Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MC321Europäische Rote Liste: VulnerableFFH-Anhang I: 1110; 1160

Atlantisch grof sediment in het bovenste circalittoraal (MC321) – een bedreigd habitat op de zeebodem

Het Atlantisch grof sediment in het bovenste circalittoraal (EUNIS-code MC321) is een zeebodemhabitat van zandig grind, grof zand en schelpgruis dat voorkomt op diepten van meer dan 15–20 meter in de Noordoost-Atlantische Oceaan. Gekenmerkt door matige tot sterke getijdenstroming, herbergt het robuuste borstelwormen, mobiele kreeftachtigen, tweekleppigen en stekelhuidigen zoals de purperen hartegel. Het biotooptype staat op de Europese Rode Lijst als ‘Vulnerable’ (kwetsbaar) en is verbonden met de Habitatrichtlijn-typen 1110 (zandbanken) en 1160 (grote ondiepe zeearmen en baaien).

Einordnung

Originalbezeichnung
Atlantic upper circalittoral coarse sediment
EUNIS
MC321
EU-28
Vulnerable
EU-28+
Vulnerable
FFH-Anhang I
1110; 1160 – Sandbanks which are slightly covered by sea water all the time; Large shallow inlets and bays

Het belangrijkste in het kort

Het Atlantisch grof sediment in het bovenste circalittoraal (EUNIS-code MC321) is een marien habitat dat wordt gekenmerkt door door getij bewogen, grofkorrelige sedimenten op diepten van meer dan 15–20 meter. Het komt vooral voor in de Noordoost-Atlantische Oceaan – in getijdengeulen, langs blootgestelde kusten en offshore. De sterke stroming zorgt voor een vaak instabiele ondergrond die alleen door weerbare organismen wordt gekoloniseerd. Op de Europese Rode Lijst van biotopen staat het als Vulnerable (kwetsbaar). Een directe koppeling met de Habitatrichtlijn-typen 1110 (zandbanken) en 1160 (grote ondiepe zeearmen en baaien) onderstreept het belang voor het Europese Natura 2000-netwerk. In de beschikbare brongegevens is geen artikel 17-staat van instandhouding opgenomen.

Voor de gewone burger lijkt dit habitat ver weg – en inderdaad kan het niet in de eigen tuin worden nagebouwd. Maar de bedreiging door menselijke activiteiten zoals de bodemsleepnetvisserij raakt de gezondheid van onze zeeën en daarmee ook de visserij en de kustbescherming. Dit artikel biedt een begrijpelijk, feitelijk overzicht van dit verborgen habitat.

Wat is Atlantisch grof sediment in het bovenste circalittoraal?

De circalittorale zone is het deel van de zee onder de eufotische (lichtdoorlatende) zone, waar algen alleen nog als korstvormen voorkomen – dus vanaf ongeveer 15–20 meter waterdiepte. In het bovenste circalittoraal domineert geen organisch rif, maar een minerale bodem van grof materiaal: zand, grind, stenen en schelpgruis. Het bijzondere van dit biotooptype ligt in de getijden- en stromingswerking.

Op diepten van meer dan 15–20 meter, vaak in getijdengeulen of aan blootgestelde kusten, zorgen matige tot sterke bodemstromingen ervoor dat het sediment voortdurend in beweging is. Stenen en kiezel worden verplaatst, fijnere deeltjes uitgespoeld. Daardoor ontstaat een dynamisch, zuurstofrijk maar fysisch veeleisend habitat. Alleen soorten die zich snel kunnen vestigen, stevig verankeren of mobiel genoeg zijn om verplaatsing te overleven, kunnen hier blijvend voorkomen.

EUNIS-classificatie: MC321 – indeling en belang

Het European Nature Information System (EUNIS) classificeert biotooptypen in heel Europa. De code MC321 staat voor ‘Atlantic upper circalittoral coarse sediment’ en maakt deel uit van de mariene hiërarchie. In de EUNIS-systematiek behoort het tot de groep van circalittorale grove sedimenten en onderscheidt het zich van diepere of ondiepere varianten door de waterdiepte en de hydrodynamische omstandigheden.

De EUNIS-code dient als grensoverschrijdende referentie voor kartering, monitoring en rapportage, met name in het kader van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM) en de Habitatrichtlijn. Voor dit biotooptype bestaat een gekwalificeerde koppeling (‘<’) met de Habitattypen 1110 en 1160, waar later op wordt ingegaan.

Rode Lijst: kwetsbaarheidsstatus ‘Vulnerable’

De Europese Rode Lijst van biotopen (European Red List of Habitats) beoordeelt de bedreigingsgraad van habitats op EU-niveau. De huidige editie (2022) classificeert het Atlantisch grof sediment in het bovenste circalittoraal als Vulnerable (VU) – kwetsbaar. Deze status geldt zowel voor de EU28 als voor de uitgebreide EU28+-regio (inclusief aangrenzende zeegebieden).

In de brongegevens is geen specifiek criterium voor deze indeling vermeld. De kwetsbaarheid komt echter voort uit de hoge gevoeligheid voor mechanische verstoringen, met name door de visserij met bodemsleepnetten en dredges, die de zeebodem omploegen en de kenmerkende levensgemeenschap beschadigen. Omdat er geen algemeen overeengekomen kwaliteitsindicatoren voor dit habitattype bestaan, worden in monitoringsprogramma’s zowel biotische (bijv. aanwezigheid en talrijkheid van karakteristieke soorten) als abiotische parameters gebruikt.

Habitatrichtlijn: verbinding met typen 1110 en 1160

Het habitat MC321 is niet rechtstreeks als apart Habitattype opgenomen, maar wordt toegerekend aan de Habitatrichtlijn-typen

  • 1110 – Permanent met zeewater bedekte zandbanken
  • 1160 – Grote ondiepe zeearmen en baaien

Dit gebeurt via een zogenoemde gekwalificeerde kruiskoppeling (‘#’ in EUNIS), wat betekent dat het voorkomen van dit EUNIS-type kan wijzen op een mogelijke verschijningsvorm van het betreffende Habitattype.

Habitattype 1110 omvat sublitorale zandbanken die permanent onder water staan. MC321 met zijn grove sedimenten kan deel uitmaken van zulke banken. Type 1160 beschrijft ondiepe, grote kustinhamen waar vaak complexe stromingspatronen en sedimentverdelingen heersen – ideale omstandigheden voor door getij bewogen grove sedimenten. Deze koppeling maakt het biotooptype relevant voor de aanwijzing en het beheer van Natura 2000-gebieden.

Een beoordeling van de staat van instandhouding volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn (de EU-brede monitoring van gerapporteerde voorkomen) is in de beschikbare brongegevens niet aanwezig.

Leefgebied en biodiversiteit

Ondanks de barre omstandigheden herbergt het grove sediment een karakteristieke, vaak sterk gespecialiseerde fauna. De soorten worden in de bron als volgt genoemd:

Karakteristieke soorten

GroepSoort (wetenschappelijke naam)Nederlandse naam (indien bekend)
RoodwierenFam. CorallinaceaeKalkroodwieren (korstvorm)
Tweekleppigen (Bivalvia)Atrina pectinataKamspier
Venus casinaCasina-venusschelp
Dosinia exoletaGlanzende dosinia
Donax variegatusBonte zaagje
Glycymeris glycymerisGewone gaper
Laevicardium crassumDikschalige hartschelp
Stekelhuidigen (Echinodermata)Spatangus purpureusPurperen hartegel
Hydroïdpoliepen (Hydrozoa)Lytocarpia myriophyllum(Veerhydroïd)
Borstelwormen (Polychaeta)Sigalion squamosusSchubworm
Armandia polyophthalma(Geen Nederlandse triviale naam)
Slangsterren (Ophiuroidea)Ophiopsila annulosaGebandeerde slangster
Kreeftachtigen (Crustacea)Anapagurus breviaculeatusKortstekelige heremietkreeft
Thia scutellataSchildkrab

De lijst toont een mengeling van vastzittende en mobiele dieren. Tweekleppigen graven zich vaak in om de stroming te weerstaan, terwijl kreeftachtigen en slangsterren beweeglijk blijven. De purperen hartegel is een typische bewoner van grove sedimenten. Sommige soorten (bijv. Glycymeris glycymeris, Venus casina) zijn tevens commercieel interessante schelpdieren, zodat hun voorkomen indirect kan wijzen op de visserijactiviteit en de habitatkwaliteit.

Volgens de bron vormen de karakteristieke soorten een mogelijk aangrijpingspunt voor kwaliteitsbeoordeling. Omdat er geen gestandaardiseerde indicatoren zijn, worden in de praktijk zowel de aanwezigheid en talrijkheid van deze sleutelsoorten als abiotische factoren (korrelgrootte, zuurstof, stroomsnelheid) gehanteerd.

Verspreiding in Europa

Het biotooptype is beperkt tot de biogeografische regio NEA (Noordoost-Atlantische Oceaan). Dit mariene gebied strekt zich uit van de Golf van Biskaje tot de Noordzee en omvat de kustwateren van West-Europa. In de brongegevens is geen concrete landenlijst opgenomen. Toch is duidelijk dat staten met een Atlantische kust (zoals Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje, Portugal) en de Noordzeeaanwonende landen potentiële voorkomens hebben.

De diepteverbreiding (vanaf 15–20 m) en de behoefte aan sterke stromingen verklaren waarom het type vooral voorkomt in getijdengeulen, voor landtongen en op offshore-plateaugeieden. In de gerapporteerde Europese Natura 2000-gegevens kan het onder de Habitattypen 1110 en 1160 zijn ondergebracht.

Bedreigingen en bescherming

De Europese Rode Lijst meldt voor dit habitattype de categorie Vulnerable, maar levert geen gedetailleerde lijst van bedreigingsoorzaken in de geleverde dataset. De beschrijving wijst er echter nadrukkelijk op dat dit habitat in bepaalde geografische gebieden te lijden heeft onder visserijactiviteiten, met name bodemsleepnet- en dredgevisserij. Mechanische verstoringen van de zeebodem vernietigen de vaak kwetsbare bentische gemeenschap direct en kunnen de sedimentstructuur op lange termijn veranderen.

Andere potentiële verstoringen, die uit de algemene kennis van vergelijkbare habitats kunnen worden afgeleid zonder in de bron expliciet te zijn opgesomd, zijn:

  • Ontginning van zand en grind,
  • Eutrofiëring door nutriënteninstroom uit de landbouw,
  • Verstoringen door offshore-installaties en zeekabels,
  • Klimaatgerelateerde veranderingen in stromingspatronen en verzuring.

Omdat het biotooptype via gekwalificeerde koppelingen is verbonden met de Habitattypen 1110 en 1160, profiteert het in beginsel van de beschermingsstatus van deze typen. In Natura 2000-gebieden die deze typen omvatten, zijn maatregelen voor het behoud van de zeebodeminbegrepen. Daartoe kunnen visserijbeheer, uitsluitingszones voor mobiele bodemvisserij en herstelprogramma’s behoren. In de brongegevens zijn echter geen specifieke aanwijzingen voor herstelmaatregelen aanwezig.

Wat kunnen burgers en gemeenten doen?

Het habitat bevindt zich op een waterdiepte die grotendeels aan rechtstreekse menselijke ingrepen is onttrokken – nabouwen in de tuin of een lokaal herstelproject zijn niet mogelijk. Dat betekent echter niet dat burgers en gemeenten geen invloed hebben:

  • Bewuste visconsumptie: De keuze voor vis en zeevruchten uit gecertificeerd duurzame visserij (bijv. MSC-keurmerk) kan de druk door bodemsleepnetten verminderen.
  • Zeebeschermingsbeleid steunen: Gemeenten kunnen in hun zienswijzen op ruimtelijke ordeningsplannen aandringen op bescherming van zeebodemhabitats en zich inzetten voor de aanwijzing van beschermde zeegebieden.
  • Publieksvoorlichting: Lokale milieuorganisaties en kustgemeenten kunnen informeren over het belang van onzichtbare zee-ecosystemen en zo het bewustzijn vergroten voor de bescherming van het grove circalittorale sediment.
  • Indirecte bijdrage: Vermindering van nutriënteninstroom via zuiveringsinstallaties en landbouwpraktijken komt de waterkwaliteit en daarmee ook de offshore-habitats ten goede.

Uiteindelijk hangt de bescherming van dit biotooptype af van bovenregionale en Europese regelgeving. Elke bijdrage aan een duurzaam gebruik van de zeeën telt.

Veelgestelde vragen (FAQ)

Häufige Fragen

Wat betekent ‘Atlantisch grof sediment in het bovenste circalittoraal’?

De circalittorale zone is het deel van de zee onder de lichtdoorlatende bovenste lagen, vanaf ongeveer 15–20 m diepte. De term ‘bovenste’ duidt op het begin van deze zone. ‘Grof sediment’ omvat zand, grind, stenen en schelpgruis dat door sterke stroming wordt verplaatst.

Waarom is dit habitat bedreigd?

Op de Europese Rode Lijst staat het als Kwetsbaar (Vulnerable), vooral omdat het door bodemsleepnetvisserij mechanisch wordt beschadigd. De voortdurende omwoeling van het sediment maakt kolonisatie al moeilijk; extra verstoringen kunnen de levensgemeenschap blijvend schaden.

Staat MC321 onder bescherming?

Ja, indirect. Het biotooptype is gekoppeld aan de Habitatrichtlijntypen 1110 (zandbanken) en 1160 (grote ondiepe zeearmen en baaien). Deze typen zijn Europeesrechtelijk beschermd en veel voorkomens liggen binnen Natura 2000-gebieden.

Kan ik dit habitat in mijn tuin nabouwen?

Nee. Het gaat om een marien diepzeehabitat dat speciale hydrodynamische omstandigheden vereist en noch in de tuin noch in een aquarium realistisch is na te bootsen.

Welke typische dieren leven daar?

Kenmerkend zijn kalkroodwieren (korstvormen), tweekleppigen zoals de gewone gaper (*Glycymeris glycymeris*), de purperen hartegel (*Spatangus purpureus*), slangsterren, borstelwormachtige polychaeten en mobiele kreeftachtigen zoals de schildkrab (*Thia scutellata*).

Quellen