Atlantisch bovenste circalittoraal fijn zand (MC521) – Bedreigd leefgebied in de diepe Noordoost-Atlantische zone
Het Atlantisch bovenste circalittoraal fijn zand (EUNIS-code MC521) is een zeebodemhabitat van schoon, fijn zand met minder dan 5 % slib-/kleigehalte op diepten van meer dan 30–35 meter in de Noordoost-Atlantische Oceaan. Het is aangemerkt als ‘bedreigd’ (Endangered), wordt bewoond door tweekleppigen en borstelwormen en wordt aangetast door intensieve visserij, met name bodemsleepnetten en dredges.
Einordnung
- Originalbezeichnung
- Atlantic upper circalittoral fine sand
- EUNIS
- MC521
- EU-28
- Endangered
- EU-28+
- Endangered
- FFH-Anhang I
- 1110; 1160 – Sandbanks which are slightly covered by sea water all the time; Large shallow inlets and bays
Het belangrijkste in het kort
- Leefgebied: Schone, goed gesorteerde fijne zanden (<5 % slib/klei) vanaf 30 tot 35 meter diepte in de open of kustnabije Atlantische Oceaan.
- EUNIS-code: MC521
- Europese Rode Lijst: Endangered (bedreigd) – zowel in de EU28 als in de EU28+-beoordeling.
- Habitatrichtlijn Bijlage I: Verwijzingen naar „zandbanken die permanent zeer ondiep onder water staan“ (1110) en „grote ondiepe baaien“ (1160).
- Kenmerkende soorten: In fijn zand levende tweekleppigen zoals Abra prismatica, Clausinella fasciata en Striarca lactea, borstelwormen zoals Hyalinoecia tubicola, evenals kleine vissen en kreeftachtigen.
- Belangrijkste bedreiging: Intensieve bodemvisserij (sleepnetten, dredges) die de zeebodem en de levensgemeenschappen sterk verandert.
EUNIS-indeling en classificatie
Het habitat draagt de EUNIS-code MC521. In de hiërarchie van mariene biotopen van het Europees Milieuagentschap behoort het tot de circalittorale fijne zanden van de Atlantische Oceaan. De term ‘circalittoraal’ beschrijft de dieptezone onder het doorlichte ondiepe water (infralittoraal), waar gewoonlijk geen benthische algen meer groeien. Het voorvoegsel ‘upper’ (bovenste) geeft aan dat het om het ondiepere deel van het circalittoraal gaat, meestal vanaf circa 30–35 meter waterdiepte. Het zand is schoon en bevat een zeer laag aandeel fijnkorrelig materiaal – een toestand die in stand wordt gehouden door regelmatige bodemstromingen.
Leefgebied en ecologische kenmerken
Het Atlantisch bovenste circalittoraal fijn zand komt voor op open kustgedeelten of in zeegebieden die op deze diepte nog onder invloed staan van Atlantische waterbeweging. Het sediment heeft een homogene korrelgrootte en bestaat uit zowel landafkomstige (terrigene) als organogene componenten. Omdat er zeer weinig kleiig-slibmateriaal aanwezig is, blijft het substraat goed doorlucht en biedt het ideale omstandigheden voor een soortenrijke infauna – dieren die in het zand leven en zich ingraven.
In vrijwel alle verspreidingsgebieden is dit habitat aangetast door intensieve visserij. Vooral bodemsleepnetten en dredges doorploegen de zandvlakten, vernietigen de bodemgemeenschappen en homogeniseren het sediment. Daarom wordt het voorkomen van commercieel benutte, kenmerkende soorten als onscherpe kwaliteitsindicator gebruikt – daar waar minder gevist wordt, kunnen de typische gemeenschappen van tweekleppigen en borstelwormen zich beter ontwikkelen.
Kenmerkende soorten
De diergemeenschap bestaat hoofdzakelijk uit gravende organismen. Op basis van de Europese Rode Lijst worden de volgende soorten als kenmerkend beschouwd:
| Soortgroep | Wetenschappelijke namen (selectie) | Nederlandse/begeleidende naam |
|---|---|---|
| Borstelwormen (Polychaeta) | Hyalinoecia tubicola, Laetmonice hystrix, Galathowenia oculata | Kokerwormen, schubwormen |
| Tweekleppigen (Bivalvia) | Abra prismatica, Clausinella fasciata, Parvicardium scabrum, Pitar rudis, Striarca lactea | Glanzende abra, venusschelp, hartschelpverwanten |
| Stekelhuidigen (Echinodermata) | Anseropoda placenta, Holothuria forskali | Geelrode zeester, Forskal-zeekomkommer |
| Overige tweekleppigen | Donax venustus, Tellina pulchella, Tellina planata, Cardium tuberculatum | Zaagje, platschelpen, hartschelpen |
| Slakken (Gastropoda) | Nassa mutabilis, Neverita josephina | Wenteltrapje, maanzakje |
| Kreeftachtigen (Crustacea) | Crangon crangon, Iphinoe josephina | Noordzeegarnaal, cumacee |
| Kleine vissen | Gobius microps, Callionymus belenus, Solea solea, Trachinus draco | Brakwatergrondel, goudglanzende pieterman, tong, pieterman |
Deze soorten vormen samen een gemeenschap die gevoelig reageert op verstoring. Vooral de langlevende tweekleppigen en roofzuchtige borstelwormen hebben stabiele, weinig door visserij beroerde zandbodems nodig.
Bedreiging volgens de Europese Rode Lijst
De Europese Rode Lijst van habitats (beoordeling voor EU28 en EU28+) classificeert het Atlantisch bovenste circalittoraal fijn zand als Endangered (bedreigd). Dat betekent dat de kans op een ongunstige toestand groot is of dat het habitat reeds sterk is aangetast en zonder beschermingsmaatregelen verder verloren kan gaan. De precieze beoordelingscriteria worden in de beschikbare brongegevens niet in detail vermeld; de bedreiging vloeit voort uit de grootschalige belasting door de visserij en de daarmee gepaard gaande structuurverliezen.
Relatie met Bijlage I van de Habitatrichtlijn
Het EUNIS-habitat MC521 kan worden gekoppeld aan twee beschermde habitattypen van de Habitatrichtlijn (Bijlage I):
- 1110: Zandbanken die permanent zeer ondiep onder water staan (sandbanks which are slightly covered by sea water all the time)
- 1160: Grote ondiepe baaien (large shallow inlets and bays)
Deze koppeling gebeurt met het kruisverwijzingsteken # in de beoordelingsgegevens van het Europees Milieuagentschap, wat betekent dat delen van het MC521-voorkomen kunnen samenvallen met deze habitatrichtlijntypen, zonder dat ze identiek hoeven te zijn. De typen 1110 en 1160 zijn relevant in Natura 2000-gebieden; in het kader van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie kan MC521 eveneens als referentieoppervlak dienen voor de goede milieutoestand.
Staat van instandhouding volgens Artikel 17
Voor het specifieke EUNIS-type MC521 is in de ons beschikbare brongegevens geen EU-brede staat van instandhouding volgens Artikel 17 van de Habitatrichtlijn vermeld. Dergelijke beoordelingen bestaan voor de overkoepelende, aan de bijlagen gerelateerde mariene habitats (bv. 1110), maar niet opgelost tot op het niveau van het circalittoraal fijn zand. Hieruit mag niet automatisch een gunstige staat van instandhouding worden afgeleid. In de biogeografische regio NEA (Noordoost-Atlantische Oceaan) bestaan er voor habitattype 1110 echter rapporten met overwegend een ongunstige toestand, wat door kan werken op MC521.
Verspreiding
Het habitat is uitsluitend gedocumenteerd in de biogeografische regio NEA (Noordoost-Atlantische Oceaan). Landgerelateerde gegevens ontbreken in het bronbestand. Op basis van de beschrijving ‘open kust of kustnabij vanaf 30–35 m diepte’ komen uitgestrekte delen van het West-Europese continentaal plat als potentiële verspreidingsgebieden in aanmerking, waaronder de continentale Atlantische kust van Frankrijk, de Britse eilanden en eventueel het Iberisch Schiereiland. Bodemstromingen houden de fijnzandstructuur in stand en voorkomen de ophoping van fijn sediment.
Bedreigingen en kwaliteitsindicatoren
De gegevensbasis vermeldt geen gestandaardiseerde kwaliteitsindicatoren voor dit habitat, maar stelt voor om het voorkomen van kenmerkende, commercieel benutte soorten als aanknopingspunt te gebruiken. De hoofd bedreiging is intensieve bodemvisserij, vooral via bodemsleepnetten en mosseldredges. Beide methoden veranderen het sediment blijvend, vernietigen de oppervlakkige infaunagemeenschappen en doden niet-doelsoorten. In sterk beviste gebieden nemen abundantie en diversiteit af, terwijl opportunistische soorten toenemen.
Andere mogelijke gevaren zijn:
- Eutrofiëring en zuurstoftekort in stroomluwe laagten
- Grind- en zandwinning op de zeebodem
- Onderwatergeluid door bouwwerkzaamheden en scheepvaart
Betekenis voor het ecosysteem
Circalittorale fijne zanden spelen een centrale rol als voedselbron voor bodemvissen zoals tong (Solea solea), griet of roggen. De gravende organismen woelen het sediment om, doorluchten het en beïnvloeden de vrijzetting van nutriënten. Omdat het licht in het circalittoraal niet meer toereikend is voor primaire productie, berust het gehele voedselweb op bezinkend organisch materiaal uit hogere waterlagen. Intacte circalittorale zandbodems bevorderen daardoor de koolstoftransport naar de zeebodem en vervullen een belangrijke functie in de mariene koolstofcyclus.
Link met tuin en gemeente
Als diep marien habitat heeft dit biotooptype geen directe relevantie voor tuinen of gemeentelijk groen. Een exacte namaak is niet mogelijk. Toch kunnen kustgemeenten door een verantwoorde omgang met strand en afvalwater bijdragen aan de gezondheid van de voorliggende zeebodems. Voorlichting over zeebescherming en de invloed van visserij schept bewustzijn voor dergelijke verborgen leefgebieden. In het binnenland vermindert een bewuste keuze voor duurzaam gevangen vis de druk op mariene bodemhabitats.
Veelgestelde vragen (FAQ)
-
Wat is ‘circalittoraal’ precies?
Circalittoraal beschrijft de zeezone onder de doorlichte ondiepwatergebieden. Hier groeien geen grotere algen meer, en de diergemeenschap bestaat hoofdzakelijk uit infauna en mobiele organismen. Bij het bovenste circalittoraal begint deze zone op ongeveer 30–35 meter diepte. -
Waarom is MC521 bedreigd?
De Europese Rode Lijst classificeert het habitat als bedreigd omdat in vrijwel alle verspreidingsgebieden intensieve bodemvisserij met sleepnetten en dredges de zeebodem sterk verandert en de kenmerkende gemeenschappen van tweekleppigen en wormen achteruitgaan. -
Valt dit habitat onder het Natura 2000-netwerk?
Het is niet rechtstreeks als een zelfstandig habitattype van de Habitatrichtlijn beschermd, maar heeft nauwe banden met de Bijlage I-typen 1110 (zandbanken) en 1160 (grote ondiepe baaien). Binnen deze beschermde typen kunnen deelaspecten van MC521 voorkomen. -
Welke soorten zijn bijzonder typisch?
Kenmerkend zijn in fijn zand levende soorten zoals de tweekleppige Abra prismatica, de borstelwormen Hyalinoecia tubicola en Laetmonice hystrix, de zeester Anseropoda placenta en kleine vissen zoals tong en pieterman. -
In welke landen komt MC521 voor?
De beschikbare brongegevens geven geen landen weer. Voorkomens beperken zich biogeografisch tot de Noordoost-Atlantische Oceaan (NEA) en vereisen schone fijne zanden vanaf ongeveer 30 meter diepte – daar waar Atlantische kustwateren geschikte omstandigheden bieden en de visserij niet alle locaties heeft vernietigd.
Bronnen
Häufige Fragen
Wat is ‘circalittoraal’ precies?
Circalittoraal beschrijft de zeezone onder de doorlichte ondiepwatergebieden. Hier groeien geen grotere algen meer, en de diergemeenschap bestaat hoofdzakelijk uit infauna en mobiele organismen. Bij het bovenste circalittoraal begint deze zone op ongeveer 30–35 meter diepte.
Waarom is MC521 bedreigd?
De Europese Rode Lijst classificeert het habitat als bedreigd omdat in vrijwel alle verspreidingsgebieden intensieve bodemvisserij met sleepnetten en dredges de zeebodem sterk verandert en de kenmerkende gemeenschappen van tweekleppigen en wormen achteruitgaan.
Valt dit habitat onder het Natura 2000-netwerk?
Het is niet rechtstreeks als een zelfstandig habitattype van de Habitatrichtlijn beschermd, maar heeft nauwe banden met de Bijlage I-typen 1110 (zandbanken) en 1160 (grote ondiepe baaien). Binnen deze beschermde typen kunnen deelaspecten van MC521 voorkomen.
Welke soorten zijn bijzonder typisch?
Kenmerkend zijn in fijn zand levende soorten zoals de tweekleppige Abra prismatica, de borstelwormen Hyalinoecia tubicola en Laetmonice hystrix, de zeester Anseropoda placenta en kleine vissen zoals tong en pieterman.
In welke landen komt MC521 voor?
De beschikbare brongegevens geven geen landen weer. Voorkomens beperken zich biogeografisch tot de Noordoost-Atlantische Oceaan (NEA) en vereisen schone fijne zanden vanaf ongeveer 30 meter diepte – daar waar Atlantische kustwateren geschikte omstandigheden bieden en de visserij niet alle locaties heeft vernietigd.