Afbeelding volgtAI-gegenereerde illustratieErebia aethiops
50
Planten
bezocht
83
Interacties
gedocumenteerd
10
Gastheerplanten
bekend
Kenmerkend voor Erebia aethiops zijn de fluweelzachte, donkerbruine bovenzijden van de vleugels met opvallende roodbruine banden en witgekernde oogvlekken. Omdat de soort oligofaag is, komt deze dagvlinder in Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland vooral in de zomermaanden juli en augustus voor. Er is sprake van één generatie per jaar. In het voorjaar is de vlinder nog niet waarneembaar, aangezien het dier dan als rups op grassen zoals Sesleria caerulea leeft. Pas in de zomer bezoekt de vlinder nectarplanten zoals Centaurium erythraea, Cirsium vulgare of Valeriana officinalis. Ook bramen worden als energiebron benut. De vrouwtjes zetten hun eieren afzonderlijk af op waardplanten zoals Agrostis capillaris of Deschampsia cespitosa. De rupsen komen nog in de nazomer uit en beginnen direct met eten. De winter wordt doorgebracht als rups in een toestand van rust (diapauze), verborgen in dichte graspollen. De soort kan worden ondersteund door inheemse grassen zoals Festuca ovina in de tuin te laten staan en in het najaar niet te maaien, waardoor de larven een veilige overwinteringsplek behouden.
Klikken markeert verbindingen · Nogmaals klikken opent de soortpagina
Ecologisch netwerk laden…
Deze vlinder is ongevaarlijk en vormt geen bedreiging. Omdat de soort gevoelig reageert op veranderingen in de leefomgeving, dienen de dieren enkel geobserveerd te worden en niet gevangen. Een natuurlijke tuin met inheemse grassen draagt bij aan de bescherming van de soort.
Ernährung & Verhalten
Voedsel
oligophagous
Generationen/Jahr
univoltine
Overwintering
larva
Erebia aethiops behoort tot de familie van de Nymphalidae en is binnen het geslacht Erebia een kenmerkende bewoner van bosranden en schrale grasmat. Het verspreidingsgebied omvat Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland, waarbij de voorkeur uitgaat naar koelere, vochtige locaties. De soort onderscheidt zich door de donkerbruine basiskleur en de kenmerkende, vaak lichtgrijze banden op de onderzijde van de achtervleugels. Deze specifieke tekening is een belangrijk kenmerk voor het onderscheid met verwante soorten. De levenswijze is nauw verbonden met de aanwezigheid van inheemse grassen.
10 planten dienen als voedsel voor de larven
40 planten worden door deze soort bezocht
•EuPPollNet (Zenodo 10.5281/zenodo.14747448)
•DoPI - Database of Pollinator Interactions (UK)
•Cook et al. (2025) UK Butterfly & Moth Traits (DOI: 10.5285/dbc7cc17-cbbd-49dd-bab4-8e8855768d66)
•Interaktionsdaten via GloBI (CC-BY 4.0)
•Neff et al. (2025) — Swiss Moth Traits, DOI: 10.5281/zenodo.14506883 (CC BY)
•GBIF Backbone Taxonomy — GBIF Secretariat (2024), DOI: 10.15468/39omei (CC BY 4.0)
Alle data zijn gelicentieerd onder CC BY 4.0, CC0 of compatibel. Naamsvermelding volgens licentievoorwaarden. Volledig bronnenoverzicht →