Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MB336; MB3361; MB3362; MB3363Europäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 1150; 1160

Stabiele aggregaties van niet-verankerde meerjarige vegetatie op Baltisch infralitoraal grof sediment (EUNIS MB336)

Stabiele aggregaties van niet-verankerde meerjarige vegetatie op Baltisch infralitoraal grof sediment (EUNIS MB336) zijn mariene habitats in de fotische zone van de Oostzee met minimaal 90% grof sediment. Ze worden gedomineerd door niet-verankerde bruinwieren (Fucus spp.) of roodwier (Furcellaria lumbricalis) die een bedekking van minstens 10% bereiken. Het biotooptype is zeldzaam, maar volgens de Europese Rode Lijst van habitats niet bedreigd en is indirect beschermd via de FFH-habitattypen 1150 (kustlagunes) en 1160 (grote ondiepe baaien).

Einordnung

Originalbezeichnung
Stable aggregations of unattached perennial vegetation on Baltic infralittoral coarse sediment
EUNIS
MB336; MB3361; MB3362; MB3363
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
1150; 1160 – * Coastal lagoons; Large shallow inlets and bays

Het belangrijkste in het kort

  • EUNIS-code: MB336 (en de gedetailleerde subtypen MB3361, MB3362, MB3363)
  • Definitie: Mariene levensgemeenschappen van de Oostzee op grof sediment, gedomineerd door niet-verankerde, meerjarige wieren (Fucus spp. of Furcellaria lumbricalis)
  • Dieptebereik: fotische zone, meestal 0,25–5 m
  • Verspreiding: de gehele Baltische Zee op geschikte locaties; een subtype (dwergvorm van Fucus) is uitsluitend bekend uit Zweden en Duitsland
  • Bedreiging volgens de Europese Rode Lijst: Least Concern (niet bedreigd) – zowel de beoordeling voor de EU28 als voor EU28+
  • FFH-relatie: het habitat valt onder de beschermde habitattypen 1150 (*Kustlagunes) en 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen)
  • Staat van instandhouding (Artikel 17): niet vermeld in de beschikbare brongegevens

Wat is het biotooptype? (EUNIS-codes MB336, MB3361, MB3362, MB3363)

Dit mariene biotooptype beschrijft stabiele ophopingen van niet-vastgehechte (niet-verankerde), meerjarige wieren op grof sediment in de Oostzee. Het wordt ingedeeld onder de EUNIS-code MB336 en de drie subtypen MB3361, MB3362 en MB3363.

De doorslaggevende standplaatskenmerken zijn:

  • de zeebodem bevindt zich in de fotische zone, dus op dieptes waar nog voldoende licht is voor plantengroei,
  • het sediment bestaat voor minstens 90% uit grof sediment (korrelgrootte 2–63 mm, waarbij het aandeel grind en stenen meer dan 30% van de gecombineerde grind-zandfractie bedraagt),
  • het aandeel fijn materiaal (silt/klei, <63 µm) is lager dan 20%.

Op deze ondergrond vormen niet-verankerde bruinwieren van het geslacht Fucus (typische vorm of dwergvorm) en het roodwier Furcellaria lumbricalis stabiele bestanden die minstens 10% van het bodemoppervlak bedekken. Vastgehechte, opgerichte vegetatie of mosselen (Mytilus) komen daarentegen op minder dan 10% van het oppervlak voor. Het biotoop is zeldzaam, maar kan in grote delen van de Oostzee voorkomen bij een zoutgehalte onder 10 psu (afhankelijk van de regio soms onder 5 psu) en bij een matige tot beschutte blootstelling aan golven.

De drie subbiotopen en hun kenmerkende soorten

De Europese habitatclassificatie onderscheidt drie geassocieerde biotopen, waarbij telkens één soort minstens 50% van het biovolume van de niet-verankerde vegetatie levert:

  1. Baltische fotische grove sedimenten met stabiele aggregaties van niet-verankerde Fucus spp. (typische vorm)
    EUNIS-code: MB3361, referentiecode: AA.I1Q1. Dieptebereik 0,5–5 m.
  2. Baltische fotische grove sedimenten met stabiele aggregaties van niet-verankerde Furcellaria lumbricalis
    EUNIS-code: MB3363, referentiecode: AA.I1Q3. Dieptebereik 0,5–5 m. Het wier kan een bolvormige, aan zachte bodems aangepaste morfologie ontwikkelen, historisch beschreven als Furcellaria cf. aegagropila.
  3. Baltische fotische grove sedimenten met stabiele aggregaties van niet-verankerde Fucus spp. (dwergvorm)
    EUNIS-code: MB3362, referentiecode: AA.I1Q2. Dit opvallende subtype komt voor in zeer ondiepe baaien en lagunes op een diepte van 0,25–2,5 m. De dwergvorm heeft noch drijfblazen noch hechtorganen. De thalli zijn regelmatig dichotoom vertakt, waaiervormig en uiterst bros; fragmenten kunnen direct uitgroeien tot nieuwe planten. Bij sterkere waterbeweging ontstaan bolvormige, over de bodem rollende exemplaren. De dwerg-Fucus komt samen voor met vastgehecht blaaswier (Fucus vesiculosus), losse Furcellaria, hogere waterplanten zoals Ruppia spp., Zannichellia palustris, Stuckenia pectinatus (voorheen Potamogeton pectinatus), Zostera spp. en kranswieren.

De eerste twee subbiotopen komen voor bij zoutgehalten van 5–10 psu; de dwergvorm prefereert een lagere mesohaliniet van ongeveer 7–10 psu en vereist zeer rustige tot matig geëxposeerde omstandigheden.

Verspreiding en standplaatscondities

Het habitat is beperkt tot het Baltische biogeografische regio (BAL). In principe kan het in de gehele Oostzee in de fotische zone voorkomen, mits de combinatie van geschikt grof sediment, zoutgehalte en geringe waterbeweging aanwezig is.

Een concrete landenlijst ontbreekt in de onderliggende Europese Rode-Lijstgegevens. Voor het subtype van de dwerg-Fucus wordt echter expliciet vermeld dat het momenteel alleen bekend is uit Zweden en Duitsland. In Duitsland komt dit biotoop slechts in zeer weinig kustlagunes voor, met lage tot matige eutrofiëringsbelasting en zoutgehalten rond 7–10 psu.

Dit laat de sterke binding aan specifieke hydrologische en geologische omstandigheden zien. Vooral ondiepe, grootschalig vlakke zand- en grindbodems in baaien en lagunes die permanent brak water voeren, zijn doorslaggevend.

Ecologische bijzonderheden

De niet-verankerde wieren vormen een tot circa 10 cm dikke, driedimensionale begroeiing die ecologisch vergelijkbaar is met het poriënsysteem in grove sedimenten. Tussen de los liggende thalli vinden slakken, vlokreeften en insectenlarven beschutting en voedsel. Opvallend is dat zich op de dwergvorm van Fucus nauwelijks vastzittende epifauna (aangroeisel) vestigt – in tegenstelling tot veel andere wieren.

Een zeer hoge bedekking door de losse wieren kan echter negatieve gevolgen hebben: als de algenmat te dicht wordt, kan het onderliggende sediment zuurstofloos raken, waardoor de oorspronkelijk in de bodem levende fauna afsterft. Dit verschijnsel is een natuurlijk proces, maar kan door nutriëntenbelasting worden versterkt.

In zijn geheel draagt het biotoop door zijn structuur bij aan de biodiversiteit van de zandig-grindrijke bodems van de Oostzee en vormt het een voorbeeld van de aanpassing van wieren aan onstabiele substraten.

Beschermingsstatus en bedreiging

De Europese Rode Lijst van habitats (beoordeling 2022, geldig voor EU28 en EU28+) deelt dit habitat in als “Least Concern” (niet bedreigd). Dit betekent dat het biotooptype op Europees niveau momenteel geen verhoogd risico op uitsterven loopt.

Via de Habitatrichtlijn is het leefgebied indirect opgenomen in twee beschermde habitattypen:

  • *Bijlage I, code 1150: Kustlagunes (prioritair habitat) – hier kan het biotoop in ondiepe lagunes deel uitmaken van het beschermde object.
  • Bijlage I, code 1160: Grote ondiepe baaien en zeearmen – vooral relevant voor de subbiotopen in grote, ondiepe Oostzeebaaien.

Een staat van instandhouding volgens Artikel 17 is in de beschikbare brongegevens niet opgenomen. De officiële monitoringgegevens van de lidstaten in het kader van de Habitatrichtlijn liggen niet in gebundelde vorm voor dit specifieke EUNIS-type voor.

Kwaliteitsindicatoren

Er bestaan geen Europees breed overeengekomen kwaliteitsindicatoren voor dit habitat. In individuele Natura 2000-gebieden kunnen echter standplaatsspecifieke referentiewaarden zijn vastgesteld. Vanuit vakinhoudelijk oogpunt komen als mogelijke kwaliteitsindicatoren in aanmerking:

  • de dichtheid van niet-verankerde Fucus-exemplaren (typische vorm en dwergvorm),
  • de onderste verbreidingsgrens van de Furcellaria-gordel,
  • de aangroei door epifytische wieren,
  • de bestandsdichtheid van Furcellaria lumbricalis.

Dergelijke parameters kunnen helpen om de invloed van eutrofiëring of mechanische verstoringen vroegtijdig te signaleren.

Betekenis voor natuurbehoud en de mens

Dit biotooptype is een voorbeeld van de gevoelige brakwaterhabitats van de Oostzee. Omdat het afhankelijk is van schoon water, een natuurlijke sedimentopbouw en ongestoorde kustmorfologie, fungeert het indirect als indicator voor goede milieutoestand.

Voor de mens is het niet na te bootsen in tuinen of op het land. De waarde ligt veeleer in de functie als marien biodiversiteitscentrum en als onderdeel van het Europese natuurlijke erfgoed. Kustlagunes en grote baaien waarin het habitat voorkomt, zijn vaak geliefde recreatiegebieden en tegelijk beschermenswaardige ecosystemen. Bewustzijn van dergelijke verborgen biotopen kan de acceptatie van beschermingsmaatregelen in de Oostzeeregio bevorderen.


Samenvattende tabel van het biotooptype

KenmerkWaarde
EUNIS-codeMB336 (MB3361, MB3362, MB3363)
Volledige naamStable aggregations of unattached perennial vegetation on Baltic infralittoral coarse sediment
Korte omschrijvingMinimaal 90% grof sediment, waarvan >30% grind/stenen; min. 10% bedekking door losse, meerjarige wieren (Fucus spp. en/of Furcellaria lumbricalis)
Rode-Lijstcategorie (EU28/EU28+)Least Concern (niet bedreigd)
FFH-Bijlage I-codes1150 (*Kustlagunes) en 1160 (Grote ondiepe baaien en zeearmen)
Biogeografische regioBaltisch (BAL)
Dieptebereik0,25–5 m (afhankelijk van subtype)
Karakteristieke soortenFucus spp. (typische vorm en dwergvorm), Furcellaria lumbricalis (incl. bolvorm)
Verspreiding (met name dwergvorm)Tot nu toe alleen aangetoond in Zweden en Duitsland
Artikel 17-staat van instandhoudingNiet vermeld in de beschikbare brongegevens

FAQ

1. Wat wordt verstaan onder “stabiele aggregaties van niet-verankerde meerjarige vegetatie”?

Hiermee worden mariene habitats bedoeld waarin meerjarige wieren – vooral bruinwieren (Fucus spp.) en het roodwier Furcellaria lumbricalis – zich zonder hechtorganen los op de waterbodem verzamelen en een dichte, langdurige laag vormen. De ondergrond bestaat overwegend uit grof sediment (grind, stenen) in de lichtdoorlatende zone van de Oostzee.

2. Waarom is dit biotooptype bijzonder?

De los liggende wieren creëren een eigen driedimensionale structuur die kleine dieren zoals vlokreeften en slakken onderdak biedt, zonder dat de planten vastgehecht zijn. Bovendien treden in dit biotoop zeldzame groeivormen op, zoals de waaiervormige dwergvorm van Fucus of bolvormige Furcellaria-morfologieën die aan de zachte bodems zijn aangepast.

3. In welke delen van de Oostzee komt dit habitat voor?

In principe in de gehele Baltische Zee, overal waar de combinatie van grof sediment, een laag zoutgehalte en tamelijk rustig water aanwezig is. Het subtype met de dwergvorm van Fucus is momenteel alleen bekend uit een paar ondiepe lagunes in Zweden en Duitsland.

4. Welke beschermingsstatus heeft het habitat onder de Habitatrichtlijn?

Het is niet als afzonderlijk FFH-habitattype opgenomen, maar kan deel uitmaken van de beschermde habitattypen 1150 (*Kustlagunes, prioritair) en 1160 (Grote ondiepe baaien). Daarmee is het indirect beschermd in veel Natura 2000-gebieden in de Oostzee.

5. Is dit biotooptype bedreigd?

Volgens de actuele Europese Rode Lijst van habitats (2022) geldt het als “Least Concern” (niet bedreigd). Dat betekent dat op EU-niveau momenteel geen acute bedreiging is vastgesteld. Lokale belasting door nutriënteninvoer of mechanische verstoringen kan de bestanden echter wel aantasten.


Bronnen

Alle gegevens zijn gebaseerd op het EEA-uitgebreide datapakket van de Europese Rode Lijst van Habitats 2022. De staat van instandhouding volgens Artikel 17 is in deze gegevens niet opgenomen en werd niet toegevoegd.

Häufige Fragen

Wat wordt verstaan onder “stabiele aggregaties van niet-verankerde meerjarige vegetatie”?

Hiermee worden mariene habitats bedoeld waarin meerjarige wieren – vooral bruinwieren (Fucus spp.) en het roodwier Furcellaria lumbricalis – zich zonder hechtorganen los op de waterbodem verzamelen en een dichte, langdurige laag vormen. De ondergrond bestaat overwegend uit grof sediment (grind, stenen) in de lichtdoorlatende zone van de Oostzee.

Waarom is dit biotooptype bijzonder?

De los liggende wieren creëren een eigen driedimensionale structuur die kleine dieren zoals vlokreeften en slakken onderdak biedt, zonder dat de planten vastgehecht zijn. Bovendien treden in dit biotoop zeldzame groeivormen op, zoals de waaiervormige dwergvorm van Fucus of bolvormige Furcellaria-morfologieën die aan de zachte bodems zijn aangepast.

In welke delen van de Oostzee komt dit habitat voor?

In principe in de gehele Baltische Zee, overal waar de combinatie van grof sediment, een laag zoutgehalte en tamelijk rustig water aanwezig is. Het subtype met de dwergvorm van Fucus is momenteel alleen bekend uit een paar ondiepe lagunes in Zweden en Duitsland.

Welke beschermingsstatus heeft het habitat onder de Habitatrichtlijn?

Het is niet als afzonderlijk FFH-habitattype opgenomen, maar kan deel uitmaken van de beschermde habitattypen 1150 (*Kustlagunes, prioritair) en 1160 (Grote ondiepe baaien). Daarmee is het indirect beschermd in veel Natura 2000-gebieden in de Oostzee.

Is dit biotooptype bedreigd?

Volgens de actuele Europese Rode Lijst van habitats (2022) geldt het als “Least Concern” (niet bedreigd). Dat betekent dat op EU-niveau momenteel geen acute bedreiging is vastgesteld. Lokale belasting door nutriënteninvoer of mechanische verstoringen kan de bestanden echter wel aantasten.

Quellen