Afbeelding volgtAI-gegenereerde illustratieRubus phoenicacanthus
12
Soorten
interageren
12
Interacties
gedocumenteerd
Rubus phoenicacanthus onderscheidt zich door de dichte, purperrode borstelstekels op de jonge scheuten en bladeren, die sterk aan die van een hazelaar doen denken. Omdat deze soort op de Rode Lijst staat als met uitsterven bedreigd, vormt zij een botanische zeldzaamheid. De plant fungeert als een essentiële nectarplant voor gespecialiseerde vlinders zoals het kalkgraslanddikkopje (Spialia sertorius) en het zwartbruin dikkopje (Muschampia tessellum). Een plek aan de bosrand draagt bij aan het behoud van deze zeldzame wilde plant.
Rode-Lijst-zeldzaamheid: een veilige haven voor het zeldzame kalkgraslanddikkopje.
Klikken markeert verbindingen · Nogmaals klikken opent de soortpagina
Netwerk wordt geladen...
De ecologische waarde van deze braam is aanzienlijk, aangezien de soort dient als voedselbron voor zeldzame vlinders. Met name dikkopjes zoals Spialia sertorius, Spialia rosae en Spialia orbifer maken gebruik van de plant als nectarplant. Ook soorten als Boloria polaris en Boloria freija profiteren van het aanbod. Voor vogels bieden de stekelige struwelen veilige nestgelegenheid en bescherming tegen predatoren. Omdat de plant met uitsterven bedreigd is, fungeert elke aanplant als een stapsteenbiotoop voor de verbinding van resterende populaties.
Rubus phoenicacanthus is vanwege de dichte beharing niet kindvriendelijk. De fijne, purperen borstelstekels kunnen bij onvoorzichtig contact leiden tot huidirritatie of krassen. De plant zelf is niet giftig, maar dient vanwege het risico op verwondingen niet direct langs paden te worden geplaatst.
Licht
—
Vochtigheid
—
Bodem
—
Bloeitijd
—
Bioregio
Continental
Kies een standplaats in de halfschaduw of zon, bij voorkeur aan de rand van een heg of onder licht geboomte.
De bodem dient voedselrijk en gelijkmatig vochtig te zijn; vermijd echter wateroverlast.
Planttijd voorjaar: jonge planten tussen maart en mei in de grond zetten.
Planttijd najaar: van september tot november kunnen de kluiten worden geplant, zolang de bodem niet bevroren is.
Houd een plantafstand van minimaal één meter aan, aangezien de scheuten boogvormig uitgroeien.
Vanwege de mycorrhiza-symbiose dient het gebruik van minerale kunstmest te worden vermeden om het bodemleven te ontzien.
Snoei in het vroege voorjaar enkel verdroogde scheuten vlak boven de grond af om de natuurlijke groeivorm te behouden.
Goede partner: Corylus avellana – deze biedt een passend ecologisch kader en vergelijkbare standplaatseisen.
Rubus phoenicacanthus behoort tot de rozenfamilie (Rosaceae) en is inheems in Duitsland en Oostenrijk. Als archeofyt vestigt de soort zich bij voorkeur in bosranden en heggen. Kenmerkend voor deze Rubus-soort is de arbusculaire mycorrhiza, een symbiose tussen wortels en bodemschimmels die de plant ondersteunt bij de opname van voedingsstoffen. De morfologische gelijkenis met de hazelaar (Corylus avellana) uit zich in de breed-eivormige bladvorm, die wordt gecombineerd met de voor bramen typerende stekelige beharing.
12 soorten interageren met deze plant
•Middleton-Welling_2020
•FloraWeb / BfN
•GBIF Backbone Taxonomy — GBIF Secretariat (2024), DOI: 10.15468/39omei (CC BY 4.0)
Alle data zijn gelicentieerd onder CC BY 4.0, CC0 of compatibel. Naamsvermelding volgens licentievoorwaarden. Volledig bronnenoverzicht →