Afbeelding volgtAI-gegenereerde illustratieTaraxacum lacistophyllum
6
Soorten
interageren
6
Interacties
gedocumenteerd
Taraxacum lacistophyllum onderscheidt zich door diep ingesneden, bijna filigraan ogende bladeren die aanzienlijk fijner zijn dan die van de gewone paardenbloem. Als inheemse Asteraceae biedt deze plant op zonnige locaties een waardevolle ecologische niche. Verschillende zeldzame vlindersoorten, zoals deMelitaea phoebe en Melitaea varia, profiteren van het aanbod aan nectar. Op droge, warme standplaatsen ondersteunt deze soort specifiek insecten die afhankelijk zijn van schrale grasmatten.
Filigraan overlevingskunstenaar: een essentiële voorjaarsbron voor Melitaea-vlinders.
Klikken markeert verbindingen · Nogmaals klikken opent de soortpagina
Netwerk wordt geladen...
Taraxacum lacistophyllum fungeert als een essentiële nectarbron voor diverse Nymphalidae. Met name Melitaea-soorten zoals Melitaea phoebe, Euphydryas desfontainii en Melitaea varia bezoeken de gele bloemhoofdjes. Ook zeldzamere soorten zoals Melitaea aetherie en Melitaea ornata maken gebruik van dit aanbod. Zelfs Vanessa virginiensis vindt hier voedsel. Omdat de bloeiperiode al in april begint, voorziet de plant insecten direct na de winter van energie.
Taraxacum lacistophyllum is niet veilig voor consumptie. Zoals bij alle Taraxacum-soorten bevat het weefsel een wit melksap dat bij huidcontact irritaties kan veroorzaken en bij inname van grotere hoeveelheden tot maag-darmklachten leidt. Verwarring met sterk giftige planten is vanwege de karakteristieke bladvorm en de gele bloemhoofdjes echter vrijwel uitgesloten.
Licht
—
Vochtigheid
—
Bodem
—
Bloeitijd
Apr – Mai
Bioregio
Mediterranean
Bladtype
Breitblättrig
Morfologische kenmerken: TRY ID3 (CC BY 3.0) & TRY ID81 (CC BY)
Standplaats: Kies een volledig zonnige, warme plek.
Bodem: De bodem dient doorlatend en eerder voedselarm te zijn; kalk wordt goed verdragen.
Planttijd: De beste periode voor aanplant is in het voorjaar van maart tot mei of in het najaar tussen september en november, zolang de bodem niet bevroren is.
Water geven: Enkel tijdens de groeifase regelmatig water geven; daarna is de plant zeer goed bestand tegen droogte.
Onderhoud: Snoeien is niet nodig, tenzij zelfuitzaaiing beperkt dient te worden.
Vermeerdering: De soort verspreidt zich via de typische pluizige zaden (paardenbloempluis) op natuurlijke wijze.
Combinatieadvies: Een ideale partner is Festuca ovina. Beide soorten komen van nature voor in schrale grasmatten en delen de voorkeur voor droge, voedselarme bodemomstandigheden.
Deze Asteraceae behoort tot de orde Asterales en is als archeofyt in de regio gevestigd. De plant koloniseert bij voorkeur xerotherm grasland en open droog grasland. Morfologisch kenmerkt de soort zich door een bladrozet en meestal roodachtig aangelopen buitenste omwindselbladen. Een bijzonderheid is de arbusculaire mycorrhiza (AM), een vorm van schimmel-wortelsymbiose die de plant helpt om ook in voedselarme bodems voldoende nutriënten op te nemen.
6 soorten interageren met deze plant
•Middleton-Welling_2020
•FloraWeb / BfN
•GBIF Backbone Taxonomy — GBIF Secretariat (2024), DOI: 10.15468/39omei (CC BY 4.0)
•TRY Categorical Traits (ID3) — Kattge et al. (2012), DOI: 10.17871/TRY.3 (CC BY 3.0)
•TRY Global Spectrum (ID81) — Díaz et al. (2016/2021), DOI: 10.17871/TRY.81 (CC BY)
Alle data zijn gelicentieerd onder CC BY 4.0, CC0 of compatibel. Naamsvermelding volgens licentievoorwaarden. Volledig bronnenoverzicht →