Afbeelding volgtAI-gegenereerde illustratiePhalaris minor
Uitheemse soort (Neofyt)
Deze plant is niet inheems in Centraal-Europa. Ze werd na 1492 geïntroduceerd en heeft zich in het wild gevestigd. Gedocumenteerde interacties met inheemse fauna staan hieronder vermeld — deze vervangen echter niet de ecologische waarde van inheemse planten.
Phalaris minor is herkenbaar aan de gedrongen, eivormige bloeiwijzen die op kleine kolven lijken. Met een planthoogte van 0,45 m biedt dit gras structuur in een natuurlijke omgeving. De lichte zaden vormen een natuurlijke voedselbron voor diverse vogelsoorten.
Een compacte structuurplant die zaden levert voor vogels op een hoogte van 0,45 m.
De zaden van Phalaris minor wegen 1,4503 mg en worden in grote hoeveelheden geproduceerd, wat ze tot een voedselbron voor zaadetende vogels in de winter maakt. Het brede blad draagt bij aan bodembedekking en biedt schuilplaatsen voor ongewervelde dieren. De soort verspreidt zich via de wind en kan nieuwe habitats koloniseren.
Phalaris minor is niet veilig voor kinderen. Contact met of consumptie van plantendelen dient te worden vermeden. Bij incidenten contact opnemen met de lokale hulpdiensten.
Licht
—
Vochtigheid
—
Bodem
—
Bloeitijd
—
Groeivorm
Gras
Verhouting
Nicht verholzt
Bladtype
Breitblättrig
Planthoogte
0.45 m
Morfologische kenmerken: TRY ID3 (CC BY 3.0) & TRY ID81 (CC BY)
Planttijd voorjaar: planten tussen maart en mei.
Planttijd najaar: planten tussen september en november.
Standplaats: een volledig zonnige plek is vereist voor de ontwikkeling van de bloeiwijzen.
Bodem: de plant prefereert doorlatende grond; bij zware bodems is drainage met grind aanbevolen.
Hoogte: houd rekening met een hoogte van 0,45 m.
Onderhoud: omdat de plant eenjarig is, dienen de zaadstanden voor natuurlijke uitzaai te blijven staan.
Terugsnoeien: pas in het vroege voorjaar tot op de grond terugsnoeien om overwinteringsplekken te behouden.
Phalaris minor behoort tot de familie van de grassen (Poaceae) en is een eenjarige, niet-verhoutende plant. De soort komt voor op ruderalen en geeft de voorkeur aan open, zonnige standplaatsen. De plant valt op door de brede bladeren die contrasteren met fijnere grassoorten. De hoogte bedraagt 0,45 m. De verspreiding vindt plaats via windverspreiding van de lichte zaden.
•GBIF Backbone Taxonomy — GBIF Secretariat (2024), DOI: 10.15468/39omei (CC BY 4.0)
•TRY Categorical Traits (ID3) — Kattge et al. (2012), DOI: 10.17871/TRY.3 (CC BY 3.0)
•TRY Global Spectrum (ID81) — Díaz et al. (2016/2021), DOI: 10.17871/TRY.81 (CC BY)
•Checklist Alien Plants Belgium — Verloove F (2023), Botanic Garden Meise (CC BY 4.0)
Alle data zijn gelicentieerd onder CC BY 4.0, CC0 of compatibel. Naamsvermelding volgens licentievoorwaarden. Volledig bronnenoverzicht →