Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: MB333; MB3332; MB3333Europäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 1110; 1160

Meerjarige algengemeenschappen (zonder kelp) op Baltisch infralitoraal grof sediment

Meerjarige algengemeenschappen (zonder kelp) op Baltisch infralitoraal grof sediment zijn een habitat die in de hele EU als niet bedreigd (Least Concern) is beoordeeld. Ze komen voor in de fotische zone van de Oostzee op minstens 90% grof sediment en worden gedomineerd door meerjarige algen zoals Fucus-soorten of roodwieren. Volgens EUNIS worden ze geclassificeerd als MB333, MB3332 en MB3333; via bijlage I van de Habitatrichtlijn zijn ze beschermd als onderdeel van zandbanken (code 1110) en grote ondiepe baaien (1160).

Einordnung

Originalbezeichnung
Perennial algal communities (excluding kelp) on Baltic infralittoral coarse sediment
EUNIS
MB333; MB3332; MB3333
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
1110; 1160 – Sandbanks which are slightly covered by sea water all the time; Large shallow inlets and bays

Het belangrijkste in het kort

Meerjarige algengemeenschappen op Baltisch infralitoraal grof sediment zijn een karakteristiek habitat van de Oostzee. Ze ontstaan in de door zonlicht doordrongen zone (infralitoraal) op zeebodems die voor minstens 90% uit grof sediment bestaan. Meerjarige vastzittende algen – vooral bruinwieren van het geslacht Fucus of verschillende roodwieren – bedekken hier minstens 10% van de bodem en geven het habitat zijn karakter. Volgens de Europese Rode Lijst van habitats is dit type niet bedreigd (Least Concern). Via de Habitatrichtlijn is het beschermd als onderdeel van de habitattypen „Permanent met zeewater bedekte zandbanken“ (bijlage I, code 1110) en „Grote ondiepe zeearmen en baaien“ (code 1160).

Dit artikel beschrijft de indeling volgens de EUNIS-classificatie, de actuele status van bedreiging, de kenmerkende soorten en de betekenis voor het natuurbehoud in Europese zeegebieden.

EUNIS-classificatie: MB333, MB3332, MB3333

Het European Nature Information System (EUNIS) dient voor de eenduidige beschrijving van habitats in Europa. Het hier besproken biotooptype staat onder de codes MB333, MB3332 en MB3333 geregistreerd. Deze staan voor:

  • MB333 – Infralitoraal grofsediment met meerjarige algen (zonder kelp) in de Oostzee
  • MB3332 – Subtype met dominantie van Fucus-soorten (bv. Fucus radicans, F. serratus, F. vesiculosus)
  • MB3333 – Subtype met dominantie van meerjarige roodwieren (bv. Furcellaria lumbricalis, Coccotylus truncatus)

De onderverdeling volgt de gedetailleerde biotoopbeschrijvingen van het HELCOM HUB-classificatiesysteem, dat speciaal voor de Oostzee is ontwikkeld. HELCOM onderscheidt vier geassocieerde biotopen naar de overheersende algensoort:

HELCOM-biotoop (code)Dominante algenVoorbeelden
Fotische grofsedimentbodem met Fucus spp. (AA.I1C1)Meerjarige bruinwierenFucus radicans, F. serratus, F. vesiculosus
Fotische grofsedimentbodem met meerjarige, niet-draadvormige, korstvormige roodwieren (AA.I1C2)Meerjarige, niet-draadvormige, korstvormige roodwierenFurcellaria lumbricalis
Fotische grofsedimentbodem met meerjarige, bladachtige roodwieren (AA.I1C3)Meerjarige, bladachtige roodwierenCoccotylus spp., Phyllophora spp., Delesseria sanguinea
Fotische grofsedimentbodem met meerjarige, draadvormige algen (AA.I1C5)Meerjarige, draadvormige algenPolysiphonia spp., Cladophora rupestris, Aegagrophila linnaei

Deze vier uitingsvormen verschillen in hun diepteverbreiding, zouttolerantie en geografische verdeling binnen de Oostzee. Gemeenschappelijk is de minerale ondergrond van grof sediment (grind, stenen, grof zand) en een waterdiepte die nog voldoende licht biedt voor de groei van vastzittende macroalgen.

Rode Lijst van Europese habitats

In de Europese Rode Lijst van habitats (EU28 en EU28+), gepubliceerd door het Europees Milieuagentschap (EEA), is dit habitattype als Least Concern (niet bedreigd) beoordeeld. Dit betekent dat er volgens de huidige gegevens geen verhoogd risico is dat het habitat binnen afzienbare tijd verdwijnt of sterk in kwaliteit achteruitgaat. De beoordeling steunt op de totale situatie in de EU-lidstaten en de geassocieerde landen (EU28+). De criteria waarop deze status is gebaseerd, zijn in de beoordelingsdocumenten niet afzonderlijk vermeld – in de brongegevens ontbreekt het veld „Red List Criterion“.

Deze positieve beoordeling betekent niet dat lokale of regionale verstoringen uitgesloten zijn. Ze laat wel zien dat de bestanden in de gehele biogeografische regio Oostzee (BAL) stabiel genoeg zijn om geen bedreigingscategorie te rechtvaardigen.

FFH-bijlage I: beschermde habitattypen

Hoewel het EUNIS-type zelf niet als een eigen eenheid in bijlage I van de Habitatrichtlijn is opgenomen, valt het onder twee daarin genoemde habitattypen:

  • Permanent met zeewater bedekte zandbanken (code 1110)
  • Grote ondiepe zeearmen en baaien (code 1160)

Beide behoren tot de prioritaire beschermingsgoederen van het Europese Natura 2000-netwerk. De samenhang is in de brongegevens aangeduid met „#“, wat wijst op een overlappende maar niet volledig congruente toewijzing. Dat betekent: in gebieden die volgens bijlage I als zandbank of grote ondiepe baai beschermd zijn, kunnen voorkomens van dit Baltische algenhabitat liggen en daarvan profiteren.

Kenmerkende soorten en habitatstructuur

Het habitat wordt bepaald door de wisselwerking tussen de geologische ondergrond en meerjarige algen. Het aandeel grof sediment moet minstens 90% bedragen, de algenbedekking minimaal 10% van het zeeoppervlak. Tot de kenmerkende soorten behoren:

  • Bruinwieren: Fucus spp. (waaronder Fucus radicans, F. serratus, F. vesiculosus)
  • Roodwieren: Furcellaria lumbricalis, Coccotylus truncatus, Phyllophora spp., Delesseria sanguinea, Polysiphonia spp.
  • Groenwieren: Cladophora rupestris
  • Overige: Sphacelaria spp., Aegagrophila linnaei

Het meerjarige karakter van deze soorten is een doorslaggevend kenmerk: anders dan eenjarige draadalgen kunnen zij stabiele, gelaagde bestanden opbouwen die aan talrijke ongewervelde dieren (bv. kreeftachtigen, slakken) en jonge vissen onderdak en voedsel bieden. De algenfilamenten en -thalli verhogen de structurele complexiteit van de anders door kaal sediment beheerste bodem.

Kwaliteitskenmerken en bedreigingen

Voor dit habitat bestaan er geen uniforme, Europa-breed overeengekomen kwaliteitsindicatoren. De Europese Rode Lijst van habitats noemt wel twee potentiële parameters waarmee de habitatkwaliteit ter plaatse beoordeeld kan worden:

  1. Onderste dieptegrens van de algenbestanden: met name bij Fucus-soorten wijst een verschuiving naar geringere diepten erop dat de lichtcondities of de waterkwaliteit zijn verslechterd.
  2. Hoeveelheid epifytische algen: een overmatige begroeiing van eenjarige of draadvormige algen op de meerjarige soorten kan een teken zijn van verhoogde nutriëntenbelasting (eutrofiëring).

In Natura 2000-gebieden kunnen daarnaast lokaal vastgestelde referentiewaarden en indicatoren worden gebruikt. Algemeen geldende, geoperationaliseerde kwaliteitsindicatoren die in het kader van de EU-rapportage worden gebruikt, zijn echter niet gedefinieerd.

Gevaren en concrete bedreigingen zijn in de beschikbare brongegevens niet gespecificeerd. Het ontbreken van deze gegevens mag niet als geruststelling worden opgevat: bekende belastingen voor mariene macroalgen-habitats in de Oostzee zijn onder meer eutrofiëring, klimaatverandering (opwarming, veranderende saliniteit), scheepsankers en mechanische vernietiging door bodemsleepnetvisserij. Omdat deze factoren niet uit de officiële Rode Lijst naar voren komen, kunnen ze hier slechts als algemene problematiek van mariene ecosystemen worden genoemd.

Verspreiding en voorkomen

Het habitat komt uitsluitend voor in de biogeografische regio Oostzee (BAL) – dus in het gehele Oostzeegebied. Concrete landenlijsten zijn niet in de brongegevens opgenomen. Gezien de ecologische eisen kan het in vrijwel alle EU-kustlanden van de Oostzee worden verwacht, mits geschikt grof sediment in de fotische zone aanwezig is. Het verspreidingspatroon weerspiegelt de saliniteitszones van de Oostzee: terwijl Fucus-soorten in de zoutere westelijke en zuidelijke delen domineren, treden in de brakke gebieden eerder roodwieren of draadvormige soorten op de voorgrond.

De waterdiepte reikt doorgaans tot ongeveer 10 meter, maar kan door lokale vertroebeling of algenbloei variëren. Doorslaggevend is dat er voldoende licht binnendringt om meerjarige algen permanent te laten groeien en voortplanten.

Betekenis voor de biodiversiteit

Ook al is het aantal soorten in de Oostzee door de lage saliniteit beperkt, dit biotooptype vormt een hotspot voor bodemlevensgemeenschappen. De meerjarige algen dienen als:

  • Habitatvormers: ze creëren een driedimensionaal microhabitat voor kreeftachtigen, slakken, schelpdieren en borstelwormen.
  • Paai- en opgroeihabitat: veel vissoorten, waaronder de haring, gebruiken algenbossen als paaisubstraat of als beschut leefgebied voor jonge vissen.
  • Schakel in het voedselweb: epifyten en detritus van algenbiomassa zijn de voedselbasis voor detrivoren en grazers, die op hun beurt door roofvissen worden benut.

Een teruggang van deze meerjarige algenbestanden zou dus gevolgen hebben voor het gehele voedselweb van vergelijkbare ondiepe watergebieden in de Oostzee.

Relatie tot Natura 2000 en beschermingsmaatregelen

De overlap met de FFH-habitattypen 1110 en 1160 vormt de belangrijkste beschermingsaanpak. Natura 2000-gebieden die zandbanken of grote ondiepe baaien omvatten, moeten in een gunstige staat van instandhouding worden gehouden of daarin worden hersteld. Maatregelen op het gebied van kustbescherming, visserijregulering en nutriëntenbeheer komen daarom ook dit algenhabitat ten goede.

De staat van instandhouding volgens artikel 17 van de Habitatrichtlijn is voor dit specifieke EUNIS-type niet in de brongegevens vermeld. Gegevens over de Artikel-17-status bestaan alleen voor de overkoepelende bijlage-I-typen, en zelfs daar zijn de beoordelingen voor de Baltische regio niet direct op dit gedetailleerde biotooptype van toepassing. Dit betekent dat er hier een gegevenslacune is en de kwaliteit van het habitat slechts indirect kan worden beoordeeld via de ontwikkeling van de bijlage-I-habitats.

Conclusie

De meerjarige algengemeenschappen op Baltisch grof sediment zijn een belangrijk, maar vaak over het hoofd gezien habitat van de Oostzee. De classificatie als niet bedreigd mag niet verhullen dat zij sluipende belastingen zoals eutrofiëring ondergaan. Met hun opname in de bijlage-I-typen van de Habitatrichtlijn (1110 en 1160) bestaat er desalniettemin een institutioneel kader om het behoud ervan te waarborgen.

Meer informatie is te vinden in de datapakketten van het Europees Milieuagentschap en in de HELCOM-HUB-beschrijvingen die door regionale mariene onderzoeksinstituten worden gebruikt.

Häufige Fragen

Wat zijn meerjarige algengemeenschappen op Baltisch infralitoraal grof sediment?

Het is een marien habitat in de Oostzee dat voorkomt op minstens 90% grof sediment in de door zonlicht doordrongen zone en bedekt is met meerjarig vastzittende algen zoals Fucus-soorten of roodwieren.

Hoe is dit habitat volgens EUNIS geclassificeerd?

Het wordt gevoerd onder de EUNIS-codes MB333, MB3332 en MB3333, die verschillende dominantietypen van algen (bruinwieren, roodwieren) weergeven.

Is dit biotooptype bedreigd?

Nee, volgens de Europese Rode Lijst van habitats is het als „Least Concern” (niet bedreigd) beoordeeld. Er zijn echter geen gedetailleerde bedreigingscriteria beschikbaar.

Welke FFH-bijlage-I-typen omvatten dit habitat?

Het is onderdeel van de habitattypen 1110 „Permanent met zeewater bedekte zandbanken“ en 1160 „Grote ondiepe zeearmen en baaien”.

Welke kenmerkende soorten bepalen het habitat?

Beeldbepalend zijn bruinwieren van het geslacht Fucus, de roodwieren Furcellaria lumbricalis, Coccotylus truncatus, Delesseria sanguinea, alsook draadvormige soorten zoals Polysiphonia spp. en Cladophora rupestris.

Quellen