Afbeelding volgtAI-gegenereerde illustratieFrangula alnus subsp. alnus
Frangula alnus subsp. alnus valt op door de gladde, grijsbruine bast met karakteristieke lichte lenticellen. In tegenstelling tot de wegedoorn heeft deze soort geen doorns. Als inheemse struik ondersteunt de plant de bodembiologie via een symbiose met arbusculaire mycorrhizaschimmels (AM). De soort staat op de Rode Lijst als niet bedreigd (*) en is geschikt voor vochtige standplaatsen.
Inheemse wilde struik voor een gezonde bodem en vochtige standplaatsen.
Als inheemse soort is Frangula alnus subsp. alnus nauw verbonden met het regionale ecosysteem. De symbiose met arbusculaire mycorrhizaschimmels (AM) verbetert de nutriëntenuitwisseling in de bodem. De bloeiperiode loopt van mei tot september, waardoor de plant een langdurige voedselbron vormt voor het lokale voedselweb.
Alle delen van Frangula alnus subsp. alnus, met name de bast en de bessen, bevatten anthrachinonverbindingen die bij consumptie giftig zijn en een sterk laxerende werking hebben. Er is een risico op verwarring met Rhamnus cathartica; deze soort heeft echter doorns aan de takuiteinden en meestal gezaagde bladranden.
Licht
Halbschatten
Vochtigheid
Feucht
Bodem
—
Bloeitijd
—
Groeivorm
Strauch/Baum
Verhouting
Verholzt
Bladtype
Breitblättrig
Bladfenologie
Laubabwerfend
Planthoogte
3.539 m
Morfologische kenmerken: TRY ID3 (CC BY 3.0) & TRY ID81 (CC BY)
Frangula alnus subsp. alnus gedijt het best op zonnige tot halfschaduwrijke plekken. De struik heeft een voorkeur voor vochtige tot natte standplaatsen met een humeuze, licht zure bodem. De ideale planttijd is in het voorjaar (maart tot mei) of in het najaar (september tot eind november), mits de bodem niet bevroren is.
Kies een standplaats die niet volledig uitdroogt.
Snoeien is niet noodzakelijk, aangezien de plant van nature een losse groeivorm heeft.
Vermeerdering is mogelijk via winterstekken.
Voorkom bodemverdichting rond de wortels om de mycorrhizaschimmels niet te beschadigen.
Frangula alnus subsp. alnus behoort tot de familie van de wegedoornfamilie (Rhamnaceae) binnen de orde van de roosachtigen (Rosales). De soort is inheems in Europa en komt van nature voor in vochtige bossen, moerassen en langs beekoevers. Kenmerkend zijn de verspreid staande, gaafrandige bladeren en de onopvallende, vijftallige bloemen in de bladoksels. De struik groeit meestal meerstammig en bereikt een hoogte van twee tot vier meter.
3 videos over Frangula alnus subsp. alnus
•FloraWeb / BfN
•EIVE 1.0 — Dengler et al. (2023), DOI: 10.3897/VCS.98324 (CC BY 4.0)
•GBIF Backbone Taxonomy — GBIF Secretariat (2024), DOI: 10.15468/39omei (CC BY 4.0)
•TRY Categorical Traits (ID3) — Kattge et al. (2012), DOI: 10.17871/TRY.3 (CC BY 3.0)
•TRY Global Spectrum (ID81) — Díaz et al. (2016/2021), DOI: 10.17871/TRY.81 (CC BY)
•Govaerts R et al. (2025) — World Checklist of Vascular Plants (WCVP) v14. Royal Botanic Gardens, Kew. DOI: 10.34885/xs7h-ze42 (CC BY 4.0)
Alle data zijn gelicentieerd onder CC BY 4.0, CC0 of compatibel. Naamsvermelding volgens licentievoorwaarden. Volledig bronnenoverzicht →