Subarctisch vulkanisch veld (EUNIS H6.1, Rode Lijst H5.1c) – habitat op IJsland en Jan Mayen
Het subarctisch vulkanisch veld is een schaars begroeid habitattype op actieve en oude lavavelden op IJsland en Jan Mayen. Het behoort tot de zogenoemde ‘edafische woestijnen’ met extreem lage nutriëntengehaltes en is volgens de Europese Rode Lijst van habitats geclassificeerd als niet bedreigd (Least Concern).
Einordnung
- Originalbezeichnung
- Subarctic volcanic field
- EUNIS
- H6.1 – Active volcanic features
- EU-28
- -
- EU-28+
- Least Concern
Het belangrijkste in het kort
Het subarctisch vulkanisch veld is een in Europa zeldzaam, van nature boomloos habitattype. Het omvat schaars begroeide vulkanische landschappen in de subarctische en arctische zone. Het gaat om actieve vulkanen, jonge lavastromen, oudere lavavelden en -hellingen, en vulkanische vlakten met slechts een geringe vegetatiebedekking.
- EUNIS-code: H6.1 – Active volcanic features (actieve vulkanische verschijnselen)
- Rode-Lijstcode: H5.1c – Subarctic volcanic field (Subarctisch vulkanisch veld)
- Bedreigingsstatus (EU28+): Least Concern (niet bedreigd)
- FFH-Bijlage I: niet opgenomen; geen Artikel 17-instandhoudingsstatus
- Verspreiding: grootschalig in het centrale hoogland van IJsland, lokaal ook in het laagland; kleinschalig op het Noorse arctische eiland Jan Mayen
- Kenmerken: extreem voedselarme, snel uitdrogende grind- en lavabodems, die slechts door enkele vaatplanten en pionierkorstmossen worden gekoloniseerd
Het habitat wordt in het IJslands melar genoemd en vormt een ‘edafische woestijn’ – droogte en winderosie verhinderen een gesloten plantendek. Een overplanting naar tuinen is vanwege de extreme standplaatscondities niet mogelijk; lavasteentuinen kunnen slechts een visuele gelijkenis oproepen.
EUNIS-classificatie en typetoewijzing
Binnen het Europese habitatclassificatiesysteem EUNIS wordt het biotooptype ondergebracht onder H6.1 Active volcanic features. Deze code staat voor geomorfologisch actieve of jong gevormde vulkanische landschappen die slechts fragmentarisch door hogere planten worden begroeid.
In de Europese Rode Lijst van habitats draagt het type de aanduiding H5.1c – Subarctic volcanic field. Het is daar afgebakend als een zelfstandig terrestrisch habitattype. De EUNIS-toewijzing is als crosswalk genoteerd en kwalitatief gemarkeerd met ‘#’ – dat wil zeggen dat H6.1 het Rode-Lijsttype volledig dekt.
Het type is nauw verwant aan:
- Fjellvelden (H5.1a), die echter gematigd-subalpiene en boreale bergstandplaatsen op meestal zure silicaatgesteenten innemen en sterker door mossen en korstmossen worden gekenmerkt.
- Mos- en korstmostoendra (F1.2), waarin het vulkanisch veld bij voortschrijdende bodemontwikkeling en toename van de korstmosbedekking kan overgaan.
Bedreiging volgens de Europese Rode Lijst
De huidige beoordeling (EU28+-assessment) classificeert het subarctisch vulkanisch veld als ‘Least Concern’ (LC). Dat betekent dat het habitat op Europees niveau momenteel niet als bedreigd wordt beschouwd.
- Rode-Lijstcategorie (EU28+): Least Concern
- Beoordelingscriterium: in de beschikbare brongegevens niet gespecificeerd
- Reikwijdte: European Red List of Habitats: EU28 and EU28+ assessments
Deze classificatie weerspiegelt de natuurlijke stabiliteit van de lavavelden. In de ruwe data worden geen actieve bedreigingen vermeld; verstoring kan hoogstens ontstaan door grootschalige infrastructuurprojecten, intensief toerisme of klimaatveranderingen die de toch al geringe vochtbeschikbaarheid verder zouden kunnen reduceren.
FFH-Richtlijn en beschermingsstatus
Het subarctisch vulkanisch veld is niet opgenomen in Bijlage I van de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG). Bijgevolg bestaat er ook geen Artikel 17-instandhoudingsstatus op Europees niveau.
Op IJsland vallen grote delen van het hoogland buiten landbouwkundig gebruik en zijn ze beschermd via nationale beschermingsverordeningen en de specifieke IJslandse natuurbeschermingswetgeving. Jan Mayen staat vrijwel geheel als natuurreservaat onder strikte bescherming. Hoewel de formele EU-beschermingsstatus ontbreekt, zijn de gebieden dus in de praktijk gevrijwaard van ernstige ingrepen.
Habitat en karakteristieke soorten
Standplaatscondities
De centraal-IJslandse vulkanische velden bestaan uit stenige, grindige en grofzandige bodems met siltfracties, die bezaaid zijn met verspreide stenen en rotsblokken. Deze melar zijn:
- zeer goed gedraineerd,
- extreem voedselarm,
- drogen op zonnige, winderige dagen snel uit, en
- zijn onderhevig aan sterke winderosie die een hogere vegetatiebedekking verhindert.
In windbeschutte laagtes vertraagt de sneeuwsmelting, zodat plaatselijk overgangen naar sneeuwbodems met soorten uit het verbond Salicion herbaceae voorkomen. Op stabielere plekken dringen mossen en korstmossen binnen en leiden ze tot heideachtige of door mossen gedomineerde toendra’s.
Plantengemeenschappen
Op de droge grindvlakten domineert de associatie Armerio-Silenetum acaulis binnen het verbond Veronico-Poion glaucae. Deze gemeenschap wordt vegetatiekundig deels tot de klasse van de droge zandgraslanden (Koelerio-Corynephoretea), deels tot de puinhellinggemeenschappen (Sedo-Scleranthetea) gerekend. De exacte syntaxonomische plaatsing is niet definitief opgehelderd.
Karakteristieke vaatplanten
De soortenlijst is afkomstig uit de Europese Rode Lijst en vermeldt uitsluitend vaatplanten die als typisch voor het subarctisch vulkanisch veld gelden:
| Wetenschappelijke naam | Nederlandse naam (indien gebruikelijk) |
|---|---|
| Agrostis vinealis | Zandstruisgras |
| Arenaria norvegica | Noorse zandmuur |
| Armeria maritima | Engels gras |
| Cardaminopsis petraea | Rotskartelblad* |
| Cerastium alpinum | Alpenhoornbloem |
| Luzula spicata | Aarveldbies |
| Lychnis alpina | Alpenpekanjer |
| Oxyria digyna | Alpenzuring |
| Poa glauca | Blauwgroen beemdgras |
| Saxifraga oppositifolia | Purpersteenbreek |
| Silene acaulis | Stengelloze silene |
| Thymus arcticus | Arctische tijm |
| * Voor Cardaminopsis petraea is geen algemeen gangbare Nederlandse naam; alternatief kan 'Rotsarabis' worden gebruikt. |
Deze hemikryptofyten verdragen de schrale omstandigheden dankzij kussenvormige groei, diepe wortels en een grote droogteresistentie. Cryptogamen (mossen en korstmossen) komen met een lage bedekking voor; pas op oudere, gestabiliseerde lavavelden neemt hun aandeel toe.
Pionierkorstmossen op jonge lavavelden
Betrekkelijk jonge lavastromen worden aanvankelijk uitsluitend door korstmossen gekoloniseerd. Belangrijke pioniersoorten zijn:
- Stereocaulon denudatum
- Peltigera malacea
- Cladonia mitis, C. rangiformis, C. uncialis, C. coccifera
- Alectoria ochroleuca
Bij voortschrijdende successie ontstaan door Racomitrium gedomineerde mostoendra’s, die al tot het EUNIS-type Mos- en korstmostoendra (F1.2) gerekend mogen worden.
Ecologische processen en kwaliteitsindicatoren
Een intact subarctisch vulkanisch veld kenmerkt zich door een langdurig stabiele, extreem lage vegetatiebedekking. De in de Rode Lijst opgenomen kwaliteitsindicatoren zijn:
| Kenmerk van een goede toestand | Beschrijving |
|---|---|
| Langetermijnstabiliteit van de open plekken | De grotendeels vegetatieloze of slechts schaars begroeide plekken blijven vele jaren behouden. |
| Geen dominantie van mossen | Een overmaat aan mossen wijst op een vergevorderde bodemontwikkeling en een typeverandering. |
| Lage bedekkingsgraad van pionierkorstmossen | Op de grindvelden is de korstmosbedekking van nature laag; hoge percentages duiden op latere successiestadia. |
Deze indicatoren benadrukken dat de waarde van het habitat juist in de vegetatiearme verschijningsvorm ligt. Elke verdichting van het plantendek signaleert een verandering van het edafische woestijnkarakter en kan er op termijn toe leiden dat dit specifieke biotooptype verdwijnt.
Verspreiding in Europa
Het subarctisch vulkanisch veld is een endemisch habitat van de Noord-Atlantische vulkaaneilanden.
- IJsland: Grootschalig in het centrale hoogland, overal waar lavavelden en vulkanisch gesteente niet door gletsjers zijn bedekt, maar ook in lagere regionen. Het IJslandse hoogland is grotendeels boomloos en de vegetatie wordt van nature laag gehouden door het extreme weer.
- Jan Mayen (Noorwegen): Op het afgelegen Arctische eiland komen kleinschalig slechts schaars begroeide lavavelden voor; ze beperken zich tot die gebieden die na recente vulkanische uitbarstingen nog niet door gesloten vegetatie zijn ingenomen.
Buiten deze twee gebieden komt het habitattype in Europa niet voor.
Verschillen met gelijkaardige habitats
Fjellvelden (H5.1a)
Fjellvelden zijn schaars begroeide habitats van de gematigde en boreale midden- en hooggebergten. Ze groeien meestal op zuur silicaatgesteente en worden sterker door mossen en korstmossen bepaald. Daarentegen is het subarctisch vulkanisch veld aan vulkanisch substraat gebonden en wordt het gekenmerkt door extreme droogte en winderosie.
Mos- en korstmostoendra (F1.2)
Dit EUNIS-type omvat toendra’s waarin mossen (met name Racomitrium) of korstmossen domineren. Het vertegenwoordigt een later successiestadium dat uit het vulkanisch veld kan voortkomen wanneer lavabodems verouderen en een dunne humuslaag ontstaat. De toendra’s vertonen een duidelijk hogere bedekking met cryptogamen dan het eigenlijke vulkanisch veld.
Tuin- en gemeentelijk groen
Een 1-op-1-nabootsing van het subarctisch vulkanisch veld in een tuin of openbaar groen is niet mogelijk. De extreme standplaatscondities – voortdurende blootstelling aan wind, onbemeste lavazanden, uitgesproken droogte met vorstwisselingen en een vegetatieperiode van slechts enkele weken – zijn in Midden-Europa niet te reproduceren.
Wie een visuele benadering zoekt, kan met lavasteentuinen of alpiene grindbedden werken. Daarbij worden basalten of lavagruisrijke substraten en droogtetolerante polplanten zoals Silene acaulis of kleine Saxifraga-soorten gebruikt. Daarmee ontstaat echter steeds een tuinbouwkundig vormgegeven droogstandplaats, niet het ecologische samenspel van het natuurlijke vulkanisch veld. Zulke aanplantingen kunnen als vormgevingselement dienen en de aandacht vestigen op de schoonheid van schrale landschappen, maar vervangen de specifieke bescherming van het natuurlijke habitattype niet.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Wat verstaat men onder een subarctisch vulkanisch veld?
Het subarctisch vulkanisch veld is een in Europa beschermd habitattype (Rode Lijst H5.1c) dat schaars begroeide actieve en oudere vulkanische landschappen in subarctische en arctische gebieden omvat. Kenmerkend zijn lavavelden, asvlakten en grindvlaktes met een extreem lage vegetatiebedekking.
Welke planten zijn kenmerkend voor dit habitat?
Slechts weinig vaatplanten verdragen de omstandigheden. Hiertoe behoren stengelloze silene (Silene acaulis), Engels gras (Armeria maritima), blauwgroen beemdgras (Poa glauca) en purpersteenbreek (Saxifraga oppositifolia). Op jonge lavastromen treden uitsluitend korstmossen zoals Stereocaulon denudatum op.
Is het subarctisch vulkanisch veld bedreigd?
Volgens de Europese Rode Lijst van habitats geldt het type als niet bedreigd (Least Concern). In de beschikbare gegevens zijn geen acute bedreigingen vermeld, hoewel klimaatveranderingen op lange termijn de stabiliteit van de edafische woestijnen kunnen beïnvloeden.
Waarom staat het habitat niet op FFH-Bijlage I?
Het subarctisch vulkanisch veld is niet opgenomen in Bijlage I van de Habitatrichtlijn, vermoedelijk omdat het op Europees niveau als zeer kleinschalig en van nature stabiel werd beschouwd. Een Artikel 17-monitoring vindt daarom niet plaats; de bescherming verloopt via nationale regelgeving in IJsland en Noorwegen.
Kan men een subarctisch vulkanisch veld in de eigen tuin nabootsen?
Nee, een ecologisch functionele nabootsing is niet mogelijk, omdat de extreme abiotische factoren (voortdurende winderosie, afwezigheid van voedingsstoffen, zeer korte vegetatieperiode) in Midden-Europa niet te realiseren zijn. Tuinlavatuinen kunnen echter een vergelijkbare esthetische indruk geven.
Häufige Fragen
Wat verstaat men onder een subarctisch vulkanisch veld?
Het subarctisch vulkanisch veld is een in Europa beschermd habitattype (Rode Lijst H5.1c) dat schaars begroeide actieve en oudere vulkanische landschappen in subarctische en arctische gebieden omvat. Kenmerkend zijn lavavelden, asvlakten en grindvlaktes met een extreem lage vegetatiebedekking.
Welke planten zijn kenmerkend voor dit habitat?
Tot de weinige vaatplanten behoren stengelloze silene (Silene acaulis), Engels gras (Armeria maritima), blauwgroen beemdgras (Poa glauca) en purpersteenbreek (Saxifraga oppositifolia). Jonge lavastromen worden alleen door korstmossen zoals Stereocaulon denudatum gekoloniseerd.
Is het subarctisch vulkanisch veld bedreigd?
Op Europees niveau wordt het habitat geclassificeerd als niet bedreigd (Least Concern). Concrete actuele bedreigingen worden in de brongegevens niet genoemd; klimaatveranderingen kunnen echter op lange termijn van invloed zijn.
Waarom staat het habitat niet op FFH-Bijlage I?
Het type is niet opgenomen in Bijlage I; een officiële reden is niet bekend. Een Artikel 17-instandhoudingsstatus bestaat daarom niet. De bescherming verloopt via nationale IJslandse en Noorse regelgeving.
Kan men een subarctisch vulkanisch veld in de eigen tuin nabootsen?
Een ecologische nabootsing is niet mogelijk. Droge lavasteentuinen met droogtetolerante polplanten kunnen visueel aan het habitat herinneren, maar vervangen het niet.