Afbeelding volgtAI-gegenereerde illustratieCentaurea solstitialis subsp. solstitialis
15
Soorten
interageren
23
Interacties
gedocumenteerd
Centaurea solstitialis subsp. solstitialis valt op door de felgele bloemhoofdjes, omgeven door lange, scherpe stekels aan de omwindselbladeren. Deze plant gedijt op droge standplaatsen en biedt een belangrijke voedselbron voor gespecialiseerde insecten zoals de knoopkruidparelmoervlinder (Melitaea phoebe) en de gewone groefbij (Halictus tumulorum). Met het zilverachtige blad en de markante bloemvorm is de soort geschikt voor zonnige, schrale locaties.
Een weerbare zonneaanbidder: 0,58 m aan energie voor parelmoervlinders en wilde bijen.
Klikken markeert verbindingen · Nogmaals klikken opent de soortpagina
Ecologisch netwerk laden…
De plant is een belangrijke nectarplant voor vlinders zoals de knoopkruidparelmoervlinder (Melitaea phoebe) en het klein koolwitje (Pieris rapae). Ook soorten als de zuidelijke parelmoervlinder (Melitaea didyma) en Melitaea varia profiteren van het aanbod. Voor de gewone groefbij (Halictus tumulorum) vormt de plant een betrouwbare pollenbron. Het kolibrievlinder (Macroglossum stellatarum) wordt eveneens regelmatig waargenomen. In de winter bieden de verdroogde zaadstanden met hun lichte zaden een voedselreserve voor kleine vogels.
Centaurea solstitialis subsp. solstitialis is niet kindvriendelijk. De krachtige stekels aan de bloemhoofdjes kunnen bij aanraking pijnlijke prikken veroorzaken. Draag tijdens onderhoudswerkzaamheden tuinhandschoenen en plaats de plant bij voorkeur in achterliggende delen van de border, buiten het bereik van huisdieren en spelende kinderen.
Licht
Sonne
Vochtigheid
Trocken
Bodem
—
Bloeitijd
Jul – Sep
Bioregio
Continental
Groeivorm
Krautige Pflanze
Verhouting
Nicht verholzt
Bladtype
Breitblättrig
Planthoogte
0.582 m
Morfologische kenmerken: TRY ID3 (CC BY 3.0) & TRY ID81 (CC BY)
Standplaats: Kies een plek in de volle zon (lichtgetal 8), idealiter met minimaal 6 tot 8 uur direct zonlicht per dag.
Bodem: De bodem dient droog (vochtigheidsgetal 3) en kalkhoudend of basisch (reactiegetal 7) te zijn.
Voedingsstoffen: Als matige voedselvrager (voedingsgetal 6) is extra bemesting niet nodig; normale tuingrond volstaat.
Planttijd: Jonge planten kunnen in het voorjaar (april tot mei) of in het najaar (september tot november) worden geplant.
Bodemvoorbereiding: Bij zware grond is een drainage van grind of zand aan te bevelen om wateroverlast te voorkomen.
Onderhoud: Omdat de zaden met 3,4087 mg zeer licht zijn en door de wind worden verspreid, kunnen de uitgebloeide bloemhoofdjes blijven staan als natuurlijke uitzaaiing gewenst is.
Plantpartners: Cichorium intybus is een geschikte partner vanwege de vergelijkbare eisen aan droogte en licht.
Centaurea solstitialis subsp. solstitialis behoort tot de familie Asteraceae binnen het geslacht Centaurea. In Duitsland komt de soort voor als neofyt en vestigt zich bij voorkeur op locaties die lijken op xerotherm grasland (droge, warme schrale graslanden). Het is een niet-verhoutend kruid dat een hoogte van precies 0,58 m bereikt. Kenmerkend zijn de breedbladige, vaak grijsviltige bladeren en de typische korfbloeiwijze, waarvan de omwindselbladeren uitlopen in stevige doorns.
3 videos over Centaurea solstitialis subsp. solstitialis
15 soorten interageren met deze plant
•Interaktionsdaten via GloBI (CC-BY 4.0)
•Middleton-Welling_2020
•FloraWeb / BfN
•EIVE 1.0 — Dengler et al. (2023), DOI: 10.3897/VCS.98324 (CC BY 4.0)
•GBIF Backbone Taxonomy — GBIF Secretariat (2024), DOI: 10.15468/39omei (CC BY 4.0)
•TRY Categorical Traits (ID3) — Kattge et al. (2012), DOI: 10.17871/TRY.3 (CC BY 3.0)
•TRY Global Spectrum (ID81) — Díaz et al. (2016/2021), DOI: 10.17871/TRY.81 (CC BY)
•Checklist Alien Plants Belgium — Verloove F (2023), Botanic Garden Meise (CC BY 4.0)
•Govaerts R et al. (2025) — World Checklist of Vascular Plants (WCVP) v14. Royal Botanic Gardens, Kew. DOI: 10.34885/xs7h-ze42 (CC BY 4.0)
Alle data zijn gelicentieerd onder CC BY 4.0, CC0 of compatibel. Naamsvermelding volgens licentievoorwaarden. Volledig bronnenoverzicht →