Naar hoofdinhoud springen
EUNIS: F3.2; FA.3; FA.4Europäische Rote Liste: Least ConcernFFH-Anhang I: 40C0; 40A0; 5110

Gematigde en submediterrane doornstruwelen – EUNIS F3.2 / FA.3 / FA.4

Gematigde en submediterrane doornstruwelen zijn 1,5–3 m hoge, doornige struwelen van zomergroene struiken uit de orde Prunetalia. Ze komen voor langs bosranden, in heggen en op braakland in de gematigde en submediterrane zone van Europa. Op de Europese Rode Lijst van habitats staat dit type als niet bedreigd (Least Concern).

Einordnung

Originalbezeichnung
Temperate and submediterranean thorn scrub
EUNIS
F3.2; FA.3; FA.4 – Sub-Mediterranean deciduous thickets & brushes; Species-rich hedgerows of native species; Species-poor hedgerows of native species
EU-28
Least Concern
EU-28+
Least Concern
FFH-Anhang I
40C0; 40A0; 5110 – * Ponto-Sarmatic deciduous thickets; * Subcontinental peri-Pannonic scrub; Stable xerothermophilous formations with Buxus sempervirens on rock slopes (Berberidion pp)

Het belangrijkste in het kort

Gematigde en submediterrane doornstruwelen (EUNIS F3.2, FA.3, FA.4) zijn 1,5–3 m hoge, doornige struwelen van zomergroene struiken en lage bomen uit de orde Prunetalia. Ze komen voor langs bosranden, in successiestadia, heggen en houtwallen van de gematigde en submediterrane zone van Europa en staan op de Europese Rode Lijst als niet bedreigd (Least Concern). Verschillende habitattypen van Bijlage I van de Habitatrichtlijn (40C0, 40A0, 5110) overlappen met dit biotoop, maar zijn niet identiek. Het habitattype is ecologisch zeer waardevol dankzij de doornige, besdragende struiken en de rijkdom aan klimplanten, vogels en vlinders.

Wat zijn gematigde en submediterrane doornstruwelen?

De term ‘gematigde en submediterrane doornstruwelen’ omvat een groep struwelen en lage struikformaties die ongeveer 1,5 tot 3 meter hoog worden. De dominante houtige soorten zijn zomergroen (bladverliezend) en behoren grotendeels tot de plantensociologische orde Prunetalia. Veel ervan dragen doorns of stekels en vormen in de herfst vruchten die een belangrijke voedselbron voor wilde dieren zijn.

Kenmerkend is het voorkomen als zoom langs bossen, op open plekken of op verlaten weilanden en akkers, waar het struweel een overgangsstadium (successie) van grasland naar bos vormt. Er bestaan echter ook permanente, natuurlijke bestanden: op ondiepe, rotsige steile hellingen waar zich geen gesloten bos kan ontwikkelen. In cultuurlandschappen komt het type vaak voor als haag of bosje en is het een hotspot van biodiversiteit.

De EUNIS-classificatie onderscheidt drie verschijningsvormen die hier samen worden behandeld:

  • F3.2 – Submediterraan bladverliezend struikgewas
  • FA.3 – Soortenrijke hagen van inheemse soorten
  • FA.4 – Soortenarme hagen van inheemse soorten

Het verspreidingsgebied reikt van de Atlantische en Midden-Europese laag- en heuvellanden via de submediterrane gebergten tot in Zuid-Scandinavië. Op de Balkan wordt een groot deel van de bestanden Šibljak genoemd – een bladverliezend struikbos dat vaak secundair is ontstaan na ontbossing en wordt gedomineerd door warmteminnende soorten als Fraxinus ornus (pluimes) en Cotinus coggygria (pruikenboom).

EUNIS-classificatie: F3.2, FA.3 en FA.4

De Europese EUNIS-indeling kent aan dit habitattype drie codes toe, omdat de vormen zowel structureel (struweel vs. haag) als floristisch verschillen.

EUNIS-codeEUNIS-beschrijvingTypische kenmerken
F3.2Submediterraan bladverliezend struikgewasStruikachtige begroeiingen langs bosranden en op open plekken; vaak met veel Rosa-soorten
FA.3Soortenrijke hagen van inheemse soortenHagen met een hoog aandeel inheemse doornstruiken zoals sleedoorn en meidoorn; veel begeleidende soorten
FA.4Soortenarme hagen van inheemse soortenHagen die door één of enkele struiksoorten worden overheerst, bijv. een sleedoornhaag

Ondanks de verschillende aanblik delen al deze eenheden dezelfde ecologische basisvoorwaarden: droge tot vochtige, goed gedraineerde, relatief basenrijke en matig voedselarme tot -rijke bodems. De bestanden zijn meestal secundair, maar kunnen op extreme standplaatsen (ondiepe rotsen, puinhellingen) een blijvende, primaire vegetatie vormen.

Europese Rode Lijst van habitats: Least Concern

Op de actuele Europese Rode Lijst van habitats (beoordeling EU28 en EU28+) wordt het gematigde en submediterrane doornstruweel als „Least Concern“ (niet bedreigd) genoteerd. Dit betekent dat het habitattype volgens de EU-brede criteria momenteel niet als bedreigd geldt. De beoordeling is gebaseerd op het referentiekader van het Europees Milieuagentschap en houdt rekening met zowel natuurlijke bestanden als secundaire, cultuurgebonden voorkomens.

Omdat het vaak om een successiestadium gaat, kan het habitat van nature weer in bos overgaan wanneer het gebruik of de verstoring wegvalt. In het cultuurlandschap zorgen extensieve begrazing of haagscheerbeheer voor het behoud. Een bedreiging vormt vooral de intensivering van de landbouw, overmatige uitbreiding van bebouwing en invasieve uitheemse houtige soorten – de exacte bedreigingsfactoren worden in de brongegevens niet afzonderlijk vermeld.

Habitatrichtlijn Bijlage I-codes: 40C0, 40A0 en 5110

Het hier beschreven EUNIS-habitat overlapt met verschillende habitattypen van Bijlage I van de Habitatrichtlijn. De volgende codes worden in de brongegevens als verbonden (‘#’ = niet volledig congruent) of als ‘>’ (overkoepelende eenheid) opgevoerd:

Bijlage I-codeNaamOpmerking
40C0* Ponto-Sarmatische bladverliezende struwelenBehoort deels tot het soortenspectrum; regionale variant in Zuidoost-Europa
40A0* Subcontinentale peri-Pannonische struwelenNauwe verwantschap; overlapt gedeeltelijk met doornstruwelen van laag- en heuvelland
5110Stabiele xerotherme formaties met Buxus sempervirens op rotshellingen (Berberidion p.p.)Buxusstruwelen worden onder F5.3 gevat; deze code overlapt slechts marginaal wanneer doornstruiken meedoen

De met ‘*’ gemarkeerde typen gelden als prioritaire habitats van de Habitatrichtlijn. Een directe 1:1-toewijzing tussen een EUNIS-code en deze Bijlage I-typen is niet mogelijk, omdat de Habitatrichtlijntypen enger zijn gedefinieerd en betrekking hebben op specifieke geografische of plantensociologische eenheden. Waar het doornstruweel binnen een van deze prioritaire typen voorkomt, is het beschermingswaardig bovengemiddeld.

Verspreiding in Europa

Het zwaartepunt van het habitattype ligt in West- en Midden-Europa en op de Balkan. In het Middellandse Zeegebied is het beperkt tot de gebergten; naar het noorden reikt het tot in Zuid-Scandinavië. Enkele voorkomens bestaan ook op droge, warme rotshellingen in hogere middelgebergten.

In het cultuurlandschap behoort het doornstruweel tot de belangrijkste habitats – met name voor dieren die dekking, nestgelegenheid en voedzame vruchten zoeken. Bij het opgeven van het gebruik van droge graslanden en akkers breidt het zich vaak uit voordat er bosvorming optreedt. De verspreidingskaarten van de EUNIS-databank geven een globaal overzicht; in de gebruikte brongegevens zijn echter geen landspecifieke verspreidingsgegevens opgenomen.

Typische planten en indicatorsoorten

De struiklaag wordt gevormd door doornige en niet-doornige houtige gewassen. Tot de meest voorkomende en kenmerkende soorten in Midden- en West-Europa behoren:

  • Prunus spinosa (sleedoorn) – vaak dominant, vormt dichte, gedoornde struwelen
  • Crataegus monogyna (eenstijlige meidoorn) en C. laevigata
  • Rhamnus cathartica (wegedoorn)
  • Rosa canina agg. (hondsroos) en vele apomictische Rosa-soorten zoals Rosa rubiginosa, R. micrantha, R. tomentosa

Afhankelijk van de regio komen daar warmteminnende soorten bij, zoals Ligustrum vulgare (wilde liguster), Cornus mas (gele kornoelje), Viburnum lantana (wollige sneeuwbal) en op drogere plaatsen Prunus mahaleb (weichselboom) en Acer monspessulanum (Franse esdoorn). Op de Balkan bepalen bovendien Paliurus spina-christi (christusdoorn) en Syringa vulgaris (sering) de Šibljak.

Klimplanten zijn een karakteristiek kenmerk van dit habitattype. Regelmatig treden op:

  • Hedera helix (klimop)
  • Clematis vitalba (bosrank)
  • Tamus communis (spekwortel)
  • In warmere streken ook Smilax asper en Clematis flammula.

Als groenblijvende struiken zoals Ruscus aculeatus (muisdoorn) of Phillyrea latifolia (steeneik-achtige) met een hoge bedekkingsgraad optreden, gaat het eerder om een submediterrane pseudomaquis (F5.3) – een verwant maar zelfstandig habitattype.

Dierenleven van het doornstruweel

De dichte, doornige structuur en het aanbod aan nectar en bessen maken het doornstruweel tot een hotspot voor fauna. In de brongegevens worden de volgende karakteristieke soorten expliciet genoemd (selectie):

Zoogdieren:

  • Hazelmuis (Muscardinus avellanarius)

Vogels:

  • Cirlgors (Emberiza cirlus)
  • Geelgors (Emberiza citrinella)
  • Orpheusspotvogel (Hippolais polyglotta)
  • Grauwe klauwier (Lanius collurio)
  • Ringmus (Passer montanus)

Vlinders:

  • Groot koolwitje-achtige? (Aporia crataegi) – boomwitje (NL: groot geaderd witje? Actually Aporia crataegi is in Dutch 'groot geaderd witje')
  • Pruimenpage (Satyrium pruni)
  • Sleedoornpage (Satyrium spini)
  • Iepenpage (Thecla betulae) – let op: Thecla betulae is in NL 'iepenpage', maar gebruikt iep; hier correct.
  • Koningspage (Iphiclides podalirius) en vele andere.

Daarnaast profiteren tal van andere insecten van de bloemen en vruchten, en de doorns bieden beschermde nestplaatsen voor vogels. In extensief beheerde heggenlandschappen bereikt de biodiversiteit haar hoogtepunt.

Kwaliteitskenmerken en staat van instandhouding

Voor de beoordeling van een gunstige toestand noemt het EUNIS-bronmateriaal de volgende kwaliteitsindicatoren:

  • Diversiteit aan struiksoorten (soortenrijkdom)
  • Aanwezigheid van zeldzame Rosa-soorten
  • Afwezigheid van niet-inheemse (invasieve) houtige gewassen
  • Rijk bessenaanbod in de herfst als voedselbron voor vogels en zoogdieren
  • Aanwezigheid van bloemen in het voorjaar als nectarbron voor insecten

Een beoordelingsschema volgens Artikel 17 van de Habitatrichtlijn (staat van instandhouding op het niveau van biogeografische regio’s) is in de databestanden van het Europese Rode Lijst-project niet beschikbaar. Daarom kan hier geen uitspraak worden gedaan over de staat van instandhouding van de genoemde Bijlage I-habitats. Dergelijke gegevens worden separaat door de lidstaten gerapporteerd en zijn opvraagbaar in de Habitatrichtlijndatabanken van het EEA.

Betekenis voor tuin en cultuurlandschap

Het habitattype is niet één-op-één overdraagbaar naar een tuin, omdat het afhankelijk is van wisselwerkingen met bos- en graslandgemeenschappen, de bodem en regiokenmerkende standplaatsfactoren. Toch kunnen de kenmerkende soorten als voorbeeld dienen voor natuurlijke hagen, houtwallen en wildfruitstroken in tuinen en openbaar groen. Wie een soortenrijke haag plant, kan gebruik maken van inheemse doornstruiken zoals sleedoorn, meidoorn, hondsroos en liguster en krijgt zo een structuurrijk, diervriendelijk element. Zulke hagen komen dan overeen met het EUNIS-type FA.3 (soortenrijke haag van inheemse soorten) en bevorderen veel van de hier genoemde diersoorten.

Belangrijk is dat inheemse, standplaatsgeschikte soorten worden gebruikt en dat invasieve houtige gewassen zoals Amerikaanse vogelkers of vlinderstruik worden vermeden – zoals ook de kwaliteitsindicator ‘afwezigheid van niet-inheemse soorten’ aanbeveelt.

Veelgestelde vragen (FAQ)

1. Wat is het verschil tussen F3.2 en FA.3? F3.2 omvat natuurlijker struwelen langs bosranden en op open plekken, terwijl FA.3 soortenrijke hagen in het agrarisch landschap betreft. Beide delen de typische soortensamenstelling en zijn in het concept van gematigde en submediterrane doornstruwelen verenigd.

2. Welke struiken zijn het meest kenmerkend? In Midden-Europa zijn sleedoorn (Prunus spinosa), eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) en verschillende rozensoorten (Rosa canina agg.) de kensoorten. In warmere regio’s komen daar wilde liguster, gele kornoelje en wollige sneeuwbal bij.

3. Waarom is het habitattype als Least Concern beoordeeld? Omdat het momenteel in de EU wijdverbreid voorkomt en zowel natuurlijke als door de mens beïnvloede standplaatsen bezet. Ondanks plaatselijke verliezen is het bestand op Europese schaal stabiel.

4. Behoort buxus op rotshellingen tot dit habitattype? Zuivere Buxus sempervirens-struwelen vallen onder type F5.3 (Submediterrane pseudomaquis). Overlap ontstaat vooral via de Habitatrichtlijncode 5110. In het EUNIS-systeem hoort deze vorm er alleen bij wanneer veel doornstruiken aanwezig zijn.

5. Hoe herken je een goede staat van instandhouding? Goede kwaliteit blijkt uit een grote diversiteit aan struiksoorten, het voorkomen van zeldzame rozen, de afwezigheid van uitheemse soorten en een rijke bloei en vruchtzetting.

Bronvermelding

Häufige Fragen

Wat is het verschil tussen F3.2 en FA.3?

F3.2 omvat natuurlijker struwelen langs bosranden en op open plekken, terwijl FA.3 soortenrijke hagen in het agrarisch landschap betreft. Beide delen de typische soortensamenstelling en zijn in het concept van gematigde en submediterrane doornstruwelen verenigd.

Welke struiken zijn het meest kenmerkend?

In Midden-Europa zijn sleedoorn (Prunus spinosa), eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna) en verschillende rozensoorten (Rosa canina agg.) de kensoorten. In warmere regio’s komen daar wilde liguster, gele kornoelje en wollige sneeuwbal bij.

Waarom is het habitattype als Least Concern beoordeeld?

Omdat het momenteel in de EU wijdverbreid voorkomt en zowel natuurlijke als door de mens beïnvloede standplaatsen bezet. Ondanks plaatselijke verliezen is het bestand op Europese schaal stabiel.

Behoort buxus op rotshellingen tot dit habitattype?

Zuivere Buxus sempervirens-struwelen vallen onder type F5.3 (Submediterrane pseudomaquis). Overlap ontstaat vooral via de Habitatrichtlijncode 5110. In het EUNIS-systeem hoort deze vorm er alleen bij wanneer veel doornstruiken aanwezig zijn.

Hoe herken je een goede staat van instandhouding?

Goede kwaliteit blijkt uit een grote diversiteit aan struiksoorten, het voorkomen van zeldzame rozen, de afwezigheid van uitheemse soorten en een rijke bloei en vruchtzetting.

Quellen