Westelijke acidofiele garrigue (F6.1) – Mediterrane dwergstruikheide op zuur gesteente
De Westelijke acidofiele garrigue (EUNIS F6.1) is een habitattype van het westelijk Middellandse Zeegebied, bestaande uit lage, aromatische struiken (vooral zonneroosjes, lavendel, brem) op zure, voedselarme silicaatbodems. Het is een pionierstadium van bossen en blijft in stand door terugkerende verstoringen zoals brand of begrazing. Op de Europese Rode Lijst van habitats staat deze als niet bedreigd (Least Concern).
Einordnung
- Originalbezeichnung
- Western acidophilous garrigue
- EUNIS
- F6.1 – Western garrigues
- EU-28
- Least Concern
- EU-28+
- Least Concern
- FFH-Anhang I
- 2260 – Cisto-Lavenduletalia dune sclerophyllous scrubs
De belangrijkste punten in het kort
De Westelijke acidofiele garrigue (EUNIS-code F6.1) is een karakteristieke mediterrane dwergstruikheide die groeit op zure, silicaatrijke bodems (silicagesteente). Ze wordt gedomineerd door aromatische, vaak wintergroene struiken zoals zonneroosjes (Cistus spp.), lavendel (Lavandula spp.) en doornige bremsoorten (Genista, Ulex).
- Bedreiging: Op de Europese Rode Lijst van habitats wordt ze beoordeeld als Least Concern (niet bedreigd).
- Habitatrichtlijn: Een speciaal type op kustnabije duinen („Cisto-Lavenduletalia dune sclerophyllous scrubs“) is beschermd als Bijlage I-habitattype 2260.
- Staat van instandhouding: Voor dit habitattype zijn in de brongegevens geen Artikel 17-instandhoudingsgegevens beschikbaar.
- Verspreiding: Ze komt voor in het hele westelijke Middellandse Zeegebied, van het Iberisch Schiereiland via Zuid-Frankrijk, de Tyrrheense kust van Italië, Corsica, Sardinië, Sicilië, Malta tot de Balearen.
- Bijzonderheid: Veel alleen hier voorkomende (endemische) plantensoorten maken deze garrigues tot een hotspot van de biodiversiteit.
Wat is de Westelijke acidofiele garrigue?
De term garrigue verwijst in het Middellandse Zeegebied naar een lage, ijle struikformatie die zich ontwikkelt op ondiepe, vaak stenige bodems. De acidofiele (zuurminnende) variant is strikt gebonden aan zuur moedergesteente (silicaten, bv. graniet, leisteen) en mijdt basische kalk- en ultramafische bodems. De vegetatie bestaat uit nanofanerofyten, dat wil zeggen houtige planten met een hoogte van zelden meer dan een meter. Typisch zijn opgerolde of sterk behaarde bladeren en een hoog gehalte aan etherische oliën, wat het kenmerkende aroma van deze landschappen bepaalt.
Ecologisch gezien gaat het om vervangingsgemeenschappen (successiestadia) van mediterrane hardloofbossen en hoog struweel. Ze ontstaan voornamelijk na bosvernietiging, brand, begrazing of het opgeven van landgebruik. Door terugkerende verstoringen – brand, bodembewerking – kan dit pionierstadium lang behouden blijven en krijgt het dan een quasi-permanent karakter. Ontbreken dergelijke verstoringen, dan ontwikkelt de garrigue zich via hogere struikstadia langzaam weer tot bos.
EUNIS-classificatie en Europese indeling
In het Europese Natuurinformatiesysteem EUNIS (European Nature Information System) wordt de Westelijke acidofiele garrigue onder de code F6.1 (Western garrigues) gevoerd. De exacte afbakening van het habitattype volgt de Rode Lijst van habitats (RLF6.1b) en is gebaseerd op de plantensociologische klasse Cisto-Lavanduletea stoechadis. De volgende vegetatietypen zijn uitdrukkelijk uitgesloten, ook al lijken ze erop:
- Hoog struweel en hoge bremheiden (bv. Cytisetea scopario-striati, Quercetea ilicis-struwelen)
- Kussenvormige formaties in de hoge bergen (bv. Carici-Genistetea lobelii)
- Door zout beïnvloede windheiden (kustrotsheiden)
- Struwelen op basische ultramafische silicaatbodems (worden behandeld onder F6.1a Rosmarinetea officinalis)
- Alle oostmediterrane garrigue-typen (Cisto-Micromerietea)
Biogeografisch is het habitattype strikt beperkt tot het westelijke Middellandse Zeegebied en reikt van het Iberisch Schiereiland oostwaarts tot de Tyrrheense kust van Italië en de grote mediterrane eilanden. De Adriatische Zee en alle regio’s ten oosten daarvan vallen niet onder dit type.
Bedreiging: Europese Rode Lijst van habitats
De Europese Rode Lijst van habitats beoordeelt de Westelijke acidofiele garrigue (RLF6.1b) als Least Concern (LC) – dus niet bedreigd. Deze status geldt zowel voor de EU28 als voor de uitgebreide EU28+-regio. Het criterium voor deze beoordeling is in de beschikbare brongegevens niet nader gespecificeerd.
Belangrijk: De beoordeling ‘Least Concern’ betekent niet dat het habitattype lokaal niet bedreigd kan zijn. Vooral endemische subtypen op eilanden of duinlocaties kunnen gevoelig reageren op veranderingen in het landgebruik. Voor geheel Europa wordt de totale situatie echter als stabiel beschouwd.
Bijlage I van de Habitatrichtlijn en Artikel 17-staat van instandhouding
Een deel van de Westelijke acidofiele garrigue valt onder de bescherming van de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG). Bijlage I-code 2260 – Cisto-Lavenduletalia dune sclerophyllous scrubs (duinzonneroosjes-lavendelstruwelen) omvat acidofiele garriguebestanden op geconsolideerde duinen en paleoduinen langs de kusten van Portugal en Andalusië. Deze worden gekenmerkt door endemische soorten zoals Stauracanthus genistoides, Halimium halimifolium en Thymus albicans subsp. donyanae. Niet alle verschijningsvormen van F6.1 zijn dus beschermd via de Habitatrichtlijn; het Bijlage I-type vertegenwoordigt enkel de duinspecifieke variant.
Over de staat van instandhouding volgens Artikel 17 zijn in de brongegevens geen gegevens aanwezig. Dat betekent niet per se een slechte toestand, maar alleen dat er voor dit habitattype geen dekkende monitoringgegevens in de gebruikte databank zijn opgenomen.
Geografische verspreiding en biogeografische bijzonderheden
Een gedetailleerde landenlijst is niet in de brongegevens opgenomen. Uit de beschreven plantensociologische verbonden (zie hieronder) valt het verspreidingsbeeld echter duidelijk af te lezen: de Westelijke acidofiele garrigue bewoont de thermo- tot supramediterrane zone van het hele westelijke Middellandse Zeegebied. Daartoe behoren:
- Het Iberisch Schiereiland (Portugal, Spanje) met verschillende regionale verschijningsvormen
- De zuidkust van Frankrijk
- De Tyrrheense kust van Italië (Ligurië) en de vulkanische archipel en het Zuid-Italiaanse vasteland
- De grote eilanden: Corsica, Sardinië, Sicilië, Malta en de Balearen
Doorslaggevend voor het voorkomen zijn zure, vaak ondiepe silicaatbodems in een halfdroog tot subhumide klimaat. Op vulkanische substraten (bv. in de Tyrrheense regio) kan zich een eigen, door Genista tyrrhena gedomineerd type vormen, dat hier uitdrukkelijk is inbegrepen mits de bodems zuur zijn.
Karakteristieke soorten en hun betekenis
De soortenrijkdom van de acidofiele garrigue is enorm. De volgende tabel vat de belangrijkste dominante en indicatieve plantengroepen samen, die op het niveau van de plantensociologische allianties (volgende paragraaf) worden onderscheiden.
| Groep | Dominante geslachten / soorten | Bijzonderheden |
|---|---|---|
| Zonneroosjes (Cistaceae) | Cistus ladanifer, C. monspeliensis, C. laurifolius, C. salviifolius, C. crispus, Halimium spp. | Oleoresinerijke, brandbevorderende struiken; kieming vaak door vuur gestimuleerd |
| Lipbloemigen (Lamiaceae) | Lavandula stoechas, L. pedunculata, Thymus mastichina, Teucrium marum, Stachys glutinosa | Etherische olierijke, aromatische planten; veel endemische thijm- en lavendelsoorten |
| Brem (Fabaceae) | Genista hirsuta, G. tyrrhena, G. corsica, G. sardoa, Ulex argenteus, U. borgiae, Stauracanthus genistoides | Doornige nanofanerofyten; soms enge eilandendemieten |
| Composieten, anjerachtigen e.a. | Armeria pinifolia, Dianthus broteri, Santolina insularis, Helichrysum spp. | Vooral op duinen en Corsica/Sardinië; veel puntendemieten |
De lijst omvat ruim 100 soorten (alleen al in de brongegevens worden meer dan 80 taxa genoemd). Een groot deel daarvan is endemisch of slechts uit dit habitat bekend. De hoge biocoenotische differentiatie maakt de garrigue tot een onvervangbaar archief van de westmediterrane plantenevolutie.
Subtypen: de zes hoofdallianties
De Europese Rode Lijst onderscheidt op basis van plantensociologische opnamen zes regionale verbonden (allianties), die tegelijkertijd de belangrijkste biogeografische groepen van de Westelijke acidofiele garrigue vertegenwoordigen.
- Cistion ladaniferi – Oceanisch-mediterrane zonneroosjes-lavendelgarrigue van Noord-Portugal tot Ligurië (thermo- tot supramediterraan)
- Cistion laurifolii – Halfcontinentale, meso- tot supramediterrane garrigue van West-Centraal-Iberië met Cistus laurifolius en Lavandula pedunculata
- Ulici argentei-Cistion ladaniferi – Soortenrijke garrigue van Zuidwest-Iberië (Luso-Estremadureense en Betische provincie) met veel Ulex-taxa en de Lavandula sampaioana-groep
- Calicotomo villosae-Genistion tyrrhenae – Vulkanische garrigues van de Tyrrheense regio: Genista tyrrhena, G. cilentina, Calicotome villosa, Erica multiflora (alleen op zure substraten)
- Teucrion mari – Corsicaans-Sardische garrigue met Teucrium marum, Stachys glutinosa, Genista corsica en veel eilandendemieten (meso- tot thermomediterraan)
- Coremation albi – Kust- en paleoduinen-garrigue van Zuid-Portugal tot Andalusië met Stauracanthus genistoides, Halimium halimifolium, Thymus albicans subsp. donyanae (komt overeen met Habitatrichtlijntype 2260)
Ecologische randvoorwaarden en goede toestandsindicatoren
De acidofiele garrigue is een verstoringsafhankelijk systeem. Zonder regelmatige invloeden zoals brand, extensieve begrazing of af en toe ploegen ontwikkelt ze zich naar hogere struweelstadia en uiteindelijk tot bos. Voor het behoud van een ‘goede’ toestand zijn de volgende criteria van belang:
- Coenotische verzadiging: Een hoog aantal karakteristieke indicatorsoorten geeft aan dat de garrigue lang genoeg ongestoord is gebleven om alle typische soorten te kunnen bevatten. Jonge pionierstadia op ruwe bodem zijn soortenarm en minder waardevol voor natuurbehoud.
- Verstoringsinterval: Korte omdrijftijden (ploegen, branden met intervallen korter dan 15 jaar) verhinderen de vestiging van veeleisende specialisten en leiden tot verarmde basisgemeenschappen.
- Landschapsmozaiëk: Een evenwichtige mix van open, garriguerijke oppervlakken, struwelen en bosjes houdt zowel het pionier- als de latere successiestadia in stand. Op duinlocaties moet de natuurlijke zanddynamiek behouden blijven.
Specifieke bedreigingsfactoren en restauratieadviezen worden in de brongegevens niet systematisch opgesomd. Algemeen bekend is echter dat intensivering van het gebruik, verstruweling door opgave van gebruik en herbebossing met niet-inheemse houtgewassen lokaal tot een teruggang van de typische garriguespecialisten kunnen leiden.
Betekenis voor mens en biodiversiteit
De Westelijke acidofiele garrigue is veel meer dan een ‘doornige struikvlakte’. Het is een uniek leefgebied voor een overvloed aan mediterrane endemische soorten, waaronder veel orchideeën, bremsoorten en thijm. Tegelijkertijd dient ze als rijk begrazings- en bijenhabitat, levert ze aromatische kruiden en bepaalt ze het karakteristieke landschapsbeeld van de westmediterrane kustregio’s. In tuinen is dit type niet één op één na te bootsen, maar de geur en het uiterlijk kunnen worden benaderd door gericht zonneroosjes, lavendel en mediterrane vaste planten op schrale, zure grond te planten – altijd op voorwaarde dat de planten uit veilige tuinbronnen afkomstig zijn.
FAQ: Westelijke acidofiele garrigue
1. Wat wordt precies bedoeld met een ‘acidofiele’ garrigue?
Acidofiel betekent ‘zuurminnend’. De garrigue op zure silicaatbodems (graniet, leisteen) onderscheidt zich fundamenteel van de basifiele garrigue op kalk- of ultramafische bodems. Alleen op zure substraten komen typische zonneroosjes-lavendelgemeenschappen van de klasse Cisto-Lavanduletea voor.
2. Is de Westelijke acidofiele garrigue in Europa bedreigd?
Op de Europese Rode Lijst van habitats wordt ze als Least Concern (LC) beoordeeld en is dus op Europese schaal niet acuut bedreigd. Lokaal kunnen echter specifieke endemische verschijningsvormen (bijv. op eilanden of kustduinen) door habitatverlies bedreigd zijn.
3. Welk verband is er tussen de EUNIS-code F6.1 en het Habitatrichtlijntype 2260?
Het Habitatrichtlijntype 2260 – Duinzonneroosjes-lavendelstruwelen omvat alleen de op kustnabije duinen en paleoduinen groeiende varianten van de Westelijke acidofiele garrigue. De EUNIS-code F6.1 is breder en omvat ook alle binnenlandvoorkomens op silicagesteente die niet in Bijlage I zijn opgenomen.
4. Welke planten zijn typisch voor de acidofiele garrigue?
Dominant zijn zonneroosjes (Cistus ladanifer, C. monspeliensis, C. laurifolius), kuiflavendel (Lavandula stoechas), diverse bremsoorten (Genista, Ulex, Stauracanthus) en op eilanden soorten als Teucrium marum en Genista corsica. Een volledige lijst met meer dan 80 karakteristieke taxa vindt u in de Rode-Lijstgegevens.
5. Hoe kan een goede kwaliteit van deze garrigue worden herkend?
Een hoog aandeel karakteristieke indicatorsoorten en de aanwezigheid van endemische specialisten wijzen op een lange ongestoorde ontwikkeling (coenotische verzadiging). Korte verstoringscycli (<15 jaar) of het volledig wegvallen van verstoring (verstruweling) verminderen de kwaliteit voor natuurbehoud.
Bronnen
- Europese Milieuagentschap: European Red List of Habitats – datapakket
- EEA Datashare: Terrestrial Habitat Red List Data (SHP/CSV)
- EUNIS Habitat Classification: F6.1 Western garrigues
- EUNIS Red List Browser: F6.1b Western acidophilous garrigue
- Artikel 17-databank Habitatrichtlijn
- Europese Commissie: Habitats Directive
Häufige Fragen
Wat wordt precies bedoeld met een ‘acidofiele’ garrigue?
Acidofiel betekent ‘zuurminnend’. De garrigue op zure silicaatbodems (graniet, leisteen) onderscheidt zich fundamenteel van de basifiele garrigue op kalk- of ultramafische bodems. Alleen op zure substraten komen typische zonneroosjes-lavendelgemeenschappen van de klasse Cisto-Lavanduletea voor.
Is de Westelijke acidofiele garrigue in Europa bedreigd?
Op de Europese Rode Lijst van habitats wordt ze als Least Concern (LC) beoordeeld en is dus op Europese schaal niet acuut bedreigd. Lokaal kunnen echter specifieke endemische verschijningsvormen (bijv. op eilanden of kustduinen) door habitatverlies bedreigd zijn.
Welk verband is er tussen de EUNIS-code F6.1 en het Habitatrichtlijntype 2260?
Het Habitatrichtlijntype 2260 – Duinzonneroosjes-lavendelstruwelen omvat alleen de op kustnabije duinen en paleoduinen groeiende varianten van de Westelijke acidofiele garrigue. De EUNIS-code F6.1 is breder en omvat ook alle binnenlandvoorkomens op silicagesteente die niet in Bijlage I zijn opgenomen.
Welke planten zijn typisch voor de acidofiele garrigue?
Dominant zijn zonneroosjes (Cistus ladanifer, C. monspeliensis, C. laurifolius), kuiflavendel (Lavandula stoechas), diverse bremsoorten (Genista, Ulex, Stauracanthus) en op eilanden soorten als Teucrium marum en Genista corsica. Een volledige lijst met meer dan 80 karakteristieke taxa vindt u in de Rode-Lijstgegevens.
Hoe kan een goede kwaliteit van deze garrigue worden herkend?
Een hoog aandeel karakteristieke indicatorsoorten en de aanwezigheid van endemische specialisten wijzen op een lange ongestoorde ontwikkeling (coenotische verzadiging). Korte verstoringscycli (<15 jaar) of het volledig wegvallen van verstoring (verstruweling) verminderen de kwaliteit voor natuurbehoud.
Quellen
- https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/european-red-list-of-habitats
- https://sdi.eea.europa.eu/datashare/s/x4Fy8dEbAdNPna8/download
- https://eunis.eea.europa.eu/habitats.jsp
- https://eunis.eea.europa.eu/habitats-code-browser-redlist.jsp
- https://www.eea.europa.eu/data-and-maps/data/article-17-database-habitats-directive-92-43-eec-2
- https://environment.ec.europa.eu/topics/nature-and-biodiversity/habitats-directive_en