäische Rote Liste: VulnerableFFH-Anhang I: 1160; 1650

Infaunale mosselgemeenschappen van het Baltische boven-circalittoraal op slib – EU-biotooptype

Het EU-biotooptype „Infaunal communities of Baltic upper circalittoral muddy sediment dominated by bivalves“ (EUNIS MC637–MC6373) omvat slibbodems van de Oostzee beneden circa 20 m diepte, waar ingegraven mosselen zoals het Nonnetje (Macoma balthica), de Noordkromp (Arctica islandica) of Astarte-soorten de biomassa domineren. De habitat staat op de Europese Rode Lijst als Vulnerable (Kwetsbaar) en kan zowel aan FFH-habitattype 1160 als 1650 worden toegewezen.

Einordnung

Originalbezeichnung
Infaunal communities of Baltic upper circalittoral muddy sediment dominated by bivalves
EUNIS
MC637; MC6371; MC6372; MC6373
EU-28
Vulnerable
EU-28+
Vulnerable
FFH-Anhang I
1160; 1650 – Large shallow inlets and bays; Boreal Baltic narrow inlets

Het belangrijkste in het kort

Het biotooptype „Infaunal communities of Baltic upper circalittoral muddy sediment dominated by bivalves“ beschrijft een kenmerkende habitat van de Oostzeebodem. Het bevindt zich in de lichtloze (afotische) dieptezone op zuivere slibvlakten, waarin mosselen zijn ingegraven. Omdat vastzittende of halfvastzittende organismen aan het sedimentoppervlak ontbreken, bepalen vooral de in de bodem levende (infaunale) mosselen het ecosysteem. De Europese Rode Lijst van habitats beoordeelt het als „Vulnerable“ (Kwetsbaar). Het biotooptype is gekoppeld aan de FFH-habitattypen 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen) en 1650 (Boreale baltische smalle zeearmen). In de brongegevens zijn geen landenlijsten, bedreigingsfactoren of concrete herstelrichtlijnen opgenomen. De habitat bestaat uitsluitend op de zeebodem – nabootsing in een tuin is uiteraard niet mogelijk.

Wat is het biotooptype „Infaunal communities of Baltic upper circalittoral muddy sediment dominated by bivalves“?

De naam klinkt technisch, maar is goed te vertalen: het gaat om levensgemeenschappen die door ingegraven (infaunale) mosselen worden gedomineerd en in het boven-circalittoraal – een dieptezone onder de doorlichte zone – van de Oostzee op zuivere slikbodem voorkomen. Volgens de HELCOM HUB-classificatie moet het sediment minstens 90 % slibdeeltjes bevatten. Aan het sedimentoppervlak ontbreken vastzittende of halfvastzittende grotere dieren (epibenthische macrofauna) grotendeels; het leven speelt zich in de bodem af. De biomassa wordt door enkele mosselsoorten gedomineerd.

Deze habitat is kenmerkend voor geëxponeerde liggingen en diepten vanaf ongeveer 20 meter. Zo ontstaat een eigen, aan het zachte substraat en de geringe zuurstofbeschikbaarheid aangepaste diergemeenschap.

EUNIS-codes en typologie: MC637 tot MC6373

Het Europees Natuurinformatiesysteem EUNIS vat het biotooptype samen onder de overkoepelende code MC637 („Infaunal communities of Baltic upper circalittoral muddy sediment dominated by bivalves“). Drie subeenheden (biotopen) worden onderscheiden:

  • MC6371: Oostzee-biotoop met dominantie van het Nonnetje (Macoma balthica), HELCOM-code AB.H3L1
  • MC6372: Oostzee-biotoop met dominantie van de Noordkromp (Arctica islandica), HELCOM-code AB.H3L3
  • MC6373: Oostzee-biotoop met dominantie van Astarte-soorten, HELCOM-code AB.H3L5

Elk van deze biotopen wordt bepaald door een mosselsoort die meer dan 50 % van de biomassa levert. Door verschillende eisen aan temperatuur en zoutgehalte hebben ze enigszins andere verspreidingszwaartepunten in de Oostzee.

Habitat: diepte, sediment en omstandigheden

De habitat strekt zich uit over de afotische zone – de diepte waar geen of nauwelijks zonlicht doordringt. Het substraat is vrijwel zuiver slib (meer dan 90 % fijne korrel). De hydrografische expositie is matig tot hoog; dergelijke bodems worden vaak aangetroffen in diepere geulen, onder de door wind gemengde waterlaag.

Omdat het sediment een fijnkorrelige, zachte matrix vormt, kunnen mosselen zich goed ingraven en met hun sipho het bovenstaande water gebruiken om voedsel te filteren. Harde structuren of planten als vestigingssubstraat zijn hier niet nodig.

Ondanks de relatief monotone bodemstructuur is de habitat niet zonder ecologische verfijning. Vooral de grote, langlevende Noordkromp (Arctica islandica) geeft de bodem extra structuur – hun dikke schelpen fungeren als hard substraat voor andere soorten en verhogen zo de habitatcomplexiteit.

Kenmerkende mosselsoorten en hun rol

De drie kenschetsende soorten volgens de brongegevens zijn:

  • Nonnetje (Macoma balthica) – een zouttolerante soort die ook bij lagere zoutgehalten nog voorkomt en grote delen van de Oostzee bewoont.
  • Noordkromp (Arctica islandica) – een soort met hoge zoutbehoefte, daardoor alleen in het zuidwestelijke gebied (Beltzee) aan te treffen. Hij kan enkele honderden jaren oud worden en geldt als een van de langstlevende mosselen wereldwijd. Hij speelt een sleutelrol als biomassaproducent, als schakel tussen bodem en waterkolom (benthopelagische koppeling), als vertroebelingsverminderer en als „ecosysteemingenieur“.
  • Astarte-soorten (bijv. Astarte borealis) – een arctisch-boreale groep die in de Oostzee aan zijn zuidelijke verspreidingsgrens stuit. Deze soorten zijn redelijk bestand tegen tijdelijke zuurstofarmoede; langdurige anoxische fasen (volledig zuurstofgebrek) verdragen ze echter niet.

Alle drie de mosselsoorten zijn infauna – ze leven min of meer diep in het sediment ingegraven. Daardoor stempelen ze de gehele voedselketen van de habitat.

Ecologische betekenis en kwaliteitsindicatoren

Mosselrijke slibbodems vervullen uiteenlopende ecosysteemfuncties:

  • Filteren van plankton en zwevende deeltjes uit het water en daarmee verbetering van de waterkwaliteit,
  • Productie van biomassa die als voedsel dient voor veel predatoren (vissen, krabben, zeesterren),
  • Stabilisatie van het sediment en verhoging van de bodemruwheid.

Indicatoren voor de habitatkwaliteit bestaan nog niet als uniforme Europese standaard. De brongegevens noemen de volgende mogelijke parameters:

  • Diversiteit, abundantie en biomassa van de bodemfauna,
  • Aanwezigheid van alle grootteklassen binnen een populatie, in het bijzonder bij Macoma balthica,
  • Waterkwaliteitsparameters en mate van expositie,
  • integrerende indices zoals trofische indices of successiestadia in natuurlijke ontwikkelingscycli.

Binnen Natura 2000-gebieden kunnen gebiedsspecifieke referentiewaarden zijn vastgesteld; deze gelden dan echter alleen locatiegebonden en niet algemeen.

Bedreiging: Rode Lijst-status en beschermingsstatus

De Europese Rode Lijst van habitats (EU28 en EU28+) plaatst het gehele complex onder code BAL57 als Vulnerable (VU) – Kwetsbaar.

Een gedetailleerde bedreigingsanalyse (criteria, bedreigingen) is niet aan de voorliggende brongegevens te ontlenen; het veld threats is leeg. Daarom kunnen hier geen concrete bedreigingsoorzaken worden genoemd.

De relatie met de habitattypen van Bijlage I van de Habitatrichtlijn is daarentegen duidelijk:

  • 1160 – Grote ondiepe baaien en zeearmen: Deze categorie kan deelgebieden van het mosselhabitat omvatten, met name in diepere slibbekkens binnen ondiepe baaien.
  • 1650 – Boreale baltische smalle zeearmen: Vooral in de vernauwingen van het Beltzee-gebied komen vormen van de habitat voor die aan dit FFH-type zijn toe te wijzen.

De staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de Habitatrichtlijn is in de brongegevens niet vermeld (veld article17_status is leeg). Voor actuele beoordelingen moet worden teruggevallen op de nationale rapportages en de EEA-databanken.

Relatie met de Habitatrichtlijn (Bijlage I) en de Artikel 17-rapportage

De toewijzing aan de FFH-habitats 1160 en 1650 betekent dat de mosselgemeenschappen van het boven-circalittoraal deel kunnen uitmaken van het Europese Natura 2000-netwerk. Concrete areaalopgaven of staat van instandhouding zijn uit het kale brongegevenspakket niet af te leiden, omdat noch landenlijsten noch de Artikel 17-status zijn bijgevoegd.

Het uitgangspunt blijft echter: waar deze biotooptypen als significante vorm binnen een FFH-gebied voorkomen, moeten de lidstaten een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen. Daarvoor zijn op lokaal niveau kwaliteitsindicatoren en monitoringmethoden nodig.

Verspreiding in Europa – Geografische spreiding

De habitat is beperkt tot de boreale regio (BIO: BAL), dus tot de Oostzee en haar toegangen. Exacte landenlijsten worden in het brongegevenspakket niet vermeld. Uit de biotoopbeschrijving zijn wel de volgende ruimtelijke zwaartepunten af te leiden:

  • Door Macoma balthica gedomineerde biotopen komen vrijwel in de gehele Oostzee voor, waar zouthoudend bodemwater en slibbodems aanwezig zijn.
  • Arctica islandica-biotopen zijn beperkt tot de zoutrijkere overgangswateren in het zuidwesten (Grote en Kleine Belt).
  • Astarte-biotopen lijken in de noordelijke en oostelijke Oostzee frequenter te zijn, waar koudere winters en geringere zomertemperaturen heersen.

Omdat geen nationale gegevens voorliggen, zien we af van een opsomming van staten. De habitat ligt echter uitsluitend in het mariene gebied van de EU – in de aan de Oostzee grenzende landen.

Belang voor de biodiversiteit en het Oostzee-ecosysteem

In de diepte zijn slibbodems vaak arm aan soorten, omdat zuurstofgebrek en sedimentbelasting veel organismen uitsluiten. Juist daarom zijn de mosselrijke vlakten waardevolle „hotspots“:

  • De mosselen bieden voedsel voor op de bodem levende predatoren en leggen nutriënten vast.
  • De schelpen van oude Noordkrompen creëren microhabitats voor andere ongewervelden.
  • Vissen die zich met bodemorganismen voeden, worden aangetrokken.

Deze rol als „biologisch pompstation“ is typerend voor veel mosselbanken, maar in de lichtarme diepte bijzonder belangrijk. Valt de zuurstof in het diepwater weg – een bekend probleem van de Oostzee – dan kunnen zelfs weerstandsfähige soorten als Astarte op grote schaal sterven. Met hen verdwijnt dan de gehele gemeenschap.

Waar vind je dit biotooptype?

Dit is een zuiver mariene habitat. Hij kan noch in een tuin noch in gemeenten of binnenwateren worden nagebootst. Wie meer wil weten over de toestand van de Oostzee en de bescherming van haar diepe bodems, wordt verwezen naar de monitoringsprogramma’s in het kader van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie of de rapporten van de nationale mariene onderzoeksinstituten.

Overzicht van de subeenheden

EUNIS-codeHELCOM-biotoopDominerende soort(en)Zoutgehalte-eisTypische regio
MC6371AB.H3L1Nonnetje (Macoma balthica)Gering tot matigGrote delen van de Oostzee
MC6372AB.H3L3Noordkromp (Arctica islandica)Hoog (> 15 PSU)Beltzee en zuidwestelijkste Oostzee
MC6373AB.H3L5Astarte spp. (bijv. A. borealis)Matig tot hoog, koudeminnendNoordelijke en oostelijke Oostzee

De indeling volgt de HELCOM HUB-classificatie en de EUNIS-crosswalks van 2022.

Bedreigingen en herstel (niet gespecificeerd in de brongegevens)

Omdat de brongegevens geen vermeldingen onder threats of restoration_notes bevatten, kunnen we hier geen uitspraken doen over concrete bedreigingen of herstelmaatregelen. Algemeen bekende problemen van de Oostzee – nutriëntenaanvoer, zuurstofgebrek in diepe bekkens, bodemsleepnetvisserij – hebben ook effect op deze habitat; ze zijn echter niet uit de voorliggende dataset afgeleid.

FAQ

1. Wat wordt verstaan onder „Infaunal communities of Baltic upper circalittoral muddy sediment dominated by bivalves“?

Het betreft levensgemeenschappen in het boven-circalittoraal (lichtarme dieptezone) van de Oostzee, waarin mosselen zich in een vrijwel zuivere slibbodem hebben ingegraven en de biomassa sterk door deze mosselen wordt gedomineerd. Er zijn geen grotere vastzittende dieren aan het oppervlak.

2. Welke mosselsoorten kenmerken dit biotooptype?

De kenschetsende soorten zijn het Nonnetje (Macoma balthica), de Noordkromp (Arctica islandica) en diverse Astarte-soorten (bijv. Astarte borealis). Afhankelijk van zoutgehalte en temperatuur domineert een van deze soorten met meer dan 50 % van de biomassa.

3. Wat is de bedreigingsstatus van de habitat?

De Europese Rode Lijst van habitats (EU28 en EU28+) plaatst de habitat als „Vulnerable“ (Kwetsbaar). Dit is de officiële indeling uit 2022. De staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de Habitatrichtlijn werd in de brongegevens niet vermeld.

4. Aan welke FFH-habitattypen wordt dit biotooptype toegewezen?

De koppelingen bestaan met de bijlage-I-typen 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen) en 1650 (Boreale baltische smalle zeearmen). Het mosselslik kan dus deel uitmaken van deze beschermde habitats, maar is er niet 1-op-1 mee gelijk.

5. Kan men deze habitat in een tuin of vijver aanleggen?

Nee. Het betreft een mariene diepzeehabitat van de Oostzee met bijzondere eisen aan zoutgehalte, diepte en sediment. Nabootsing in tuinen of binnenwateren is niet mogelijk.

Häufige Fragen

Wat wordt verstaan onder „Infaunal communities of Baltic upper circalittoral muddy sediment dominated by bivalves“?

Het betreft levensgemeenschappen in het boven-circalittoraal (lichtarme dieptezone) van de Oostzee, waarin mosselen zich in een vrijwel zuivere slibbodem hebben ingegraven en de biomassa sterk door deze mosselen wordt gedomineerd. Er zijn geen grotere vastzittende dieren aan het oppervlak.

Welke mosselsoorten kenmerken dit biotooptype?

De kenschetsende soorten zijn het Nonnetje (Macoma balthica), de Noordkromp (Arctica islandica) en diverse Astarte-soorten (bijv. Astarte borealis). Afhankelijk van zoutgehalte en temperatuur domineert een van deze soorten met meer dan 50 % van de biomassa.

Wat is de bedreigingsstatus van de habitat?

De Europese Rode Lijst van habitats (EU28 en EU28+) plaatst de habitat als „Vulnerable“ (Kwetsbaar). Deze indeling is uit 2022. De staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de Habitatrichtlijn werd in de brongegevens niet vermeld.

Aan welke FFH-habitattypen wordt dit biotooptype toegewezen?

De koppelingen bestaan met de bijlage-I-typen 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen) en 1650 (Boreale baltische smalle zeearmen). Het mosselslik kan dus deel uitmaken van deze beschermde habitats, maar is er niet 1-op-1 mee gelijk.

Kan men deze habitat in een tuin of vijver aanleggen?

Nee. Het betreft een mariene diepzeehabitat van de Oostzee met bijzondere eisen aan zoutgehalte, diepte en sediment. Nabootsing in tuinen of binnenwateren is niet mogelijk.

Quellen