
Apatura ilia (Denis & Schiffermüller), 1775
Herkomst onbekend
NSR v20260516 (Nederlands Soortenregister) · 2026 · 100%
8
Planten
bezocht
16
Interacties
gedocumenteerd
7
Gastheerplanten
bekend
Apatura ilia (Denis & Schiffermüller), 1775 is herkenbaar aan de blauw-violette glans op de donkere bovenzijde van de vleugels bij mannetjes, die afhankelijk van de lichtinval plotseling verschijnt en weer verdwijnt. Deze vlinder brengt doorgaans één generatie per jaar voort, waarbij het vrouwtje haar eieren afzonderlijk op de bovenzijde van de bladeren van de waardplant afzet. In het voorjaar en de zomer bezoekt de vlinder zelden bloemen; de voorkeur gaat uit naar mineraalrijke sappen bij boomwonden van de zilverpopulier (Populus alba) of vochtige plekken op de bodem. De rups voedt zich gespecialiseerd met de bladeren van de ratelpopulier (Populus tremula) en diverse wilgensoorten, zoals de boswilg (Salix caprea) of de katwilg (Salix viminalis). De winter wordt doorgebracht als jonge rups in diapauze direct aan de takken van de waardbomen, vaak vastgesponnen aan een knop of in een spleet in de schors. Het behoud van inheemse zachte houtsoorten zoals de zwarte populier (Populus nigra) of de rozemarijnwilg (Salix rosmarinifolia) ondersteunt deze soort. Het snoeien van deze bomen in het najaar dient te worden vermeden om de overwinterende rupsen niet te verwijderen. Een natuurlijke tuin met ruimte voor uitgestrekte wilgen biedt het noodzakelijke leefgebied.
Klikken markeert verbindingen · Nogmaals klikken opent de soortpagina
Ecologisch netwerk laden…
Apatura ilia (Denis & Schiffermüller), 1775 is ongevaarlijk en steekt of bijt niet. Aangezien de soort in veel regio's zeldzaam is en onder natuurbescherming staat, dient deze uitsluitend geobserveerd te worden en mag deze niet worden gevangen of verplaatst.
Ernährung & Verhalten
Generationen/Jahr
flexible
Overwintering
larva
Apatura ilia (Denis & Schiffermüller), 1775 is een vertegenwoordiger van de familie Nymphalidae en komt voor in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland. Met een vleugelspanwijdte van ongeveer 55 tot 70 millimeter behoort deze soort tot de grotere vlinders in de regio. De soort bewoont voornamelijk lichte uiterwaarden, bosranden en vochtige parken waar waardplanten uit de wilgenfamilie aanwezig zijn. Het onderscheid met de grote weerschijnvlinder is voor niet-specialisten het best te maken door een klein, oranje omrand oog op de voorvleugel, dat bij de grote weerschijnvlinder ontbreekt.
7 planten dienen als voedsel voor de larven
•Interaktionsdaten via GloBI (CC-BY 4.0)
•Neff et al. (2025) — Swiss Moth Traits, DOI: 10.5281/zenodo.14506883 (CC BY)
•GBIF Backbone Taxonomy — GBIF Secretariat (2024), DOI: 10.15468/39omei (CC BY 4.0)
•Foto: Philipp Eckardt
Alle data zijn gelicentieerd onder CC BY 4.0, CC0 of compatibel. Naamsvermelding volgens licentievoorwaarden. Volledig bronnenoverzicht →